De Centurion is een Britse tank van na de Tweede Wereldoorlog. Hij wordt door sommigen gezien als een van de beste Britse tankontwerpen van zijn tijd. Het ontwerp dateert uit de Tweede Wereldoorlog, maar in die oorlog waren er slechts zes rijdende exemplaren als testexemplaar beschikbaar. Hij heeft dienst gedaan in vele conflicten en daarbij dikwijls de prestaties van zijn tegenhangers uit de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie overtroffen. Het zou een van de meest wijdverbreide tanks worden, die door vele legers over de gehele wereld werd gebruikt en ook nu nog (gegevens 2022) is een aantal operationeel.

Ontwikkelingsgeschiedenis Tijdens de Tweede Wereldoorlog vond er tussen de geallieerden en de asmogendheden een wapenwedloop plaats. Bij tanks uitte dat zich als een vicieuze cirkel tussen een steeds zwaarder pantser en een alsmaar krachtiger bewapening. De Britse tankmodellen uit het begin van de oorlog, die toch al vrij matig waren omdat ze te haastig in productie genomen werden, dreigden zo totaal verouderd te raken. In 1942 werd daarom op instigatie van de Tank Board aan een moderniseringsproject begonnen dat voorzag in de ontwikkeling van twee nieuwe types, daar men vasthield aan de arbeidsverdeling tussen lichtere mobiele cavalerietanks (Cruisertanks) en zwaardere trage infanterietanks: later de A41 Cruiser en de A45 genoemd. Omdat de al lopende projecten hopeloos onderhoudsgevoelig waren gebleken, had mechanische betrouwbaarheid naar de eisen van de General Staff een absolute prioriteit.

In juli 1943 werd de bouw van een aantal prototypes volgens een ontwerp van het Department of Tank Design goedgekeurd. In november 1943 kreeg het project pas de naam A41. Volgens de eisen van het War Office moest het type het krachtige 76,2 mm 17-pounder kanon kunnen dragen en zelf immuun zijn voor een rechte inslag van het 88mm L/56 kanon van de Duitse Tiger I door een pantsering van vier inch; de A41 mocht daarbij toch niet zwaarder zijn dan veertig ton. Het Britse tankontwerp uit die tijd had te lijden onder slecht management. De ontwikkeling van de verschillende componenten werd door tijdgebrek niet permanent begeleid en geïntegreerd: men liet verschillende industrieën de onderdelen eerst uitontwikkelen en probeerde ze dan samen te voegen tot één voertuig. Omdat men er zelden in slaagde binnen de specificaties te blijven, lukte het nooit om van de onderdelen meteen een werkend geheel te maken. Zo bleek het ook nu onmogelijk om de gewenste eigenschappen als een zwaar pantser, een krachtige motor en een groot kanon te verenigen met een gewicht van maar veertig ton. In het verleden had men de discrepanties typisch opgelost door dan maar een zwakker kanon te blijven gebruiken, zodat de toren minder breed hoefde te zijn en de hele tank dus lichter werd. Deze keer vond men echter een andere oplossing: omdat het in 1944 al overduidelijk geworden was dat het onderscheid tussen cavalerie- en infanterietanks niet meer overeenstemde met de moderne tactische inzichten voegde men in februari het A41-project samen met de specificaties van de A45. Zo werd het een Universal Tank of, in de woorden van Bernard Montgomery, een Capital Tank. Die tank had niet langer de Christie-ophanging van de cruisertanks en mocht een gewicht hebben van vijftig ton. In mei 1944 werden er twintig voorserie-voertuigen besteld, waarvan er in april 1945 zes klaar waren. Ze werden naar Duitsland verscheept, maar waren net te laat om aan de gevechten deel te nemen. Ondertussen werd de massaproductie van de tank al voorbereid, nu met een eigen naam: de Centurion Mark I waarvan er honderd besteld werden en die afgeleverd zouden worden in 1946 en 1947.

Productie thumb|300px|Centurion Mark 1 Na de oorlog werd het type de standaard middelzware tank van het Britse leger. Daarnaast voorzag men ook in een zware tank met een sterkere bewapening. De Mark 1 had een 17-ponder 76,2 mm kanon en de zware tank zou een 83,4 mm 20-ponder kanon moeten krijgen. Al vrij snel drong echter het besef door dat de Sovjet-Unie bezig was met de productie van zwaarder bepantserde tanks. De zware tank, die pas in 1959 in dienst zou worden genomen als de Conqueror, moest daarom een 120 mm kanon krijgen en de Centurion het 83,4 mm Lang 77 kanon. Voor het zover was echter werd het romppantser van de Centurion versterkt bij de A41A versie, ofwel Mark II, waarvan er 250 gebouwd werden tussen 1946 en 1948. Het 83,4 mm kanon werd ingevoerd tijdens de productie van de Mark II: de laatste honderd exemplaren hadden het sterkere kanon en ook de Mark III met 25 mm sterker torenpantser waarvan er tussen 1948 en 1956 2833 gebouwd zouden worden met een piek van 573 in het begrotingsjaar 1952/53. Deze drie typen kregen achteraf het Fighting Vehicle nummer FV4007.

Midden jaren vijftig begonnen zowel de Vickers als de Leyland-fabriek ieder apart kleine modificaties in het ontwerp aan te brengen. Leyland kwam kort daarop met nog eens een verder verbeterde versie, terwijl tegelijkertijd allerlei verbeteringsprogramma's werden opgestart voor de al bestaande voertuigen. Dit leidde tot grote verwarring bij de onderhoudsdiensten. Om wat helderheid te scheppen werd de Vickersversie de Mark 5 genoemd (ondertussen was men overgegaan van Romeinse naar Arabische cijferaanduidingen), waarvan er 221 gebouwd zouden worden van 1956 tot 1958; de eerste Leylandversie de Mark 7 waarvan er 755 gebouwd zouden worden tussen 1954 en 1960 en de tweede Leylandversie de Mark 8 waarvan er 108 gebouwd zouden worden tussen 1956 en 1960; dit type had een versterkte kanonmantel. thumb|300px|Centurion Mark 3 met 20-ponder versie A-kanon met contragewicht op CFB Borden, Canada De verbeteringsprogramma's waren een reactie op het verschijnen van de Sovjet T-54. Dit voertuig had een 100 mm kanon en om de Centurion hiertegen te beschermen werd aan de voorkant ongeveer een ton extra pantser aangebracht; ook de meeste al bestaande Mark III's werden hiermee uitgerust. Over de precieze dikte zijn nooit officiële cijfers bekendgemaakt maar die moet bij de romp van 76 mm op 118 mm gebracht zijn. Door de afgeschuinde vorm was de dikte over het horizontale vlak 236 mm; het afketsingseffect leidde tot zo'n 300 mm equivalentie.

In het begin van de jaren vijftig schatte men het pantser van de T-54 nog op maximaal 120 mm. Tijdens de Hongaarse Opstand van 1956 werd echter een T-54 door opstandelingen de Britse ambassade ingereden; die bleek een torenpantser te hebben van 205 mm. De toren kon door de 20-ponder slechts op zeer korte afstand betrouwbaar doorslagen worden en de afgeschuinde romp helemaal niet. Vrij snel werd hierop besloten de Centurion met een 105 mm kanon uit te rusten. In 1959 ging men bij de productieseries over op het zwaardere kanon; bij bestaande voertuigen duurde het tot het midden van de jaren zestig voordat alle twintigpondertanks waren omgebouwd of uitgefaseerd. De bestaande Mark 5, 7 en 8's die verzwaard werden heetten nu de Mark 5/1, 7/1 en 8/1; bestaande Mark 5, 7 en 8 voertuigen die omgebouwd werden met een 105 mm kanon de Mark 5/2, 7/2 en 8/2. Voertuigen met beide modificaties werden respectievelijk de Mark 6, Mark 9 en Mark 10. Van de Mark 6 heeft geen nieuwbouw plaatsgevonden.

Van de Mark 9 was er in 1959 nog een nieuwbouw van één stuk, eigenlijk het allerlaatste exemplaar van de Mark 7 serie dat nog net nieuw met een 105 mm kanon werd uitgerust. De Mark 7/1 en 7/2 hadden een apart FV-nummer: FV4012 en de Mark 9 was de FV4015. De Mark 7 had een vergrote brandstoftank; de Mark 6's werden hiermee alsnog uitgerust. Van de Mark 10 zijn er nog 155 gebouwd tot in 1962. De nieuwe Mark 10's hadden een enkelvoudige zwaardere hoofdpantserplaat op de romp, terwijl bij eerdere versies er een tweede plaat opgelast werd. Dit was de laatste productieserie, de FV4017, van de Centurion waarvan er dus in totaal 4423 gevechtstanks gefabriceerd zijn, zonder de twintig voorserievoertuigen. thumb|300px|Centurion Mark 12 Het einde van de productie betekende echter niet dat het aantal aanduidingen niet verder verhoogd zou worden. Men verbeterde bestaande voertuigen tot de Mark 6/1, 9/1 en 10/1 die uitgerust werden met infrarood-nachtzichtkijkers. Andere voertuigen kregen een inschietmachinegeweer om de afstand tot het doel te bepalen en werden zo de Mark 6/2, 9/2 en 10/2. Alle voertuigen kregen op den duur beide veranderingen en de Mark 6 transformeerde hierdoor in de Mark 11, de Mark 9 in de Mark 12 en de Mark 10 in de Mark 13. Van geen van deze laatste versies zijn er dus nieuwe tanks gemaakt.

De vele buitenlandse gebruikers van de tank, die meestal oudere Mark III's hadden afgenomen, konden het allemaal niet meer volgen. Ze wisten echter nog wel dat de Mark 5/2 een 105 mm kanon bezat. Als ze zelf hun Mark III's met zo'n kanon uitrustten, noemden ze hun voertuigen ook maar Mark 5/2, hoewel dat niet in overeenstemming was met het Britse gebruik. Bijna alle buitenlandse voertuigen kregen een zwaarder romppantser.

Beschrijving In de Engelstalige literatuur is men vrijwel altijd zeer lovend over de Centurion. Het was de enige Britse tank uit de geschiedenis die een groot exportsucces was. De niet bijster geslaagde voorafgaande Britse ontwerpen staan ermee in schril contrast en de typen die volgden zouden de verkoopcijfers niet meer weten te evenaren. Toch is de Centurion bepaald niet volmaakt. Het is een tamelijk ouderwetse tank die zelfs als project al vele technische ontwikkelingen niet had kunnen bijbenen. Heel duidelijk zien we dat bij de Horstmannophanging, een simpele constructie met horizontale springveren, die weliswaar goedkoop en effectief is maar niet erg efficiënt zodat de maximumsnelheid onnodig wordt gedrukt. Met 34 km/u is de Centurion een van de traagste tanks van na de oorlog. De oorspronkelijke Meteor Mark IV 640 pk benzinemotor was, behalve te zwak, ook al niet efficiënt en in combinatie met een brandstoftank van 545 liter was het rijbereik aanvankelijk maar 96 km, een getal dat uit de Eerste Wereldoorlog lijkt te stammen.

Een ander voorbeeld van ouderwets ontwerp is de toren waarvan de zijden veel te recht zijn, zodat geen gebruik kan worden gemaakt van het afketsingseffect; bij de Mark I sprong de torenwand links van de kanonmantel nog wat in om ruimte te bieden aan een apart Polsen 20 mm snelvuurkanon dat al snel vervangen werd door een Besa 7,92 mm machinegeweer, wat de A41* opleverde. Het hoofdwapen, een 76,2 mm 17-ponder kanon had een laag kaliber, zij het met een voor dat kaliber goed doorslagvermogen van 74 mm op 1000 yard bij een inslaghoek van 60°. Het was niet voorzien van een echte afstandsmeter. De Centurion was dus in 1947 een onhandig vormgegeven, matig bewapende en trage tank die in vuurkracht, mobiliteit en bepantsering verre de mindere was de T-54 die weldra zou verschijnen — en dat terwijl het Sovjetvoertuig vijftien ton lichter was en half zo duur. Vergeleken met de veel modernere Amerikaanse M26 Pershing was hij al bij voorbaat verouderd, om nog maar te zwijgen van de Patton M-47 en M-48 die zijn echte concurrenten zouden zijn.

thumb|300px|De ouderwetse Horstmannophanging