miniatuur|Lindisfarne evangeliarium Tapijtpagina, met een Latijns kruis, Keltische decoratieve patronen met verweven zoömorfe motieven Het Lindisfarne-evangeliarium of de Lindisfarne-gospels zoals ze genoemd worden in de Engelse literatuur is een rijk verlucht manuscript dat tussen 680 en 720 waarschijnlijk in het klooster op het getijdeneiland Lindisfarne voor de kust van het Angelsaksische koninkrijk Northumbria werd vervaardigd. Deze abdij werd in 635 op verzoek van Oswald van Northumbria, die tijdens zijn ballingschap op het eiland Iona in het klooster van Columba had verbleven, gesticht door de Ierse monnik St. Aidan. Het Lindisfarne-evangeliarium wordt beschouwd als een van de beste voorbeelden van de Hiberno-Saksische stijl die ontstond uit de vermenging van de Keltische stijl, die door Ierse missionarissen naar de Britse eilanden werd gebracht, en de lokale Angelsaksische stijl. Het boek toont daarnaast ook invloeden van Germaanse, Romeinse, Byzantijnse, en van Vroegchristelijke kunst met elementen uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Het handschrift wordt nu bewaard in de British Library onder de signatuur Cotton MS Nero D.IV.Het was het vierde werk in de verzameling van Cotton, in het paleis van Westminster, nu het parlement, opgeslagen in een boekenkast waarop het borstbeeld van keizer Nero stond.

Context miniatuur|Lindisfarne evangeliarium: Chi-Rho uit het Matteüs evangelie Het Lindisfarne evangeliarium dankt waarschijnlijk zijn ontstaan aan de cultus van Sint-Cuthbert. Cuthbert stierf in 687 en werd vrij snel als heilige vereerd. Vroeger werd door de deskundigen vrij algemeen aangenomen dat het handschrift werd gemaakt in 698 ter gelegenheid van de translatie van de relieken van St. Cuthbert naar het hoogaltaar van de kloosterkerk van Lindisfarne. Men baseerde zich hiervoor op het colofon dat een goede 250 jaar later in het handschrift werd opgetekend door een zekere Aldred, de monnik die het evangeliarium vertaalde in het Oudengels. In dit colofon staat dat Eadfrith, de abtBishop: In de Engelse literatuur hierover spreekt men dikwijls over Bishop om het even later weer over Abbot te hebben. Om verwarring te vermijden gebruikt dit artikel de term Abt. De abt was de gekozen vader van de kloostergemeenschap terwijl de bisschop de vader van een lokale kerkgemeenschap was, maar de toenmalige bisschop had niets te maken met de prinsen van de kerk die we later zullen leren kennen. In een kleine gemeenschap zoals Lindisfarne vielen abt en bisschop dan ook samen, maar bestond de taak uit bekering en begeleiding van de gelovigen en niet uit de administratie van een gebied. Trouwens ook een bisdom was in die tijd onbekend en zou pas in de tiende eeuw stilaan vorm gaan krijgen. van Lindisfarne, het manuscript schreef ter ere van God en van Sint-Cuthbert, dat Ethelwald het inbond de boekband liet maken en dat de heremiet Billfrith het decoreerde met goud en edelstenen. Eadfrith werd abt in 698 en stierf in 721, Ethelwald was zijn opvolger.

Op het einde van de 7e eeuw was in de Engelse kerk een strijd aan de gang tussen de aanhangers van de Keltische strekking en die van de Romeinse factie. Er werd door koning Oswiu van Northumbria een synode bijeengeroepen in Whitby om hierover een beslissing te nemen, maar ook al werd daar beslist voor de Romeinse strekking en gebruiken zou het nog tot in de 12e eeuw duren voor de Keltische kerk volledig was geassimileerd met de Roomse. Cuthbert was een van de abten die trachtte de beide partijen te verzoenen. Zijn opvolger als abt van Lindisfarne, Wilfrid was geen consensus figuur en werd afgezet in 691 en geëxcommuniceerd in 693.

In 705 had een monnik uit Lindisfarne een "Leven van St. Cuthbert" geschreven en abt Eadfrith gaf opdracht aan Beda van de abdij van Monkwearmouth-Jarrow om dit leven te herschrijven en de verzoening van de Keltische en Angelsaksische strekkingen daarin te benadrukken. Het is waarschijnlijk door het ontstaan van de verering van St. Cuthbert dat de noodzaak werd aangevoeld om een groot evangelieboek te maken dat bij die verering kon getoond worden aan de gelovigen zoals toen gebruikelijk was.

miniatuur|Tara broche met Keltisch vlechtwerk

Oorsprong De ontdekking van de Tara-broche uit de 8e eeuw op de Ierse kust in 1850 startte een campagne van Ierse deskundigen om alles wat insulaire kunst was te zien als Ierse kunst of Ierse kunst gemaakt op Angelsaksisch bodem. De reactie liet niet lang op zich wachten en alles wat Germaanse invloeden toonde werd door de Britse geleerden aanzien als insulaire kunst van Angelsaksische oorsprong. Recent onderzoek en archeologische vondsten toonden aan dat de Insulaire kunst die nu eens door de Ieren en dan weer door de Britten werd geclaimd eigenlijk gemeenschappelijk erfgoed is, ontstaan uit het samengaan van Keltische, Pictische en Germaanse elementen die te herkennen zijn op kunstsmeedwerk en beeldhouwwerk uit de zesde tot de negende eeuw.Michelle P. Brown, 2003, pp.38-49

miniatuur|links|Angelsaksische sierspeld uit de begraafplaats van Sutton Hoo. Het handschrift maakt deel uit van een groep van vier manuscripten met het Durham-evangeliarium, het Evangeliarium van Echternach en het Otho-Corpus-evangeliarium die dus allemaal producten zouden zijn van het scriptorium van Lindisfarne.Janet Backhouse, Birds, Beast end Initials in Lindisfarne’s Gospel Books in: St.Cuthbert, his Cult and his Community to AD 1200 heruitgave van G.Bonner, D. Rollason en C. Stancliffe, Woodbridge 1989, pp.165-174, p172. Het Otho-corpus-evangeliarium en het Lindisfarne–evangeliarium zijn sterk gerelateerd.Michelle Brown, The Lindisfarne Scriptoium from the late Seventh to the Early Ninth Century in: St.Cuthbert, his Cult and his Community to AD 1200 heruitgave van G.Bonner, D. Rollason en C. Stancliffe, Woodbridge 1989, pp.151-164, p.158

Michelle Brown, die het handschrift recent heeft onderzocht zegt dat het onmogelijk met zekerheid is vast te stellen waar het handschrift werd gemaaktMichelle P. Brown, 2003, p.41, In Ierland, in Nothumbrië of zelfs in een scriptorium op het continent, maar ook zij opteert voor Lindisfarne op basis van de hybride stijl van de verluchting die in Lindisfarne moet aanwezig geweest zijn en veel minder op de andere plaatsen die als mogelijke plaats van oorsprong werden geopperd, maar ook de archeologische artefacten ter plaatse en in Durham (o.m. de doodskist met relieken van St. Cuthbert) leidden haar tot dit besluit.Michelle P. Brown, 2003, pp.104-106

Waar het handschrift ook is gemaakt, het heeft zich op een bepaald moment wel in hetzelfde scriptorium bevonden als het Durham-evangeliarium want modern onderzoekC.D. Verey (ed.), The Durham Gospels, Early English Manuscripts in Facsimile 20, Kopenhagen 1980, pp.74-76. heeft uitgewezen dat beide manuscripten kort na hun ontstaan door dezelfde persoon zijn gecorrigeerd. Meer zelfs, men gaat ervan uit dat het Durham-evangeliarium een eerste keer werd gecorrigeerd en enige tijd later een tweede keer met ditmaal het Lindisfarne-evangeliarium als legger.Het voorbeeld waarvan werd gekopieerd of dat diende als basis voor de correctie.The Lindisfarne Gospels, Website van de British Library

De kopiist Gebaseerd op het colofon dat Aldred aan het manuscript toevoegde, werd de tekst geschreven door Eadfrith de abt van Lindisfarne. Men kan zich de vraag stellen of dit geloofwaardig is. Eadfrith moest zich bekommeren over het wel en wee van zijn abdij en had daarenboven waarschijnlijk nog behoorlijk wat werk buiten de abdij verbonden aan zijn functie. Waarschijnlijk was hij ook aanwezig bij de acht gebedsstonden van het dagelijks koorgebed. Het moet voor één man dus geen kleine opdracht geweest zijn om daarnaast nog de vier evangelies over te schrijven en te decoreren.

Niettemin zijn deskundigen het erover eens dat het handschrift geschreven en gedecoreerd is door één hand. Men kan er trouwens van uitgaan dat in die tijd het schrijven van een dergelijk belangrijk werk niet werd overgelaten aan de eerste de beste. Andere voorbeelden tonen ons meermaals dat het schrijven van een belangrijk werk dikwijls werd uitgevoerd door een belangrijk persoon. Moderne kalligrafen schatten dat een werk van die omvang met de moderne hulpmiddelen waarbij basisvoorzieningen zoals een degelijke verlichting en verwarming, minstens twee jaar in beslag zou nemen als een voltijdse job en zonder dezelfde kwaliteit te benaderen. Voor Eadfrith heeft dit waarschijnlijk in de buurt van 10 jaar werk gekost.

Het feit dat het colofon het inbinden van het handschrift bij de opvolger van Eadfrith legt lijkt er ook op te wijzen dat het handschrift bij het overlijden van Eadfrith pas afgewerkt geraakt was, als Eadfrith het handschrift had geschreven voor zijn aanstelling als abt in 698 zou hij waarschijnlijk zelf voor de inbinding gezorgd hebben. Dit plaatst de realisatie van het manuscript eerder in de periode van 710 tot 720 dan de vroeger dikwijls gestelde datum van 698.BBC - Tyne: The Lindisfarne Gospels. Gearchiveerd op 25 oktober 2023.

Het is dus zeer goed mogelijk dat wat Aldred schreef in zijn colofon, en wat zonder twijfel berustte op mondelinge overlevering in de gemeenschap, op waarheid berustte.

Geschiedenis miniatuur|Lindisfarne evangeliarium: f139r, incipit van het Lucas evangelie. Het handschrift bevond zich duidelijk in de gemeenschap van St. Cuthbert in Chester-le-Street tussen 950 en 970 toen het door Aldred, de toekomstige provoost (tuchtmeester) van de gemeenschap, voorzien werd van een Angelsaksische vertaling. Zoals we eerder hebben gezien werd het handschrift waarschijnlijk gemaakt in Lindisfarne in het begin van de 8e eeuw. Onder de steeds weerkerende strooptochten van de Vikingen brachten de monniken onder abt Ecgred (830 – 846) hun kostbare bezittingen samen met de relieken van Cuthbert en de resten van koning Ceolwulf van Northumbria in veiligheid in Norham, ten noorden van Lindisfarne.

Omstreeks 875 verlieten ze Lindisfarne onder druk van de herhaalde aanvallen van de Denen die ondertussen een permanente vestiging hadden opgericht aan de Tyne. Ze beginnen aan een zwerftocht die ettelijke jaren zal duren en nemen alles wat kostbaar is met zich mee. In 883 krijgen ze van de Vikingleider van het Koninkrijk Jorvik Guthred de toestemming om zich te vestigen in het vroegere Romeinse fort van Chester-le Street en kregen ze alle vroegere bezittingen van Wearmouth en Jarrow, het land tussen Tyne en Wear.

In 995 verhuisde de gemeenschap onder de leiding van abt Aldhun naar Durham. In 1069 vluchtten ze voor een laatste keer uit Durham voor de plunderende Normandiërs van Willem de Veroveraar en ze keren terug in 1070. In 1083 wordt de gemeenschap van St. Curthbert dan definitief vervangen door een benedictijnenklooster en wordt er in Lindisfarne een priorij gesticht onder de leiding van het klooster in Durham.

Tussen 1104 en 1109 schrijft Symeon van Durham zijn Historia Dunelmensis Ecclesiae een tekst die inhoudelijk in grote lijnen overeenkomt met het colofon van Aldred, alleen Aldred zelf wordt niet vermeld. Symeon is ook de eerste die het verhaal vertelt dat het boek gemaakt door Eadfrith, Aethilwald en Billfrith en dat bewaard werd bij de relieken van St. Cuthbert in de kathedraal van Durham, tijdens de zwerftochten van de monniken in zee terechtkwam maar dankzij een aanwijzing van Cuthbert zelf in een visioen, door een van de monniken, Hunred genoemd, onbeschadigd werd teruggevonden bij eb. Dit zou kunnen over het Lindisfarne evangeliarium gaan, maar het kan natuurlijk ook een ander evangelieboek betreffen, hoewel het wel erg toevallig zou zijn dat er twee handschriften aan identiek dezelfde personen zouden zijn toegeschreven. Een dergelijk waterwonder is uiteraard geen unicum in de middeleeuwen, er werden 300 boeken toegeschreven aan de heilige Columba die ongeveer hetzelfde hadden meegemaakt!