thumb|Oldambster boerderij te Stadskanaal (2010) De Oldambtster boerderij is een boerderijtype dat vooral in het Oldambt en de Groningse en Drentse Veenkoloniën, alsmede in Oost-Friesland (Nedersaksen) voorkomt. De kern van het gebouw bestaat uit een Friese schuur met een gedeeltelijk inpandige woonruimte. Het deftige woonhuis (met kelders en graanzolders) bevindt zich vóór de zogenoemde brandgevel, in het verlengde van de schuur. Bij oudere voorbeelden ontbreekt soms dit voorste gedeelte. Dit boerderijtype wordt in Nederland tot de noordelijke of Friese huisgroep gerekend, waartoe ook de stolpboerderij, de Friese stelp en de kop-hals-romp-boerderij behoren.

In Noord-Duitsland noemt men dit het (Oost-Friese) gulfhaus of Ostfriesenhaus. Het type is ontstaan uit de middeleeuwse klooster- en tiendschuren in West-Europa, en is nauw verwant met de Brabantse, Vlaamse en Zeeuwse schuur in de Zuidelijke Nederlanden en aan de Nederrijn, met de stolpboerderij in Noord-Holland en Sleeswijk-Holstein, en met langsdeelschuur in Noord-Jutland.Knottnerus, 'Haubarg, Barghaus'. Ook middeleeuwse markhallen, ontvangstzalen, ziekenzalen en hallenkerken behoren tot de verwante bouwvormen.

Kenmerkend voor de Oldambtster boerderij en verwante typen zijn het houten gebint waarop het hele gebouw rust. Verdere kenmerken zijn de centrale bergruimte, de paarden- en koestallen in de zijbeuken en een zijdelingse doorrit annex dorsvloer, die het mogelijk maakte oogstwagens efficiënt te lossen. Kenmerkend voor het uiterlijk zijn vooral de doorgaande daklijn en de inspringingen of krimpen, die verhoogde raampartijen mogelijk maken.

De Oost-Friese naam gulfhaus is ontleend aan het vak tussen de twee gebinten waar vroeger de graanoogst en het hooi werden opgetast. Dit vak werd in het Oldambt en Duurswold vroeger gòlf genoemd, tegenwoordig meestal goul, net als op het Hogeland. In het Westerkwartier en in Friesland spreekt men over gol of golle.Elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten, art. golf, naar H. Molema, 'Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw', 1895, handschrift met aanvullingen bij de eerste druk van 1887. In sommige Engelse dialecten gebruikte men het woord goaf, in Jutland gulv. Deze woorden duiden - net als het Oud-Noorse golv - op een oude term voor 'vloer'.Hans Jonsson, Nordiska ord för vattensamling, Lund 1966, p. 159-163.

De boerderijen van dit type waren gewild vanwege het spaarzame houtgebruik, de omvangrijke bergruimte en de windbestendigheid. Het Oldambtster type heeft zich met name in de negentiende en twintigste eeuw verspreid over grote delen van Groningen, Drenthe, Overijssel, Emsland, Butjadingen en Dithmarschen, waar een aangepaste vorm zonder krimpen ontstond. De boerderij verving vaak de zogenaamde hallenhuisboerderij, waar de oogst werd opgeslagen op een balkenzolder boven de centrale deel. Tot ver na de Tweede Wereldoorlog werden in heel Noord-Nederland boerderijen gebouwd die strikt genomen tot het Oldambtster type behoren, met name in de IJsselmeerpolders, in landontginningsprojecten van de Heidemij, bij wederopbouwboerderijen en bij ruilverkavelingen. In Duitsland ontwikkelde men aangepaste vormen voor de nieuwe polders die in de Hitlertijd werden bedijkt.

Typerend voor het Oldambt en westelijk Oost-Friesland zijn vooral de pannendaken, die werden gedekt met pannen van plaatselijke steenfabrieken rond Winschoten en langs de Eems. Dankzij het pannendak kon men het regenwater opvangen in ondergrondse putten en kelders, waardoor men niet afhankelijk was van het verzilte water in de sloten.

Geschiedenis De Oldambtster boerderij bestaat uit een combinatie van de 16e-eeuwse 'Friese' schuur en gedeeltelijk inpandige woonruimtes, zoals die bij de stolpboerderij in Noord-Holland gebruikelijk waren. De eerste boerderijen van dit type werden in 1605 gebouwd door Hollandse ondernemers in de nieuwe polder Alt-Bunderneuland bij Bad Nieuweschans (en mogelijk al een jaar eerder in de polder Schoonorth bij Norden). Dezelfde groep ondernemers onder leiding van de dijkbouwmeester Jan Claasz Rolwaghen bouwde enkele jaren later de eerste stolpboerderijen (Haubarge) in Sleeswijk-Holstein. De predikant van Bunde schrijft over hun activiteiten:Anno 1605 vp Paschen hebben de Westfresen den Nien Dick begunnen tho slaan ... vnd begunden dar vort vp te husen.Een klassiek voorbeeld van een boerderij van dit type is de boerderij Langeweg 2 te Oostwolderhamrik uit 1771.

In de loop van de 17e eeuw werd het aan beide zijden van de grens gebruikelijk bestaande woonhuizen te voorzien van een schuur van dit nieuwe type. Maar her en der werden ook boerderijen met een inpandig woongedeelte gebouwd, alsmede vrijstaande schuren. Het onderscheid tussen kop-romp-boerderijen en boerderijen van het Oldambtster type is eerst geleidelijk ontstaan.

De oudste gedocumenteerde grote boerenschuren in Oost-Friesland dateren uit de jaren 1563 tot 1579.Rüther, Hausbau Krummhörn.. Op landgoederen werden ze vermoedelijk al vanaf ongeveer 1550 gebouwd. Dat was bijvoorbeeld het geval bij de vorstelijke herenboerderij Upjever bij Jever (aangebouwd aan een jachtverblijf) en bij het landgoed van de familie Manninga in de Westermarsch bij Norden. Ook de graaf van Oldenburg liet na 1600 grote golfschuren op zijn voorwerken bouwen. Het klooster Feldwerd bij Holwierde had bij verkoop in 1598 een grote schuur van elf goelen om al het hooi en graan te kunnen bergen. De schuur hoorde bij een langhuis (veestal) van 48 vakken, genoeg voor een kleine 200 koeien. Het klooster Heiligerlee had in 1597 twee langhuizen met twee grote schuren, ieder van acht gebinten, waarvan er een werd gesloopt.N. Backmund,  ‘Verkoop en afbraak van Heiligerlee en Nyenklooster-op-den-Dam in 1597’, in: Sacres erudiri 7 (1955), p. 381-385, 383. R. Luitjes-Dijkveld Stol. R., 'De oud-Groninger schuur', in: Groningse Volksalmanak (1970-71P, p. 61-98, 71. De stallen werden ook hier gemeten in vakken, de schuren kennelijk in aantallen gebinten. Mogelijk is de andere een vrijstaande schuur die in 1740 afgebeeld wordt. Het Tjücher Graßhaus bij Marienhafe mat in 1604 zeven golven. Ook bij enkele grotere boerderijen in het Oldambt waren al vroegtijdig schuren te vinden: Het oudste voorbeeld is in Midwolda was in 1610 sprake van de verkoop van twee golff schuire, dus het materiaal voor drie gebinten.Jan Pieter Koers, ‘Over steenhuizen, langhuizen en Oldambtster boerderijen’, in: Duvekoater, nr. 31 (2003), p. 3-12, hier naar RA Midwolda, 11 november 1610.

Over het boerderijtype dat eerder gebruikelijk was, is weinig bekend. Historici gaan er meestal vanuit dat dit langhuizen betrof: stenen woningen met aangebouwde veestallen en vrijstaande kleinere schuren. De archieven uit het Oldambt spreken rond 1600 meestal over een behuizing met schuur en koehuis. De deftige pastorie van Bunde had bijvoorbeeld een vrijstaande schuur oftewel een buehues (bouwhuis) dat in 1581 voor het eerst wordt genoemd. De schuur werd na een storm in 1630 vernieuwd en voorzien van een pannendak en een dorsvloer.'Aus dem ältesten Bunder Kirchenrechnungsbuch', in: Der Deichwart 5 (1929/30), 25 ff. Maar er zijn ook aanwijzingen voor het bestaan van grotere boerenhuizen, waar de oogst op de balken werd bewaard. De oudst bekende boerderij in het Oldambt - met een schouw uit 1576 - staat aan de Noorderstraat 4 te Noordbroek. De steunbak boven de koestal, met inscriptie 1686, is echter afkomstig van een langhuisboerderij. De huidige schuur zal uit de 18e eeuw dateren.

De oudste gedateerde voorbeelden van een woonhuis met aangebouwde golfschuur in het Oldambt was de schuur van een koopmanswoning aan het Winschoterdiep te Zuidbroek uit 1639. In Bunderhee staat staat een boerderij met een ankergebint van omstreeks 1608.Gläntzer, 'Das Gulfhaus', p. 60. Het betreft de boerderij Steinhausstraße 114 te Bunderhee. De Dollardkaart van Cornelius Edzkens uit 1638 toont slechts enkele voorbeelden, waaronder een soort stolpboerderij te 't Waar.Nationaal Archief, Hingman cat. nr. 3083: Cornelius Edskens, Kaart van landen en venen aan de Dollard, ca. 1638.. Ook zijn kaart van Hoogezand in 1648 toont ten minste één boerderij van het kop-romp-type.Nationaal Archief, Hingman, cat. nr. 3082: Cornelius Edskens, Sappemeerster caerte met de omliggende veenscheijdingen ende raeijengen bij de Stadt, de Ommelanden ende Oldambten, 1648. Tientallen boerderijen bevatten nog een of meer eiken gebinten van 17e-eeuwse voorgangers. Oudere exemplaren hebben soms net als voorbeelden uit Sleeswijk-Holstein een ankerbalkgebint.

In het begin van de 18e eeuw werd dit type boerderij overal ingevoerd en wordt het afgebeeld op kaarten, bijvoorbeeld in Nieuwolda, Lalleweer, Winschoten, bij de Kloostergare bij Beerta, aan de Hamdijk en in de Linteloopolder bij Nieuweschans. Bestaande boerderijen met een aangebouwde schuur werden verlengd en voorzien van nieuwe woonruimtes. Oudere boerderijen van het langhuistype werden gesloopt. Soms kreeg de oude veestal een plek onder het dak van de nieuwe schuur.

Het Oldambt was al sinds de 17e eeuw een typisch akkerbouwgebied, met name de nieuwe polders. Dat gold ook voor Oost-Friesland. In het achterland was het aandeel van de veeteelt aanvankelijk groter. In de loop van de 18e en in de eerste helft van de 19e eeuw eeuw groeide de bedrijfsgrootte. Het aandeel van de akkerbouw nam verder toe en de behoefte bergruimte nog meer. Kleine boerderijen werden gesloopt, grote verder uitgebreid of vernieuwd. Rond 1800 was de boerderij van het Oldambtster type dominant.Boven de woning, die hier reeds vroeg twee kamers naast elkaar bezat, bracht men vervolgens een of meer zolders aan als bergplaats voor het gedorste koren, zodat dit voorstuk even hoog werd als de schuur. Hoewel beide delen in het begin nog door een boven het dak opgetrokken brandmuur waren gescheiden, kwamen ze uiteindelijk toch onder één doorlopende nok. Ondanks de uiterlijke overeenkomst kan men niet van stelp spreken, daar het woonhuis niet onder het hoge schuurdak is opgenomen, maar blijft aangebouwd, hetgeen nog wordt geaccentueerd door de nodige sprongen of krimpen van het smallere voorgedeelte - hogere ramen, dus hogere muren - naar de bredere achterbouw.R.C. Hekker, 'De ontwikkeling van de boerderijvormen in Nederland', in: S.J.. Fockema Andreae, E.H. ter Kuile en R.C. Hekker, Duizend jaar bouwen in Nederland, dl. 2, Amsterdam 1958, p. 195-316, 321-323, 238.De inspringing was tevens nodig om een doorrit met grote baanderdeuren te kunnen maken. In 1678 wordt voor het eerst gesproken over een behuisinge met de schuyre met krimpen. Het succes van het nieuwe boerderijtype bleef overigens niet beperkt tot de akkerbouw: ook in veeteeltstreken als het Rheiderland werd het nieuwe type dominant.

Aanvankelijk was de dakhelling van de woongedeelten in het zogenaamde. 'voorhuis' steiler dan het hogere dak van de schuur, dikwijls door een brandmuur van de woning was gescheiden. Rond 1800 werd het gebruikelijk om dakhelling en nokhoogte van woonhuis en schuur gelijk te trekken, waarbij alleen de brandmuur iets boven de daklijn uit bleef steken. In de 19e eeuw werd het gebruikelijk om ook de brandmuur brandmuur onder het dak te laten verdwijnen..

Uit deze laatste grondvorm hebben zich verscheidene afgeleiden van de Oldambster boerderij ontwikkeld, waaronder het over het algemeen iets kleiner opgezette Veenkoloniale-type. Vaak ontbreekt bij deze 'doorontwikkelingen' een volledig tot de nok doorlopende brandmuur; soms ontbreekt deze zelfs geheel.