Pierre Laval (Châteldon, 28 juni 1883 – Fresnes, 15 oktober 1945) was een Frans politicus, die meerdere malen premier en minister van Buitenlandse Zaken was.

Hoewel hij in het interbellum al een belangrijke politieke rol speelde in de Franse en de internationale politiek is hij vooral berucht geworden voor zijn leidende rol in het Vichyregime en zijn collaboratie met Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog, wat hem tot een van de meest gehate mannen van Frankrijk maakte. Voor die rol werd hij kort na de oorlog wegens verraad gefusilleerd.

Levensloop

Afkomst en opleiding Pierre Laval was de zoon van een herbergier en paardenkoopman in Châteldon, een dorp in het noorden van het departement Puy-de-Dôme.

Eenmaal de lagere school voorbij moest hij helpen in de herberg van zijn vader. Door zelfstudie slaagde hij er toch in een eindexamen secundair onderwijs af te leggen. Daarop werkte hij als opvoeder in lycea in diverse Franse steden, terwijl hij tegelijk aan de universiteit studeerde. Zo werd hij in Lyon licentiaat in de dierkunde en later in Parijs licentiaat in de rechten.

Intussen was hij toegetreden tot een links-revolutionaire groepering die in 1905 zou opgaan in de socialistische partij SFIO.

Begin politieke carrière Rond 1909 vestigde Laval zich als advocaat in Parijs, waar hij zich inzette voor de zaak van arbeiders en vakbonden. Hij kreeg bekendheid doordat hij erin slaagde een revolutionaire syndicalist, die ervan beschuldigd werd een aanslag voor te bereiden, vrij te spreken. Zijn reputatie als "advocaat van de armen" belette hem niet om snel een welgesteld man te worden.

Met de steun van de vakbond Confédération Générale du Travail kon hij nu een politieke carrière beginnen.

Nadat hij in 1911 verslagen werd in een tussentijdse verkiezing, werd hij in 1914 voor de SFIO in de Kamer van afgevaardigden verkozen voor een kiesdistrict rond Aubervilliers, een arbeidersgemeente vlak ten noorden van Parijs, dat zijn politieke thuisbasis werd. Op zijn 31ste was hij het jongste socialistische parlementslid.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Laval, een overtuigd tegenstander van de oorlog, vanwege zijn gezondheid niet gemobiliseerd. Hij ijverde voor een toenadering van de socialistische partijen om een einde aan de oorlog te maken. In de Kamer pleitte hij voor amnestie voor Franse soldaten die hadden meegedaan aan de muiterijen van 1917. Anderzijds was hij zelf actief in Kamercommissies voor de bewapening en steunde hij de krachtdadige regering van Georges Clemenceau. Deze bood hem zelfs een regeringsfunctie aan, maar de SFIO verzette zich daartegen.

Interbellum

Evolutie van links naar rechts Bij de verkiezingen van 1919, die een grote ruk naar rechts opleverden, verloor Laval zijn Kamerzetel. Toen het in 1920 binnen de SFIO tot een breuk kwam tussen voor- en tegenstanders van het communisme, koos Lavals afdeling Aubervilliers massaal voor het communisme. Laval begon toen afstand van de partij te nemen.

In 1923 won Laval aan het hoofd van een lijst van dissidente socialisten en lokale notabelen de gemeenteraadsverkiezingen in Aubervilliers. Hij versloeg zowel communisten als socialisten en werd burgemeester. Tot aan de bevrijding in 1944 zou hij onafgebroken burgemeester van deze Parijse voorstad blijven.

Laval zou nooit meer lid van een partij worden, maar zijn invloed nam toe dankzij een netwerk van persoonlijke relaties dat hij uitbouwde over de grenzen van de partijen. Zijn vriendschapsbanden strekten zich uit van conservatieve zakenlieden tot enkele communistische politici.

Bij de verkiezingen van 1924 keerde hij terug in de Kamer als onafhankelijk socialist op de lijst van de linkse alliantie Cartel des gauches. Het jaar daarop werd hij voor het eerst minister (van Openbare Werken), in het derde kabinet-Painlevé (april-oktober 1925). Daarop was hij onderstaatssecretaris voor Buitenlandse Zaken toegevoegd aan premier Aristide Briand, en vervolgens, van maart tot juli 1926 was hij minister van Justitie in de opeenvolgende regeringen-Briand.

Begin 1927 werd Laval, dankzij zijn relaties over de partijen heen, bij de getrapte senaatsverkiezingen, tot senator voor het departement Seine verkozen. In 1935 zou hij in de Senaat worden herkozen, ditmaal voor zijn geboortestreek Puy-de-Dôme, waar hij eveneens veel relaties had.

Naast politicus was hij ook een handig zakenman. Hij bouwde een klein persimperium uit, bestaande uit een drukkerij, een reclamebedrijf, een reeks provinciale kranten en een radiostation in Lyon. In 1931 verkocht hij de meeste bladen met grote winst, maar behield de controle over een krant in de Puy-de-Dôme. Met zijn verworven fortuin kocht hij een kasteel in zijn geboortedorp en een groot domein met paarden en runderen in Normandië. Dat leverde hem felle kritiek op van links.

Laval had intussen volledig gebroken met de linkerzijde. Zijn vriendschap met André Tardieu van de centrumrechtse Alliance Démocratique zorgde ervoor dat hij in de regering kon terugkeren. Hij werd minister van Arbeid en Sociale Voorzorg in de kortstondige kabinetten-Tardieu II (1930) -Tardieu III (1932). In die functie leidde hij onderhandelingen die een einde maakten aan een grote staking van de Noord-Franse textielindustrie en voerde hij een belangrijke wet op de sociale zekerheid in.

Premier en minister van Buitenlandse Zaken Van januari 1931 tot februari 1932 is Laval minister-president (Président du Conseil) van drie opeenvolgende, vrijwel identieke centrumrechtse regeringen. Daarin was hij tevens minister van Binnenlandse Zaken, sinds januari 1932 van Buitenlandse Zaken.

De regering-Laval moest afrekenen met de toenemende economische depressie. In die periode begon Laval zich met de buitenlandse politiek bezig te houden. Hij benadrukte internationale samenwerking om uit de crisis te komen.

In september 1934 gaf de regering de Banque de France opdracht om massaal Britse ponden op te kopen en zo een financiële crisis in Groot-Brittannië tegen te gaan. Dat lukte, maar Frankrijk verloor er zwaar aan toen het pond kort daarop fors gedevalueerd werd. Rond die tijd reisde Laval naar Duitsland, waar de economische situatie al bar slecht was. Hij beloofde er financiële steun.

In oktober bracht hij een bezoek aan de Verenigde Staten om met president Herbert Hoover de moeilijke financiële situatie te bespreken. Hoewel de ontmoeting weinig opleverde, werd hij in Amerika triomfantelijk onthaald. Time Magazine riep hem toen uit tot Man of the Year. Pierre Laval is met Charles de Gaulle de enige Fransman die deze eer te beurt viel.

Na een paar jaar buiten de regering te hebben vertoefd, trad hij in februari 1934 toe tot de noodregering van Gaston Doumergue. Eerst was hij minister van Koloniën, vanaf oktober 1934 van Buitenlandse Zaken, als opvolger van de Louis Barthou, die enkele dagen daarvoor was vermoord. Hij behield die portefeuille in het daaropvolgende kabinet-Flandin (1934-1935).

Zijn voorganger Barthou had kordaat gereageerd op de komst van het naziregime in Duitsland, dat hij als een gevaar voor de vrede en voor Frankrijk beschouwde. Daarom had hij gestreefd naar anti-Duitse bondgenootschappen met andere landen, ook met de Sovjet-Unie. Laval was niet enthousiast voor zo'n bondgenootschap, omdat het Frankrijk tegen zijn wil in een nieuwe oorlog kon betrekken en omdat hij de Sovjets niet vertrouwde.

Laval zocht vooral steun bij het fascistische Italië van Benito Mussolini, die in die tijd Hitler nog wantrouwde. In januari 1935 bracht hij hem een bezoek in Rome en maakte afspraken over militaire samenwerking tussen beide landen. In april was hij de drijfkracht achter de conferentie van Stresa, waar een Brits-Frans-Italiaanse houding tegenover Duitsland (het zgn. Stresa-front) werd afgesproken. In mei ging hij naar Moskou voor een ontmoeting met Stalin. Hij sloot toen een anti-Duits verdrag met de Sovjet-Unie, dat Frankrijk echter niet kon verplichten tot een oorlog.

Na te hebben deelgenomen aan het zeer kortstondige kabinet-Buisson, leidde Laval, steeds met de portefeuille van Buitenlandse Zaken vanaf juni 1935 een regering, die een brede coalitie omvatte van centrumlinks tot rechts. Hij kreeg van het parlement volmachten om bij decreet te regeren en paste een harde deflatiepolitiek toe. De lonen van de ambtenaren werden verlaagd, wat tot massale protesten leidde. Door het verzet tegen de vrijwel dictatoriale maatregelen van de regering, begonnen de linkse partijen zich te verenigen in het Volksfront.

Intussen leed Laval een zware diplomatieke nederlaag. In oktober 1935 viel Italië Abessinië binnen waarop de Volkenbond economische sancties tegen dat land afkondigde. Laval, die Italië als bondgenoot wilde behouden, was daartegen en zocht samen met de Britse minister van Buitenlandse Zaken Sir Samuel Hoare naar een compromis, waarbij Italië stukken van Abessinië zou krijgen. Dat zogenaamde Hoare-Laval-pact veroorzaakte grote verontwaardiging in vele landen, niet het minst in Frankrijk zelf. Laval overleefde ternauwernood een vertrouwensstemming over het pact, maar het werd uiteindelijk niet uitgevoerd.

In januari 1936 kwam zijn regering ten val en kort daarop kwam het Volksfront aan de macht, dat een heel andere politiek ging voeren. Laval zou vier jaar lang van de macht geweerd worden.

Overtuigd van zijn eigen gelijk en verbitterd om de kritiek op zijn beleid, begon hij de parlementaire democratie te verachten. In het geheim zocht hij contacten met extreemrechtse figuren zoals Jacques Doriot, en met maarschalk Pétain. Deze laatste zag hij – toen al – als het toekomstige hoofd van een autoritair regime, waarin hij een rol kon spelen. Hij had ook geheime contacten met de Spaanse rebellenleider Francisco Franco.

Vichyregime Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog speelde Laval geen politieke rol, maar hij bleef intussen zijn contacten onderhouden, zoals met maarschalk Pétain, die in mei 1940 in de regering kwam, kort nadat de Duitse legers Frankrijk hadden binnengevallen.

Op 16 juni 1940, nadat de Franse regering naar Bordeaux was uitgeweken en Parijs in Duitse handen was gevallen, werd de oude maarschalk tot premier benoemd. Hij bood Laval de portefeuille van Justitie aan, maar die eiste opnieuw Buitenlandse Zaken op. Pétain kon daar niet op ingaan en Laval bleef buiten de regering tot er een week later een wapenstilstand met Duitsland van kracht werd. Toen werd hij minister zonder portefeuille.

Het wapenstilstandsakkoord had het grootste deel van Frankrijk, met inbegrip van Parijs, onder Duitse bezetting geplaatst. In het zuiden bleef een onbezette, zogenaamde Vrije Zone over, waar de Franse overheid haar volle soevereiniteit bleef uitoefenen.

Mede onder Lavals invloed vestigden de staatsinstellingen zich in de Vrije Zone in het kuuroord Vichy, op amper 20 km van zijn eigen kasteel in Châteldon. Laval zette nu alles in om de parlementsleden te overtuigen een dictatuur onder Pétain te aanvaarden. Dat lukte. Op 10 juli 1940 schonk het parlement in Vichy de grondwetgevende bevoegdheid aan de 84-jarige maarschalk.

Begin van de collaboratie thumb|Pierre Laval in Vichy tegenover maarschalk Pétain Nadat hij zichzelf tot staatshoofd had uitgeroepen, benoemde Pétain op 16 juli een nieuwe regering. Formeel was het staatshoofd ook voorzitter van de ministerraad, maar Laval kreeg als vicepremier feitelijk de leiding over het kabinet. Kort daarop werd hij ook door Pétain als zijn opvolger aangewezen. In oktober slaagde hij er dan toch in de portefeuille van Buitenlandse Zaken over te nemen.

Laval had geen belangstelling voor ideologie en moeide zich niet met de "nationale revolutie" van het Vichy-regime waar Pétain en veel van zijn aanhangers voor ijverden, maar als vicepremier keurde hij de maatregelen daartoe mee goed, zoals het discriminerende Jodenstatuut en het verbod van de vrijmetselarij. Zijn aandacht ging echter naar de verbetering met de betrekkingen met de Duitse overwinnaars.