Heterodontosaurus is een monotypisch geslacht van uitgestorven herbivore, ornithischische dinosauriërs. De enige benoemde soort Heterodontosaurus tucki was één meter lang en leefde in het Vroeg-Jura in het gebied van het huidige zuidelijk Afrika.
Heterodontosaurus had voor een herbivoor tamelijk grote 'slagtanden' in boven- en onderkaak. De ruggengraat van Heterodontosaurus was verstevigd door verbeende pezen.
Vondst en naamgeving In 1961 werd door een gemengd Brits-Zuid-Afrikaans team onder leiding van A.J. Charig tijdens een tocht naar Basutoland, het huidige Lesotho, op een hoogte van 1890 meter bij Tyinindini, in het district Transkei van de Kaapprovincie, de schedel en onderkaken gevonden van een kleine dinosauriër. left|thumb|Plaatsen waar in zuidelijk Afrika heterodontosauriden gevonden zijn De typesoort Heterodontosaurus tucki werd in 1962 benoemd en beschreven door de Zuid-Afrikaan Alfred Walter Crompton en de Brit Alan Jack Charig. De geslachtsnaam is afgeleid van het Oudgrieks ἑτεροῖος, heteroios, 'verschillend' en ὀδών, odoon, 'tand'. Het vreemde van deze dinosauriër was namelijk dat hij drie typen tanden had; de meeste dinosauriërs hebben tanden van slechts één type. De soortaanduiding eert George C. Tuck, de directeur van de Austin Motor Company die de expeditie logistiek ondersteunde.
Het holotype SAFM K337 werd gevonden in de Clarensformatie, een laag uit het Sinemurien. Het bestaat uit een snuit, de bovenkaken en de voorkant van de onderkaken. Het maakt deel uit van de collectie van het Iziko South African Museum. De eerste beschrijving was slechts voorlopig daar het specimen nog niet volledig geprepareerd was. De omringende matrix bestond uit zeer hard hematiet en pogingen die botten daaruit met een diamantzaag te bevrijden, leidden tot beschadigingen. Charig bereidde een monografie over de schedel voor, te schrijven samen met Crompton, maar bij zijn overlijden in 1997 was die, net als zoveel van zijn projecten, nog onvoltooid.
In 1966 werd door Charig op 1770 meter hoogte een tweede fossiel ontdekt, specimen SAM-PK-K1332, op de Krommespruit bij Voyizane in een laag van de Elliotformatie. Dit is veel vollediger en bestaat uit een schedel met een vrijwel compleet skelet waar alleen wat staartwervels aan ontbreken. In 1976 werd het exemplaar kort beschreven. Het postcraniaal skelet ervan werd in 1980 in detail beschreven. In 2011 beschreef David Bruce Norman ook de schedel van holotype en SAM-PK-K1332 in detail, zich ten dele baserend op de notities van Charig. Norman wees twee aanvullende fossielen aan Heterodontosaurus tucki toe: SAM-PK-K1334, een in 1966 door Charig gevonden linkerbovenkaaksbeen; en SAM-PK-K10487, een gedeeltelijke schedel van een jong dier, dat in 2008 al eens apart beschreven was. Twee andere fossielen wees Norman toe aan een Heterodontosaurus sp., wat inhoudt dat ze aan H. tucki zouden kunnen kunnen toebehoren maar ook aan een andere soort die men binnen het geslacht Heterodontosaurus zou kunnen plaatsen. Het betreft NMQR 1788, een gedeeltelijke schedel, en SAM-PK-K10488, een onderkaak met bijbehorend stuk bovenkaaksbeen.
In 2014 beschreef Peter Malcolm Galton het postcraniaal skelet.
In 2021 werd een nieuw exemplaar gemeld, AM 4766, dat informatie verschafte over de ademhaling.
In 1970 hernoemde Richard Anthony Thulborn Heterodontosaurus tot een Lycorhinus tucki. Dit heeft geen navolging gevonden.
Beschrijving Grootte thumb|Een vergelijking in grootte met een mens Heterodontosaurus is een vrij klein dier van ruim een meter lang. Specimen SAM-PK-K1332 zou een lengte van 118 centimeter gehad hebben, wat wijst op een gewicht van twee tot drie kilogram. Sommige resten wijzen op individuen van anderhalve meter lengte die rond de tien kilogram wogen.
Onderscheidende kenmerken In 2011 stelde Norman een groot aantal onderscheidende kenmerken vast. Dit weerspiegelde de vaak onvoldoende beschrijving en kennis van andere heterosaurodontiden waardoor Heterodontosaurus unieker lijkt dan in werkelijkheid het geval zal zijn geweest. De volgende kenmerken zijn autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen, van de schedel en onderkaken. De tandenrij staat overdwars diep van de rand van de bovenkaak af, welke een afgeplat en verbreed plateau vormt, de onderrand van de fenestra antorbitalis uitmakend en begrensd door een dikke zijrand. De uitholling rond de fenestra antorbitalis loopt naar achteren uit in een kanaal op het buitenvlak van het jukbeen. Het quadratojugale vormt een vleugel die bijna de hele buitenzijde van het quadratum overlapt, bovenaan het squamosum rakend en onderaan net boven de gewrichtsknobbel eindigend, terwijl het met het quadratum verbonden is door middel van een nauw beenbrug. De beennaad tussen quadratojugale en jukbeen heeft de vorm van een ingesnoerde haaklas. Een smal en schuin gericht onderste uitsteeksel van het jukbeen sluit, bij een gesloten muil, nauw aan bij de buitenzijde van de onderkaak. Smalle en verticaal diepe beenplaten van het pterygoïde sluiten nauw aan bij de binnenzijde van de onderkaak, een geleidende sleuf vormend met de overeenkomende uitsteeksels van de jukbeenderen. Er zit een forse zijdelings uitstekende bult op het jukbeen. Er bevindt zich een scherp afstekende richel op de buitenzijde van het postorbitale die aansluit bij een overeenkomende richel op de bovenste buitenrand van het squamosum. Verschillende botten tonen tekenen van pneumatisering in de vorm van putjes in de processus paroccipitalis en het quadratum en holten in de jukbeenbult en de voorste interne vleugel van het bovenkaaksbeen. De vleugels van de processus paroccipitales worden doorboord door een duidelijk afgetekend aderkanaal. In de onderkaak loopt het surangulare naar voren uit in twee vingervormige takken. Het foramen surangulare vormt een langwerpig sleufvormig venster. Er bevindt zich een diepe inzinking op de buitenzijde van het angulare.
Norman gaf ook autapomorfieën van de tanden. De slagtanden in de onderkaken hebben wijd uiteenstaande afgeronde kartelingen langs het bovenste deel van hun voorrand lopen. De tanden in de bovenkaaksbeenderen en de onderkaken zijn kolomvormig met kronen die maar iets van voor naar achter of overdwars buiten de tandwortel uitsteken, zodanig dat een cingulum, tandkraag, of insnoering boven de tandwortel geheel ontbreekt. De buitenzijde van de tanden in het bovenkaaksbeen draagt drie uitstekende verticale richels die even grote, goed afstekende, uithollingen begrenzen. De binnenzijde van de tanden in de onderkaak toont een meer naar achteren gelegen verticale hoofdrichel die samen met de randen van de kroon ongelijk grote aanliggende vlakken begrenst. De uitgebreide slijtvlakken op de maxillaire en dentaire tanden zijn in het midden van de tandenrij geleidelijk meer verticaal gericht omdat de opeenvolgende tanden steeds onder een iets andere hoek afgesleten zijn.
Daarnaast verbeterde Norman de diagnose van het postcraniaal skelet uit 1980, wat de volgende autapomorfieën opleverde aangaande de delen achter de schedel. Er zijn twaalf ruggenwervels. Het heiligbeen bestaat uit zes vergroeide sacrale wervels. De voorste halswervels hebben opvallende epipofysen op de achterste gewrichtsuitsteeksels. Het opperarmbeen heeft een grote deltopectorale kam en een grote beenstijl die naar de binnenste onderste gewrichtsknobbel loopt. Het darmbeen heeft een smal facet op het aanhangsel voor het zitbeen dat lijkt op de antitrochanter bij vogels. De schacht van het zitbeen draagt op de buitenkant een langwerpige verticale richel die op middelste hoogte uitloopt in een opvallend beenplateau. Het kuitbeen is gereduceerd en onderaan met het scheenbeen vergroeid. Het sprongbeen en het hielbeen zijn vergroeid. Het vergroeide sprongbeen en hielbeen zijn weer vergroeid met het scheenbeen en kuitbeen. Er zijn drie onderste tarsalia te onderscheiden maar die zijn ieder vergroeid met de bovenvlakken van de drie middenvoetsbeenderen. Het eerste, tweede, derde en vierde middenvoetsbeen zijn met elkaar vergroeid.
Verder was er volgens Norman nog een onderscheidende combinatie van op zich niet unieke eigenschappen. Smalle en verticaal diepe beenplaten van het pterygoïde sluiten nauw aan bij de binnenzijde van de onderkaak, een geleidende sleuf vormend met de overeenkomende uitsteeksels van de jukbeenderen. De slagtanden van de snuit en de onderkaken hebben fijne, stompe, kartelingen, ongeveer zes per strekkende millimeter, langs hun achterranden lopen. De slagtanden in de snuit missen zulke kartelingen aan de voorranden. Er zijn twaalf presacrale wervels: negen in de nek en twaalf in de rug. Er zijn minstens vierendertig staartwervels. Verbeende pezen zijn alleen aanwezig langs de doornuitsteeksels van de ruggenwervels en sacrale wervels. Het schouderblad is smal en langwerpig met een verbreed boveneinde. Het opperarmbeen heeft geen groeve of fossa olecrani op de achterzijde. De ellepijp heeft een flink uitstekende processus olecrani. De hand heeft een lengte die minder bedraagt dan veertig procent van de lengte van bovenarm en spaakbeen samen. Er zijn negen polsbeenderen per pols. De eerste, tweede en derde vingers lopen evenwijdig maar de vierde en vijfde vinger zijn verkort en staan uit. Bij de tweede en derde vinger zijn de voorlaatste kootjes langer dan de eerste kootjes. Bij de middenhandsbeenderen en vingerkootjes ligt er op het voorvlak, of als de arm als horizontaal gezien wordt bovenvlak, net boven het gewricht een uitholling. De handklauwen zijn sterk gekromd en voorzien van stevige bulten voor de aanhechting van de pezen van de krommende spieren. Bij het schaambeen is het voorste uitsteeksel kort en hoog maar het hoofdlichaam zo lang als het zitbeen. Het zitbeen heeft op de voorrand geen processus obturatorius. Bij het dijbeen zijn de trochanter minor en trochanter major niet gescheiden door een kloof. De as overdwars van het ondervlak van het onderste gewricht van het dijbeen loopt schuin.
Skelet Schedel thumb|upright=1.7|De schedel van SAM-PK-K1332 De schedel is klein maar compact en gezien de geringe grootte zwaargebouwd. In zijaanzicht is de omtrek min of meer driehoekig met een bol bovenprofiel. Het hoogste punt is de middenkam op het schedeldak; van daaruit loopt de kop geleidelijk naar voren af, waarbij de oogkas en de snuitpunt grotere bollingen vertegenwoordigen. Het achterhoofd is in zijaanzicht bol, eindigend in een haak gevormd door de vleugel van de processus paroccipitalis. Vóór die haak loopt het quadratum als achterrand golvend naar beneden, eindigend in een kaakgewricht dat duidelijk beneden het niveau van de tandenrij is gelegen. Vóór het quadratum is er een enorme inham in de onderste schedelrand, veroorzaakt door een naar achteren gericht haakvormig uitsteeksel aan de onderkant van het jukbeen, een eigenaardigheid van Heterodontosaurus: samen met een uitsteeksel uit het verhemelte werd kennelijk een sleuf gevormd die de verticale beweging van de onderkaak geleidde. Direct vóór de tandenrij ligt een kleinere inkeping, bedoeld om bij sluiting van de muil de slagtand van de onderkaak te ontvangen. Dit diasteem wordt van voren begrensd door de slagtand van de praemaxilla, het voorste snuitbot. left|thumb|upright=1.7|Een schedelreconstructie door Paul Sereno Van de openingen in de schedel is de ronde oogkas de grootste. De oogkas wordt bovenaan gedeeltelijke schuin overlapt door het smalle wenkbrauwbeen of palpebrale. Voor de oogkas ligt een voor ornithischiërs vrij grote fenestra antorbitalis die echter aan de binnenzijde wordt afgesloten door een beenplaat en dus meer een fossa vormt. De plaat is op twee plaatsen doorboord door een ovale kleinere opening. Achter de oogkas heeft het onderste slaapvenster de vorm van een afgeronde parallellogram die wat naar achteren helt. Het onderste slaapvenster wordt aan de bovenkant overhangen door een richel die aan de processus paroccipitalis ontspruit en naar voren en beneden doorloopt over het postorbitale.