thumb|350px|Francesco Hayez, "Rinaldo en Armida" (twee figuren uit "Gerusalemme liberata" van Torquato Tasso)
De romantiek, ook wel geschreven als Romantiek wanneer er specifiek op de betreffende historische periode gedoeld wordt,Romantiek / romantiek, Onze Taal was een stroming in de westerse cultuur die zich vooral aan het eind van de 18e en in de 19e eeuw sterk deed gelden in de kunst (beeldende kunst, literatuur en muziek) en het intellectuele leven van met name Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Het was voor alles een tegenreactie op de Verlichting, die eraan vooraf was gegaan.
Tijdens de romantiek werd de subjectieve ervaring als uitgangspunt genomen. Hierdoor kwamen introspectie, intuïtie, emotie, spontaniteit en verbeelding centraal te staan. Als bron van weten stelden romantici het niet direct zintuiglijk waarneembare boven de verstandelijk rationele kennis. Zij richtten zich daarbij op het verleden waarin het heden geworteld zou zijn en zonder welke wortels het heden niet gekend zou kunnen worden.
Etymologie De naam romantiek is ontleend aan de middeleeuwse romances - verhalen waarin feilbare mensen de droom van volmaaktheid najagen. Aanvankelijk had het woord niet de misprijzende bijbetekenis die tegenwoordig aan een woord als sentimenteel kleeft.
Achtergrond De Franse revolutie speelde een belangrijke, bezielende rol in de verandering van geestelijk klimaat aan het eind van de 18e eeuw. De eerste fase van de Franse Revolutie was overigens toekomstgericht en werd nog steeds gemarkeerd door de rationalistische opstelling van de Verklaring van de rechten van de mens en de burger en het doorsnijden van historische banden, zoals mag blijken uit hun symbolische vernietiging in de bestorming van de Bastille waaruit de politieke gevangenen van het 'ancien régime' bevrijd werden. Onder Napoleon zou echter de historische traditie in zijn keizerschap herleven. Dat greep dan niet terug op het decadente Franse koningschap maar op het mythische Romeinse keizerschap.
De Duitstalige landen De ontwikkeling van de romantische stroming volgde in de Duitse landen een filosofische weg. Tegenover het rationalisme van de Verlichting stelden de vroege romantici en daaraan voorafgaand Johann Gottfried Herder, dat het kennen dieper reikte dan wat de zintuiglijke waarneming gewaar kon worden. De werkelijkheid achter de materiële verschijningsvormen was een geestelijke dimensie waaruit zij was voortgevloeid. In premoderne culturen kon men in contact komen met deze fundamentele werkelijkheid. De behoefte om dat contact te zoeken lag in de, als een verarming ondervonden, secularisatie en de onttovering van de moderne Europese wereld. Het gezag van de Kerk had plaats gemaakt voor dat van de Verlichting die voorschreef dat in plaats van theologische dogma’s voortaan in het rationeel-analytische denken alleen op causale wijze getrokken conclusies geldig waren. Het abstract functionerende verstand is niet in staat om tot leven te komen, was Herder’s tegenwerping aan Immanuel Kant. In het irrationele, onverwachte, tegenstrijdige, onvoorspelbare, onbewuste, in de droom en in de waanzin openbaart zich de diepere werkelijkheid. Deze Romantiek is daarom ook te duiden als metafysisch en het verwondert niet dat romantici terugkeerden tot de kerk en de Antieken als referentiekader inruilden voor de Middeleeuwen.
De Verlichting had met haar kille rationalisme in Frankrijk de terreur van de revolutie gebracht, gevolgd door de napoleontische avonturen die Europa in een slagveld hadden veranderd. Met name de Duitse ‘Romantiker’ hadden de Revolutie eerst wel omarmd maar wendden zich ervan, en van Frankrijk, af toen de verbeelding en het bruisend élan plaats maakten voor terreur van regels en wetten, en werd afgedwongen op slagvelden. Hun blik ging naar binnen, naar de bron van het kennen, het eigen IK. Van daaruit kon de mens een relatie leggen met al dat wat buiten hem was, het niet-Ik. Deze positie werd het eerst uitgewerkt door Johann Gottlieb Fichte en vond grote weerklank. De romantici verbeeldden de werkelijkheid in zichzelf en thematisch zagen zij een nieuwe toekomst in de motieven van het verleden, vooral in de Middeleeuwen met hun ridderlijke ordes, hun stads- en kloostergemeenschappen, en daarvóór in de Germaanse magisch-demonische wereld. De ‘Romantiker’ zochten de werkelijkheid en de waarheid niet in hun eigen 'geschonden tijd'. Alleen mystiek te doorgronden ‘metafysische werkelijkheid’ kon inzicht geven. Daarvoor was een radicale omkering nodig van hun werkelijkheidsbeleving. Protestantse 'Romantiker' keerden in de schoot van de Rooms-katholieke Kerk terug, geleerde 'Romantiker' maakten een salto mortale tot in de moederlijke schoot van de nacht. De Europese beschaving werd als bron ingewisseld voor de oriëntaalse of de Oudgermaanse. Kosmopolitische geesten werden nationalisten. Scherpzinnige dichters wilden ook niet langer in de dichtkunst maar in het dagelijks het leven dromen en sprookjes verwerkelijkt zien. En de radicale democratie van het Franse parlement was voor hen de weg naar de ondergang waartegen monarchaal absolutisme en het ultramontanisme in de Kerk bescherming konden bieden. Het kunstzinnig programma van de Romantiker verwierp elke vorm van, en het streven naar evenwicht, maat en harmonie. Het beschouwde de werkelijkheid als een oneindig, onbegrensd en vloeiend scheppingsproces. Daarmee kwam het te staan tegenover de tot dan in de Duitse landen dominante ‘Klassiker’, met name Schiller en Goethe, die overigens deels meegingen in de nieuwe 'romantische school'. Ook zichzelf wilden de 'Romantiker' niet als een geïsoleerd individu zien maar als versmolten in een groter gemeenschapsgeheel, als uitdrukking van het goddelijke. Daarin openbaarde zich dan de eeuwige scheppingsbron waaruit alles voortkwam en weer naar terugkeerde (vrij naar Fritz Strich in de inleiding op zijn Deutsche Klassik und Romantik, oder Vollendung und Unendlichkeit, Francke Verlag, Bern 1949). De werkelijkheid ontvouwde zich uit de ideeënwereld en was alleen uit ideeën te begrijpen. Hier vonden Romantiek en het filosofisch idealisme elkaar. En stonden Goethe en Schiller tegenover elkaar, hoewel zij dat wilden beleven als een wisselwerking.
In de beleving van de eigen persoonlijkheid kreeg deze vroeg-romantische tegenwerping vanaf ca. 1770 gestalte in de zogenaamde Sturm-und-Drang. Friedrich Schiller, Ludwig Tieck en tijdelijk ook Johann Wolfgang Goethe waren aan deze literaire stroming verbonden. Met hen kwam de cultus van het geniale tot uiting in het Ik dat alleen als autonoom individu kon leven en vaak werd onderdrukt doordat de krachten van het collectief in de oude, feodale en kerkelijke, instituties - nog - te sterk waren. Novalis (Georg Phillip Friedrich von Hardenberg), Wilhelm Heinrich Wackenroder en Friedrich Schlegel waren aan het einde van de 18de eeuw de belangrijkste van een groot aantal literatoren die in hun romantiek de stroming als cultuurfilosofie in brede zin vormgaven. In de universiteitstad Jena vonden zij elkaar in de periode 1790-1810 in een cultuur van intense ontmoetingen en academische 'Vorlesungen'. In de daarop volgende fase van de romantiek vindt een politisering van die filosofie plaats die haar wezen overigens zal gaan ontkennen. De eerste stap daartoe zette Friedrich Schleiermacher en aan het begin van de 19de eeuw zou Johann Gottlieb Fichte in zijn ‘Reden an die deutsche Nation’ een programma uitwerken voor de (her)stichting van de Duitse natie, waarvan de middeleeuwse glorie op dat moment door de Napoleontische bezetting en staatkundige herinrichting van Europa tot een dieptepunt was gevoerd.
De romantiek zou nog een eeuw lang doorwerken in de Duitse literatuur en ook in de toonkunst. De politieke romantiek kreeg vorm in het nationalisme, het Duitse maar ook dat van andere volken, met name in Midden en Oost-Europa. Daar ontwikkelde het zich in agressieve politieke en bestuurlijke programma’s die haaks stonden op de oorspronkelijke uitgangspunten van Herder, hoewel ze geen tegenstrijdigheid zagen wanneer ze zich op hem beriepen.
Na de ineenstorting van Duitsland in 1945 werd in polemieken een verbinding gelegd tussen romantiek en het nationaal socialisme. Inderdaad heeft het nationalisme talrijke romantische voorstellingen van mens, cultuur en geschiedenis overgenomen en geïnstrumentaliseerd voor praktische toepassingen met in extremis zeer inhumane gevolgen. Ook het beroep op de metafysica en de idealistische filosofie hadden deze stromingen gemeen. Maar een universele humanistiek waarin alle cultuurvormen en volken in onderling respect en harmonie zouden verkeren, werd vervangen in het nationaalsocialisme door rasbiologische inzichten - vulgaire uitwerkingen van het Darwinisme - betreffende veredelende of degenererende overerfbare raskenmerken van volken. Weliswaar werd daarin ook de 'Geest' aangenomen als de bron voor de materiële schepping, maar de nationaalsocialistische ‘Weltanschauung’ zag hem dan als een biologische kracht die door de heersende mens gemanipuleerd moest worden in rasselectie en mensveredeling, tegelijk met de vernietiging van zwakte en ziekte als de bedreiging van deze natuurkracht. Volken werden op die wijze in een waarde-rangorde gebracht waarin het individu zich oploste in het volkscollectief. Hierin werd met name de Duitse romantiek in haar volstrekte tegendeel geperverteerd, wat haar niettemin door vooral linkse-verlichte critici aangerekend zou blijven. Sindsdien kleefde aan de romantiek het odium dat het een bron zou zijn van het fascisme en nazisme.
Engeland Twee invloedrijke geschriften getuigen van de radicale sociale denkwijze die door de revolutie was gestimuleerd: Rights of Man (1791-1792) van Thomas Paine, die de Franse Revolutie legitiem verklaarde en haar verdedigde tegen de aanval die Edmund Burke had gelanceerd in zijn Reflections on the Revolution in France (1790). Hij pleitte hierin voor een conservatieve orde. Een nog sterkere invloed op romantische dichters als Wordsworth, Shelley en anderen, was echter Inquiry Concerning Political Justice (1793) van William Godwin. De auteur voorspelde hierin de onafwendbare maar vreedzame revolutie naar een maatschappij waarin de middelen gelijk over alle mensen zouden zijn verdeeld. De discussies en geschriften van de Duitse romantici werden ook in England gevolgd en waren een bron voor het vormen van de eigen romantische school, die ook in Amerika navolging kreeg..
Later zouden romantische sympathisanten echter afgeschrikt worden door de extreme ontwikkelingen van de Franse Revolutie. Na de machtsovername van jacobijnse extremisten volgden de 'Septembermoorden' van 1792, de terechtstellingen van enkele duizenden leden van adellijke families en de koninklijke familie. Hierop namen duizenden andere edellieden en hun families de wijk, onder andere naar Engeland. Het Franse volksleger veroverde en annexeerde de zuidelijke Nederlanden (België) en drong in de noordelijke Nederlanden (Holland) binnen om daar de Oranje-stadhouder op de vlucht te jagen en de patriotten aan de macht te helpen. In Frankrijk installeerde zich het schrikbewind van Robespierre en nadat dit was uitgewoed, werd Europa in de napoleontische oorlogen onder Franse invloed gebracht en Engeland geïsoleerd door een handelsblokkade.
De gevoelens over deze ontwikkeling werden door de romantische dichter William Wordsworth in zijn gedicht The PreludeThe Prelude, Book XI, versregel 205 e.v. als volgt vertolkt:Geparafraseerd: de Franse bevrijders... werden zelf nu de onderdrukkers en verloren alles uit het oog waar ze voor gevochten hadden...