thumb thumb|3D-model schedel (kan rondgedraaid worden met de cursor) thumb|skelet
De zilvergibbon (Hylobates moloch), ook wel grijze gibbon, Javaanse gibbon of wau-wau genoemd, is een in paren levende kleine mensaap, die uitsluitend voorkomt in midden- en westelijk Java. Het is de meest zuidelijk voorkomende soort gibbon en leeft in de boomkronen van het tropische regenwoud. De zilvergibbon heeft een egaal zilvergrijze tot blauwgrijze vacht met een donkerdere kruin en borst. Hij wordt 45 tot 64 centimeter lang en 5,6 tot 7,2 kilogram zwaar. Net als andere mensapen heeft de zilvergibbon geen staart. Het dier kan het gemakkelijkst onderscheiden worden van andere kleine mensapen door zijn lange zilvergrijze vacht en omdat het mannetje en het vrouwtje samen geen duetten zingen. Deze soort wordt bedreigd door habitatverlies en de illegale handel in wilde dieren en staat op de Rode Lijst van Bedreigde Soorten van de IUCN als "Bedreigd".
Beschrijving Volwassen mannetjes en vrouwtjes verschillen licht maar opvallend in uiterlijk, lichaamsmassa en gebit. Volwassenen hebben een lange en dichte, zilvergrijze vacht. De twee vrouwtjes die ooit zijn gewogen waren 5,6 en 6,2 kg, de vier mannetjes varieerden van 5,8 tot 7,2 kg. De vacht kan een wollige textuur hebben en is meestal effen van kleur. Het is echter zwart in het genitale gebied en rond de anus. Een haarpluk in de schaamstreek ontbreekt. Vrouwtjes kunnen een donkergrijze borstvlek hebben die taps toeloopt naar de buik. Er is een klierveld aanwezig in de huid van de borst, maar niet in de oksels of liezen. Handpalmen en voetzolen, evenals de eeltplekken op de billen, zijn naakt. Het gezicht is ook naakt, behalve ongeveer 60 korte snorharen rond de mondstreek. Alle zichtbare delen van de huid zijn uniform zwart. De iris van het oog is donker amberkleurig, terwijl de harde oogrok donkerbruin lijkt.
De haarlengte varieert afhankelijk van de plaats op het lichaam. Het is het langst op de bovenarm, over de oren en het achterhoofd en tussen de schouders, en kan daar tot 7 cm lang worden. Bij oudere volwassenen kan dit resulteren in een prominente halfronde grijze krans langs de rand van het hoofd. Deze krans omlijst het gezicht aan de voorkant en rust aan de achterkant op de nek. Het haar op de kruin van de hoofdhuid is doorgaans donkergrijs tot zwart en groeit waaiervormig vanaf de voorkant, waardoor een min of meer goed afgebakende kap ontstaat. De opvallendheid van de kap verschilt tussen individuen en lijkt niet te variëren binnen het verspreidingsgebied. De kap is vaag bij sommige individuen, waardoor ze meer lijken op H. abbotti. De kap is meestal donkerder bij vrouwtjes. Het gezicht wordt omlijst door een zwakke lichtgrijze tot witte gezichtsring. Vrij vaak is er alleen een scherp taps toelopende wenkbrauwstreep aanwezig die lichter kan zijn dan de rest van de gezichtsring en een naar voren wijzende sikje op de kin bij beide geslachten. De kleur van de vacht van de zilvergibbon verandert gedurende de jeugd. Baby's worden geboren met een lichte huid en hebben aanvankelijk een blekere vacht dan die van volwassenen. Hun vacht is crèmekleurig tot beige-grijs en de kap is minder opvallend dan bij oudere juvenielen en volwassenen.
Bewegingsapparaat Gibbons hebben sterk verlengde armen en handen, die helpen bij het armslingeren (brachiatie). Het schoudergewricht van deze dieren is beweeglijker dan dat van alle andere primaten, inclusief mensen. De spiermassa is sterk geconcentreerd bij het lichaam, terwijl de pezen die de kracht overbrengen om de gewrichten in de elleboog, pols en vingers te bewegen heel lang zijn. Dit versterkt de werking van het lichaam als het gewicht van een slinger en helpt het opslaan van energie tijdens de slingerbeweging. De individuele vingerkootjes van de vingers zijn langwerpig en gebogen voor een betere grip tijdens het slingeren en klimmen. De goed ontwikkelde duim is zeer beweeglijk en gescheiden van de handpalm door een diepe spleet die reikt tot de basis van het eerste middenhandsbeentje. In tegenstelling tot wat je zou verwachten gezien hun langwerpige handen en vingers, kunnen kleine mensapen heel precies voorwerpen vastpakken. Dat doen ze meestal door de duim tegen de zijkant van de wijsvinger te drukken. De voeten zijn ook goed aangepast om te grijpen en weerspiegelen de bouw van de handen. Ze hebben gebogen tenen en een diepe spleet tussen de opponeerbare grote teen en de resterende tenen. Ze kunnen ook worden gebruikt voor het manipuleren van objecten.
Spijsverteringsstelsel Er zijn geen opvallende specialisaties met betrekking tot voedselverwerking en -vertering in de zilvergibbon. Het maag-darmstelsel komt overeen met het grondpatroon bij apen en de blindedarm heeft een duidelijk afgebakend wormvormig aanhangsel.
Zintuigen De afgeleide bouw van het evenwichtsorgaan van de kleine mensapen vergemakkelijkt hun snelle en wendbare voortbeweging. De halfcirkelvormige kanaaltjes zijn dunner en groter. Alle kleine mensapen kunnen rood, groen en blauw uitstekend onderscheiden en de golflengtes waarvoor de verschillende opsines in het netvlies gevoelig zijn lijkt op die van andere apen van de oude wereld met inbegrip van mensen.
Anatomie Schedels van gibbons hebben zeer prominente wenkbrauwbogen en relatief zwakke kaken met kleine tanden. De gebitskenmerken van de zilvergibbon zijn opmerkelijk primitief. In overeenstemming met het grondpatroon bij de apen van de oude wereld, is de tandformule van de volwassen zilvergibbon , dat wil zeggen twee snijtanden, een hoektand, twee valse kiezen en drie ware kiezen in elke helft van de bovenkaak, en diezelfde elementen in de onderkaak. Dit is identiek aan de elementen van het gebit van de mens. Slechts zeer zelden ontbreken de verstandskiezen in de boven- of onderkaak. Bovendien zijn ze bijna altijd net zo groot als de overige kiezen en is het aantal knobbels gelijk, een kenmerk waarin de zilvergibbon zich onderscheidt van alle andere gibbons behalve de zwartkoplar. Uniek binnen het geslacht Hylobates, zijn ook de groeven in de kiezen als bij gemeenschappelijke voorouder van alle mensapen, het zogenoemde Dryopithecus-patroon. Steevast is er een goed ontwikkelde tandwortel aanwezig aan de binnenkant van de bovenste ware kiezen, terwijl deze in wisselende mate is gedegradeerd bij andere soort gibbon. Extra knobbels komen vaak voor op de onderste, maar niet op de bovenste ware kiezen. Zowel vrouwtjes als mannetjes hebben dolkachtige, langwerpige bovenste hoektanden die voortdurend worden gescherpt door het slijpen aan de gespecialiseerde eerste valse kies. Vrouwtjes hebben in vergelijking met mannetjes een kortere hersenpan met een meer uitgesproken kromming van de schedelboog aan de zijkant van het hoofd, smallere oogkassen, kortere kaken en slankere jukbeenbogen. De schedelinhoud was respectievelijk 113 en 98 cm3 bij één gevangen mannetje en vrouwtje. Het slanke maar compacte strottenhoofd van de zilvergibbon verschilt opmerkelijk van dat van de withandgibbon en de zwartkoplar. Lichaamsverhoudingen bij de zilvergibbon zijn typerend voor het geslacht. Hylobates-soorten hebben iets massievere achterpoten dan andere kleine mensapen in verhouding tot hun lichaamsgrootte en relatief minder lange armen dan kuifgibbons en siamangs. De armen zijn bijna 30% langer dan de benen. De wervelkolom varieert wat, maar bestaat ongeveer uit 33 wervels in totaal: 7 nekwervels, 13 borstwervels, 5 lendenwervels, 5 heiligbeenwervels en 3 staartwervels. Bij mannetjes ontwikkelt zich geen echt scrotum, in plaats daarvan bevinden de testikels zich in holtes boven de basis van de penis. Mannetjes hebben een klein penisbeen (4,5 mm), terwijl vrouwtjes geen clitorisbeen hebben.
Ontwikkeling en groei Het geboortegewicht van zilvergibbonbaby's is ongeveer 375 g. Na ongeveer 22 maanden worden ze gespeend. Tijdens de groei ondergaan de jongen doorgaans een opvallende verandering van de vachtkleur. Zuigelingen worden geboren met een lichte huid en hebben aanvankelijk een lichtere vacht dan volwassenen. In het begin zijn ze crèmekleurig tot beigegrijs en de bovenkant van het hoofd steekt doorgaans minder af dan de kap van volwassenen. Vrouwtjes kunnen van een leeftijd van ongeveer 5 jaar een donkere borstvlek ontwikkelen, aanvankelijk vooral in het midden van de borst. Vanaf ongeveer een jaar oud beginnen de jongen zich verder van hun moeder te bewegingen. Tot 100% van de jongen bereikt een leeftijd van 4 jaar, maar ongeveer een derde sterft vervolgens voor de leeftijd van 7 jaar, vermoedelijk als gevolg van predatie. Adolescenten vertonen een piek van solo- en sociaal spel op ongeveer 5-7 jarige leeftijd. Daarna beginnen ze zich steeds meer te verwijderen van de rest van de familie, met name van ouders van hetzelfde geslacht. In dit stadium worden ze ook het minst verzorgd door andere individuen binnen familieleden. Op een leeftijd van ongeveer 9 jaar verwijderen de dieren zich van hun geboortegroep en vestigen ze territoria of vervangen ze bewoners van hetzelfde geslacht binnen gevestigde paren. In gevangenschap krijgen de vrouwtjes hun eerste kind op een gemiddelde leeftijd van ongeveer 9 jaar. Een in het wild gevangen vrouwtje dat werd gehouden in de Assiniboine Park Zoo in Winnipeg, Canada bereikte een leeftijd van 47 jaar. In het Gunung Halimun-Salak National Park planten vrouwtjes van ongeveer 30 jaar oud zich nog steeds voort.
Verschillen met verwante soorten De zilvergibbon wordt vooral gekenmerkt door een lange, zilvergrijze vacht bij beide geslachten. De bovenkant van de kop is een donkere waaier van haar en een zwakke witte gezichtsring loopt door in een naar voren uitstekende witte sik bij de kin. De zang van het vrouwtje is afwijkend en kenmerkend voor de soort. Uiterlijk kan de zilvergibbon verward worden met Hylobates abbotti uit westelijk Borneo. De vachtkleur van H. abbotti is middelgrijs of muisgrijs tot lichtbruin en doffer dan bij de zilvergibbon. Bovendien is vaak, hoewel niet altijd, de bovenkant van de kop niet donkerder. De vacht van H. abbotti is over het algemeen korter, maar langer over de oren en deze soort heeft niet de witte sik van zijn Javaanse verwant. Bovendien verschillen de twee soorten in vorm van de tanden, die meer is afgeleid bij de Borneaanse gibbonsoort. Het is bijna onmogelijk om babies en jongen van beide soorten te onderscheiden. In het wild is het echter makkelijk te bepalen dat het om een zilvergibbon gaat, aangezien het de enige kleine mensaap is die op Java voorkomt.
Chromosomen De zilvergibbon heeft 22 paar homologe chromosomen (2n=44). Dat aantal is identiek aan de andere soorten gibbon, maar verschilt van het aantal bij elk van de andere drie geslachten kleine mensaap (Nomascus 2n = 52, Symphalangus 2n = 50 en Hoolock 2n = 38).
Taxonomie In zijn standaardwerk Systema naturae uit 1758 onderscheidde Carl Linnaeus vier geslachten in de orde Primates: Homo, Simia, Lemur en Vespertilio. Veel soorten die aanvankelijk in het geslacht Simia waren geplaatst, werden later verdeeld over veel nieuwe geslachten. Uiteindelijk bleef de naam Simia over omdat onduidelijk was welke soort als het type van de geslachtsnaam moest worden beschouwd. Daarom is Simia door de International Commission on Zoological Nomenclature onderdrukt in 1929. De geslachtsnaam Hylobates werd voor het eerst gebruikt in 1811 door Johann Karl Wilhelm Illiger om de withandgibbon, die van Linnaeus in 1771 de naam Homo lar had gekregen, een eigen geslacht te geven.