De nachtkat of kodkod (Leopardus guigna) is een schuwe katachtige uit Chili en Argentinië. Het is de kleinste kat van Zuid-Amerika, ongeveer zo groot als een kleine huiskat, en is een van de dertien soorten in het geslacht pardelkat.

De nachtkat heeft de kleinste verspreiding van alle katachtigen uit de Nieuwe Wereld en komt alleen voor in het zuiden van Chili en uiterste zuidwesten van Argentinië, waar hij vrijwel uitsluitend voorkomt in de ecoregio's de Chileense Matorral en het gematigd bos van Valdivia. De nachtkat staat op Appendix II van de Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora en is door de International Union for Conservation of Nature and Natural Resources (IUCN) als "kwetsbaar" aangemerkt vanwege habitatverlies en -fragmentatie, menselijke vervolging en de afnemende populatie.

Etymologie Leopardus is Latijn en betekent leeuw-panter. De soortnaam guigna is afgeleid van hüiña; dit Chileense woord kan duiden op deze katachtige, maar ook op een snelle en effectieve dief. Andere naamvarianten zijn: guigna (Engels), guiña, güiña (Spaans), huiña (Chileens-Spaans) of gato guiña (Argentijns-Spaans) kodkod (Mapudungun) Chileens [bos]kat (Duits, Frans, Portugees) Santa Cruz-kat (Argentijns-Spaans) Nachtkat (Duits, Nederlands)

Wetenschappelijke naam De nachtkat, afkomstig uit de bosgebieden in Chili, werd voor het eerst in 1782 wetenschappelijk beschreven door de jezuïet Juan Ignacio Molina in zijn Saggio sulla storia naturale del Chili ('Verslag van de natuurlijke historie van Chili') en hij noemde deze Felis guigna. In het eerste deel van zijn systematische zoogdierenoverzicht uit 1844 gaf de Zwitserse arts en zoöloog Heinrich Rudolf Schinz de naam Felis tigrillo. Rodolfo Amando Philippi maakte in 1873 een schrijffout en zo ontstond de combinatie Felis guiña. Het geslacht Herpailurus was in 1809 door Bernard Germain de Lacépède voorgesteld voor de jaguarundi, en de Britse zoöloog Reginald Innes Pocock meende dat de nachtkat daar nauw aan verwant is. Hij maakte daarom in 1917 de combinatie Herpailurus guigna. De zoöloog Joel Asaph Allen uit de VS nam de nachtkat op in het geslacht Noctifelis en creëerde zo de combinatie Noctifelis guigna in 1919. Pocock verplaatste de soort en maakt de naam Oncifelis guigna in 1940. Wilfred Hudson Osgood onderscheidde een vorm uit de omgeving van Valparaíso in 1943 en gaf die de naam Felis guigna molinae. E.A. Artayeta gaf in 1950 de naam Oncifelis santacrucenis aan een melanistische nachtkat. Ángel Cabrera meende dat het geslacht Leopardus dat in 1842 was voorgesteld door John Edward Gray voor de ocelot, een ondergeslacht is van het geslacht Felis, en creëerde daarmee de combinaties Felis (Leopardus) guigna en Felis (Leopardus) guigna tigrillo in 1957. In 1979 was de Duitse zoöloog en gedragswetenschapper Paul Leyhausen de eerste die de huidige wetenschappelijke naam Leopardus guigna gebruikte, en hij suggereerde bovendien dat de soort wellicht in een ondergeslacht Oncifelis zou moeten worden geplaatst en maakt zo de combinatie Leopardus (Oncifelis) guigna.

Taxonomie miniatuur|Tekening van de nachtkat uit Archiv für Naturgeschichte (1873)

De nachtkat wordt ingedeeld bij de orde Carnivora, onderorde Feliformia, familie Felidae, onderfamilie Felinae en het geslacht Leopardus. Er worden twee ondersoorten onderscheiden:

spp. guigna (Molina, 1782) – Zuidelijk spp. tigrillo (Schinz, 1844) – Noordelijk

Verwantschap Vergelijking van homoloog DNA bij verschillende soorten pardelkatten (geslacht Leopardus) heeft meer inzicht gegeven in de verwantschap tussen deze soorten. De nachtkat is het meest verwant aan de geoffroykat.

Op fylogenetische basis kan de nachtkat worden ingedeeld in het monofyletische ondergeslacht Oncifelis (Severtzov, 1858) samen met de geoffroykat en het tijgerkat-soortencomplex (Zuidelijke tijgerkat, Neveltijgerkat en Noordelijke tijgerkat).

Kenmerken De nachtkat is een gevlekte katachtige ter grootte van een kleine huiskat. De afmetingen van vier mannelijke nachtkatten van het eiland Chiloé waren: kopomtrek 18–20 cm, nekdikte 13½–17 cm, lichaamslengte 45–49 cm, staartlengte 21–22 cm, lengte van de achterpoot, 9½–11 cm, oorhoogte 3½–4¼ cm en lichaamsgewicht 1,7–1,9 kg.

De noordelijke ondersoort is over het algemeen groter dan de typische ondersoort die verder naar het zuiden leeft. Een mannelijke spp. tigrillo uit Molina had een kopomtrek van 22 cm, nekdikte 16½ cm, lichaamslengte 56 cm, staartlengte 25 cm, lengte van de achterpoot 11 cm, hoogte van het oor 3½ cm en lichaamsmassa 3,0 kg. Mannetjes zijn aanzienlijk groter dan vrouwtjes.

Vacht miniatuur|Wildkleur-variant lopend door het struikgewas miniatuur|Melanistische variant (Chili)

In de wildkleur-variant (d.w.z. niet-melanistisch, vergelijkbaar met de cyperaftekening in de huiskat) wordt het gezicht gemarkeerd door een zwarte streep van onder de binnenste ooghoek naar de wang, een witte lijn rond het oog, een onderbroken zwarte lijn aan de voorkant en twee duidelijke zwarte lijnen die zijdelings naar onder het oor lopen en een kortere streep ertussen. Wenkbrauwlijnen en donkere banden lopen van de zijkant van de neus naar de basis van de oren, maar zijn onopvallend. De neus is diepzwart en de ogen zijn bruin. De achterkant van de laag aangezette oren is zwart met een kleine maar goed gedefinieerde centrale witte oogvlek. De bovenkant van het hoofd is vlekkerig met een vleugje zwart. De nek wordt gemarkeerd door een onduidelijke zwarte middenlijn en twee paar duidelijk gedefinieerde zwarte lijnen aan de zijkant. Een derde minder gedefinieerde zijlijn strekt zich uit vanaf de basis van de buitenkant van elk oor. Onderbroken smalle centrale zwarte lijnen lopen naar beneden tot het niveau van de stuit, maar ze veranderen in rozetten met donkere doffe bruinachtig gele centra op schouders en flanken. Vlekken vormen meestal rijen in het midden en dwars op de middenlijn en schuine rijen op de dijen.

De vacht op het lichaam is grijsachtig beige, roodbruin of donker roodbruin, en wordt opvallend lichter op de flanken. De onderkant is wittig met minimale vlekken, een paar gebroken rijen kleine vlekken markeren de voorhals en een paar verspreide vlekken markeren de borststreek. Een opvallende donkere band loopt over de keel en grote zwarte vlekken overheersen het wit op de thoracale regio. De binnenkant van de dijen is wit met dwarse rijen zwarte vlekken. De ledematen zijn dof geelbruin met vlekken die kleiner worden naar de voeten toe. De bovenkant van de voeten is onbevlekt, behalve aan de basis. De voetzolen zijn zwart (duifgrijs bij een eeltlaag), de nagels zijn wit. De staart heeft een zwarte punt, is bossig en ongeveer half zo lang als de lengte van neuspunt tot staartbasis. De staart heeft 10-13 zwarte ringen die aan de onderkant verdwijnen en die iets breder zijn dan de afstand ertussen. De onderkant van de staart is witachtig. Jonge exemplaren zijn vergelijkbaar met volwassenen, maar de vlekken zijn doffer en minder scherp gedefinieerd. De noordelijke ondersoort Leopardus guigno tigrillo heeft over het algemeen een lichtere vachtkleur dan de typische ondersoort uit het zuiden.

Melanisme Melanistische nachtkatten zijn niet ongewoon en komen verder naar het zuiden toe meer voor. De vlekken van melanistische individuen zijn grover en intenser zwart en hebben op sommige plaatsen de neiging om zich te verenigen in onregelmatige banden, met name op de nek en schouders. De vlekken op de onderkant zijn groter en vormen zware dwarsbanden op de dijen. Staartringen zijn breder. Bij melanistische individuen zijn de vlekken en banden op de staarten zichtbaar in fel zonlicht.

Anatomie miniatuur|Tekening van de schedel

De schedel van de nachtkat is klein en rond, zonder richels en kammen, afgezien van een kleine kam op het achterhoofdsbeen. Het gezicht is kort. De snuit is smal maar niet opvallend bol aan de bovenkant. Het profiel loopt in een nauwelijks bolle lijn naar de top. De oogkassen zijn vrij klein vergeleken met de grootte van de schedel. De achterooguitsteeksels zijn klein en delicaat. Het slakkenhuis is hoog en rond. De hersenen van één mannetje en één vrouwtje waren 28½ cm3, de voorste grote hersenen 2,0 cm3, de achterste grote hersenen 19,5 cm3 en de kleine hersenen en hersenstam samen 6,3 cm3. De vorm van de hersenen is relatief langwerpig.

De tandformule van de volwassen nachtkat is , dat wil zeggen drie snijtanden, een hoektand, drie valse kiezen en een ware kies in elke helft van de bovenkaak, en diezelfde elementen in de onderkaak met uitzondering van de twee valse kiezen. Dit is identiek aan de elementen van het gebit van de huiskat.

Voortplanting De draagtijd van individuen in dierentuinen is 72–78 dagen. Een nest kan uit een tot vier kittens bestaan. In het wild worden de dieren vermoedelijk ongeveer zes jaar oud. Het langstlevende dier in gevangenschap werd ruim 14 jaar oud. Zowel katers als poezen bereiken geslachtsrijpheid na ongeveer 24 maanden.

Verschillen met gelijkende soorten De nachtkat is de kleinste kat in Amerika en lijkt sterk op de geoffroykat. De verspreidingsgebieden overlappen enigszins, wat de juiste soortbepaling kan bemoeilijken. De verspreiding van de nachtkat is beperkter vergeleken met die van de geoffroykat, omdat de eerste sterk geassocieerd wordt met gematigde regenwouden en zuidelijke beukenbossen (Nothofagus) van Chili en Argentinië, met name het gematigd bos van Valdivia.

De nachtkat kan van andere Zuid-Amerikaanse pardelkatten (e.g. geoffroykat) worden onderscheiden door een combinatie van kop- en lichaamsgrootte, gewicht (max. 3 kg), vachtpatroon en -kleur, en vorm en lengte van de staart. De nachtkat is kleiner van formaat (1,3–3,0 kg) dan de geoffroykat (2,6–7,8 kg). De grootste schedellengte van de nachtkat is kleiner (790–861 mm) dan die van de geoffroykat (900–1.165 mm). De nachtkat is grijsachtig geelbruin, roodbruin of donker roodbruin, de geoffroykat is rokerig grijs. Vlekken op de kop en nek van de nachtkat vormen soms gebroken strepen, terwijl markeringen op de kop, nek en schouders van de geoffroykat duidelijke strepen vormen. De staart van de nachtkat is dik en bossig en korter dan die van de geoffroykat (23–40 cm).

Leefwijze De nachtkat leeft verscholen, waardoor zijn gedrag moeilijk te bestuderen is. Agressie lijkt weinig voor te komen en mild te zijn. Er zijn slechts twee gevechten waargenomen, beide tussen mannetjes, en ze eindigden zonder verwondingen. Elk gevecht duurde niet langer dan 2-3 minuten, waarna beide individuen snel verdwenen in de ondergroei. Het oudere individu leek beide keren te winnen. Na elk incident bleef het jongere individu in de buurt, wat suggereert dat gevechten geen grote rol spelen bij het verdrijven van rivalen van hetzelfde geslacht uit hun leefgebied. Nachtkatten produceren tjirpen en miauwen.