Corythosaurus is een geslacht van uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de Euornithopoda, dat tijdens het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

Vondst en naamgeving Corythosaurus casuarius In de zomer van 1911 zakte de fossielenjager Barnum Brown samen met zijn assistent Peter Kaisen op een vlot de Red Deer River in Alberta af, een rivier in Canada die zeer rijke fossielhoudende lagen doorsnijdt. Talrijke dinosauriërskeletten werden door de twee geborgen en via het vlot vervoerd. De buit was zo groot dat bij de Berry Creek een fossiel van een hadrosauriër slechts gemarkeerd werd met de bedoeling het later op te graven. In september 1912 bezocht men de locatie weer, samen met George Olsen, en op de vindplaats bleek een uitzonderlijk goed geconserveerd skelet aanwezig waarvan de zachte delen nog als indrukken in de omringende klei te vinden waren.

De typesoort Corythosaurus casuarius werd in 1914 door Brown benoemd en beschreven, op basis van de schedel. De geslachtsnaam verwijst naar de schedelkam: een κόρυς, genitief κόρυθος, korys, is in het Grieks een gewelfde 'Korinthische helm'. Ook de soortaanduiding staat hiermee in verband: de kasuaris heeft ook zo een helm op zijn hoofd. left|thumb|De "mummie" van het holotype van Corythosaurus Het holotype AMNH 5240 is gevonden in een laag van de Dinosaur Park Formation die dateert uit het Campanien. Het bestaat uit een vrijwel volledig skelet met schedel en onderkaken. Alleen het achterste stuk van de staart en delen van de voorpoten ontbraken. Op vrijwel de hele linkerkant van het lichaam waren huidafdrukken zichtbaar. Het fossiel was wel wat platgedrukt.

Het gebied werd in dezelfde jaren onderzocht door de familie Sternberg die de truc hadden bedacht om vlotten te gebruiken in plaats van een moeizaam vervoer met paard-en-wagen. Vader Charles Hazelius Sternberg vond in 1912 nog eens twee tamelijk volledige skeletten van Corythosaurus, opnieuw inclusief huidafdrukken. Deze verkocht hij in 1916 aan Arthur Smith Woodward van het British Museum of Natural History in Londen. Ze zouden echter verloren gaan toen het vrachtschip waarmee ze naar Engeland verscheept werden, de SS Mount Temple, op 6 december gekelderd werd door de Duitse raider SMS Möwe. Een specimen dat niet verloren ging, was GSC 8532, een schedel door Charles Hazelius Sternberg in 1915 bij Jenner opgegraven. Het verlies van de grotere skeletten werd zeer door hem betreurd en in verschillende publicaties noemde hij ze als de meest complete fossielen die ooit door hem waren ontdekt. Vermoedelijk overdreef hij daarin echter wat; uit zijn eigen notities blijkt dat ze minder gaaf waren dan het holotype.

Ondertussen hadden Brown en Kaisen in 1914 nog een exemplaar gevonden, AMNH 5338, en in 1916 beschreef Brown, nadat Otto Falkenbach beide specimina had geprepareerd, mede op basis hiervan ook de postcrania, de delen achter de schedel. AMNH 5338 wordt daarom wel in de literatuur als het plesiotype vermeld, het specimen waarmee de beschrijving is uitgebreid.

Andere soorten en geslachten thumb|ROM 871 In 1920 vond Levi Sternberg bij Happy Jack Ferry een schedel, specimen ROM 776 (eerder ROM 4670), die in 1923 door William Arthur Parks werd hernoemd als een tweede soort: Corythosaurus intermedius, nadat hij het eerder dat jaar had benoemd als een Stephanosaurus intermedius. De soortaanduiding verwijst naar de vermeende tussenliggende evolutionaire positie ten opzichte van Lambeosaurus. Het paratype was ROM 4671 (later ROM 777), een skelet gevonden in 1919. Andere specimina werden aan deze soort toegewezen: ROM 5505 (later ROM 845), een skelet in 1919 door Levi Sternberg gevonden; en GSC 8704 (later ROM 8704), een door Charles Mortram Sternberg in 1919 bij Little Sandhill Creek opgegraven skelet. Ook in 1920 ontdekte George Fryer Sternberg bij de Sand Creek een specimen, UA 13 bestaande uit de bovenkant van een schedel, dat in 1923 door Charles Whitney Gilmore zou worden benoemd als Corythosaurus excavatus, 'de uitgeholde'. Later zou Gilmore hier ook specimen 8676 aan toewijzen, een schedel met voorkant van een skelet. In 1927 groef Levi Sternberg bij de Sand Creek een klein exemplaar op, ROM 759 (eerder GSC 3578). In 1931 werd dit door Parks benoemd als een apart geslacht en soort: Tetragonosaurus erectofrons, de 'vierhoekssauriër met het recht omhoog staande voorhoofd'. Daaraan werden ook specimina AMNH 5461, een schedel met skelet, en AMNH 5469, een skelet zonder schedel, toegewezen. In 1928 ontdekte Charles Mortram Sternberg bij de Berry Creek nog een klein individu, NMC 8633. In 1935 benoemde hij dat als een volgende soort van Tetragonosaurus: Tetragonosaurus cranibrevis, 'met de korte schedel'. Hetzelfde jaar benoemde Parks nog eens drie soorten van Corythosaurus. Om te beginnen was dat Corythosaurus bicristatus, 'met de dubbele kam', gebaseerd op specimen ROM 868, een schedel door Levi Sternberg in 1933 gevonden bij Steveville. De tweede was Corythosaurus brevicristatus, 'met de korte kam', gebaseerd op specimen ROM 870 (eerder ROM 5856), een schedel door L. Sternberg op dezelfde locatie opgegraven in 1934. De laatste was Corythosaurus frontalis, gebaseerd op ROM 5853, een schedel met weer dezelfde herkomst. L. Sternberg vond aldaar in 1934 ook een schedel, ROM 5857 (later ROM 871), die aan C. casuarius werd toegewezen. In 1942 bracht Richard Swann Lull de tetragonosaurussoorten onder bij Procheneosaurus. left|thumb|ROM 870, het holotype van C. brevicristatus, in feite een jongvolwassen exemplaar van C. casuarius De vondsten waarop de verschillende soorten waren gebaseerd, kwamen allemaal ruwweg uit hetzelfde gebied en uit dezelfde aardlagen. In 1975 trok Peter Dodson de naar moderne inzichten voor de hand liggende conclusie dat het allemaal exemplaren waren van Corythosaurus casuarius, slechts van elkaar verschillend in rijping en sekse, waardoor ook de kamvorm varieerde. C. excavatus bijvoorbeeld zou een wijfje zijn en de tetragonosaurus/procheneosaurussoorten zouden jongen betreffen. Hij wees het totale materiaal aan de typesoort toe. Latere onderzoekers zijn hier grotendeels in meegegaan. Sommige denken echter dat C. intermedius, door Dodson ook als een wijfje beschouwd, toch een aparte soort is. C. casuarius wordt aangetroffen in de bovenste Oldmanformatie en de onderste Dinosaur Park Formation, van 77 tot 75,9 miljoen jaar geleden. C. intermedius sluit daar op aan met een datering van 75,8 tot 75,7 miljoen jaar geleden. De soort vertegenwoordigt echter niet simpelweg het laatste bekende voorkomen van C. casuarius want de bouw van de verschillende uit die tijdshorizon gevonden skeletten is iets anders, met een hogere en in zijaanzicht smallere kam. Dit zou een geval kunnen zijn van anagenese, de geleidelijke evolutie binnen een populatie — en dan is het een kwestie van persoonlijke voorkeur of men van één of twee soorten wil spreken. Het kan echter natuurlijk ook zijn dat zich juist rond 75,8 miljoen jaar geleden een splitsing voordeed zodat het zorgvuldiger is voorlopig het bestaan van twee soorten aan te nemen. Tetragonosaurus cranibrevis zou dan het jong kunnen zijn van Corythosaurus intermedius.

In 1987 hernoemde Gregory S. Paul Corythosaurus casuarius in een Hypacrosaurus casuarius gezien de nauwe verwantschap met dat geslacht. Hoewel hij deze combinatie in 2010 zou herhalen, en er een Hypacrosaurus intermedius aan toevoegen, is hij hierin door niemand gevolgd.

In 1995 hernoemde Lew Nesow Procheneosaurus convincens Rozhdestvensky 1968, gebaseerd op PIN 2230, een jonge lambeosaurine uit Kazachstan, in een Corythosaurus convincens. Ook dit heeft geen navolging gevonden.

Soortenlijst De ingewikkelde naamgevingsgeschiedenis kan worden samengevat in een soortenlijst.

Corythosaurus casuarius Brown 1914: typesoort van Corythosaurus; = Hypacrosaurus casuarius (Brown 1914) Paul 1987 Corythosaurus intermedius (Parks 1923) Parks 1923: misschien geldige soort, misschien jonger synoniem van C. casuarius; = Stephanosaurus intermedius Parks 1923; = Hypacrosaurus intermedius (Parks 1923) Paul 2010 Corythosaurus excavatus Gilmore 1923: jonger synoniem van C. casuarius Tetragonosaurus erectofrons Parks 1931: jonger synoniem van C. casuarius; = Procheneosaurus erectofrons (Parks 1931) Lull & Wright 1942 Tetragonosaurus cranibrevis Sternberg 1935: misschien jonger synoniem van C. casuarius, misschien jonger synoniem van C. intermedius; = Procheneosaurus cranibrevis (Sternberg 1935) Lull & Wright 1942 Corythosaurus bicristatus Parks 1935: jonger synoniem van C. casuarius Corythosaurus brevicristatus Parks 1935: jonger synoniem van C. casuarius Corythosaurus frontalis Parks 1935: jonger synoniem van C. casuarius Corythosaurus convincens (Rozhdestvensky 1968) Nesov 1995: = Procheneosaurus convincens Rozhdestvensky 1968, non Corythosaurus

Latere vondsten Het toewijzen van de meeste taxa aan C. casuarius deed het bekende materiaal van die soort enorm toenemen. Dit werd nog aanzienlijk versterkt doordat de rijke lagen steeds weer nieuwe fossielen voortbrachten. In 1942 meldde Lull de vondst bij Jenner van een schedel, specimen RTMP 84.121.1 (eerder CMN 8532) en bij Steveville van een skelet, specimen SDNHM 2989. In 1946 beschreef Gilmore postuum USNM 15493, een achterkant van een skelet met huidafdrukken, gevonden bij Steveville. Na de Tweede Wereldoorlog lag het onderzoek een tijdlang vrijwel stil, maar tegen de jaren zeventig kwamen de opgravingen weer op gang. In 1972 werd bij Newell County een schedel gemeld, ROM 1933. In 1986 en 1990 werden uit Newell County verschillende specimina gemeld: ROM 1947, een skelet met schedel; RTMP 79.8.220, een bovenkaaksbeen; RTMP 80.23.4, een skelet met schedel; RTMP 80.40.1, een bijna volledig skelet met maaginhoud dat in 1995 apart beschreven zou worden; en RTMP 82.37.1, een skelet met schedel. In 2002 werden uit Newell vier jongen gemeld: RTMP 82.37.01, RTMP 84.121.01, RTMP 97.12.232 en CMN 34825. In 2005 werd aangegeven dat in hetzelfde gebied nog eens drie skeletten gevonden waren. Ook de streek rond Steveville bleef productief: in 1981 werd daar ROM 5856 gemeld, een skelet zonder schedel en eerdere vondsten konden aan C. casuarius worden toegewezen: CM 11375: een schedeldak; CM 11376: een onderkaak; en CM 11377: een opperarmbeen.

Daarnaast zijn er fossielen die wellicht aan C. intermedius toebehoren. In 1942 beschreef Lull een skelet met schedel, specimen CMN 8503. Schedels UA 19, 20 en 21 hebben dezelfde vorm.

Als we alle vondsten bij elkaar nemen, waaronder een kleine dertig schedels, is het volledige skelet in al zijn elementen bekend.

Beschrijving Grootte Oudere schattingen gaven een vrij forse omvang voor Corythosaurus. Lull schatte in 1942 de lichaamslengte op 9,4 meter, David Bruce Norman in 1984 op tien meter. Een gewichtsschatting van Edwin Harris Colbert uit 1962 kwam uit op 3,82 ton. Dit werd echter gemeten door een speelgoedmodel in water onder te dompelen, een weinig betrouwbare methode. Paul kwam in 2010 uit op een wat kleiner formaat. C. casuarius schatte hij op een lengte van acht meter en een gewicht van 2,8 ton. C. intermedius was volgens hem een slagje kleiner, zevenhonderdzeventig centimeter lang en 2,5 ton zwaar. Dit komt aardig overeen met een schatting van Frank Seebacher uit 2001 die de inhoud berekende door de lengte van een exemplaar op te meten, met korte intervallen de schijnbare hoogte op een getekend profiel van het skelet te bepalen en ervan uit te gaan dat de doorsneden een ovale vorm hadden. Specimen AMNH 5240 had een lengte van achthonderdtien centimeter en dit leverde een gewicht op van 3.078.500 gram.

Onderscheidende kenmerken