thumb|Cornelis van Eesteren (links) en Theo van Doesburg in het atelier aan de Rue du Moulin Vert in Parijs (1923) Cornelis van Eesteren (Alblasserdam, 4 juli 1897 – Amsterdam, 21 februari 1988) was een Nederlands architect en stedenbouwkundige. Hij is bekend om zijn functionalistische stedenbouwkundige ontwerpen, waaronder het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam. Ook was hij korte tijd lid van De Stijl en was hij nauw betrokken bij de CIAM.

Levensloop Van Eesteren was de oudste zoon van Sietje Holleman en Balten van Eesteren, directeur van aannemersbedrijf Boele & Van Eesteren. Cornelis was als oudste zoon voorbestemd ook aannemer te worden.Bock (2001): p. 16. Hij begon zijn loopbaan als timmerman, bouwopzichter en tekenaar in het bouw- en timmerbedrijf.Anoniem, Cornelis van Eesteren, 14 september 2006 (via archive.org) In 1914 begon hij een opleiding aan de Academie van Beeldende kunsten en Technische Wetenschappen in Rotterdam om architecten – zijn toekomstige klanten – te leren kennen en vertrouwd te raken met het ontwerpproces. Daarnaast was hij korte tijd werkzaam bij Willem Kromhout en bij de architectenmaatschap Albert Otten en W.F. Overeynder, waar hij onder Jan Wils werkte. Kromhout wekte zijn interesse in de architectuur en daarom koos Van Eesteren ervoor architect te worden in plaats van aannemer. In 1917 voltooide hij zijn opleiding.Bock (2001): pp. 16-17.

Vervolgens nam hij deel aan enkele prijsvraagontwerpen. Voor de prijsvraag voor een 'pakhuis aan een der havens in een Nederlandsche stad', uitgeschreven in 1917, diende hij een Amsterdamse School-achtig ontwerp in, waarmee hij een gedeelde eerste prijs won.M. (11 mei 1918): p. 116. De inzendingen werden gepubliceerd in de vorm van twee collages in Bouwkundig Weekblad, 39e jaargang, nr. 19 (11 mei 1918): p. 114-115. Zie scan TU Delft. Van Eesterens inzending is het derde pakhuis van links in de linker collage. Zijn prijsvraagontwerp voor een paviljoen in het Stadspark in Groningen, ook in 1917 uitgeschreven, sluit meer aan bij zijn voormalige leraar Kromhout.

Aan het einde van zijn studie en enkele maanden daarna ontwierp hij voor het aannemersbedrijf van zijn vader verschillende woonhuizen in Alblasserdam, waaronder het woon-winkelhuis van A. van Zessen, en de verbouwing van het huis van zijn vader. In het midden van 1918 gaf zijn vader, inmiddels gemeenteraadslid in Alblasserdam, hem ook de opdracht een uitbreidingsplan voor Alblasserdam te maken. In dit eerste stedenbouwkundige project van Van Eesteren volgde hij in grote lijnen Berlage.Bock (2001): pp. 21, 37-40. Eind 1918 of begin 1919 trad hij als tekenaar in dienst van architect Willem Verschoor in Den Haag, waar hij ook tekenlessen volgde aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Verschoor maakte hem bekend met de mogelijkheden van gewapend beton en confronteerde Van Eesteren met het door Frank Lloyd Wright geïnspireerde werk van de De Stijl-architecten Robert van 't Hoff en Jan Wils. Onder Verschoor ontwierp hij een ambitieus uitbreidingsplan voor Alphen aan den Rijn.Bock (2001): pp. 31-32, 41-49.Zie ook EFL Stichting > Cornelis van Eesteren, architect-urbanist. In de voetsporen van Berlage

Van 1919 tot 1921 volgde hij een avondopleiding aan het VHBO in Amsterdam, waar hij onder meer les kreeg van J.L.M. Lauweriks (architectuur en meubelontwerp), Jan de Meyer en Arie Keppler (stedenbouwkunde), terwijl hij overdag op het architectenbureau van Gerrit Jan Rutgers, eveneens in Amsterdam, werkte. De nadruk op het VHBO lag destijds niet de praktische kant van de architectuur, maar op synthese, vormgeving en het grote gebaar. Van de student werd verwacht dat hij het bouwkundige deel al beheerste en deze nu alleen nog zou moeten overstijgen. Van Eesteren was in zijn studententijd enerzijds een navolger van Berlage en werd anderzijds beïnvloed door het uit Duitsland overgewaaide expressionisme.Bock (2001): pp. 27-29, 31-32. In 1919 sloot hij zich ook aan bij de Amsterdamse School door lid te worden van Architectura et Amicitia, waar hij tot 1924 lid van zou blijven.

Prix de Rome thumb|Mendelsohn. Mossehuis, Berlijn. In juni 1921 nam Van Eesteren deel aan de Prix de Rome voor architectuur. Hiervoor had hij drie maanden de tijd een ontwerp te maken van een 'Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten' aan de Amstel.Perspectief, aanzichten, doorsnede, plattegrond en situatie afgebeeld in Bouwkundig Weekblad, 43e jaargang, nummer 1, pp. 2-7. Zie TU Delft scan 1, scan 2 en scan 3. Hij won de eerste plaats en zijn ontwerpen werden van 25 december tot en met 1 januari 1922 tentoongesteld in de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Naar aanleiding hiervan schreef hij de notitie 'mij is de Prix de Rome toegekend', waarin hij het stedenbouwkundige probleem in relatie tot het moderne leven beschrijft en concludeert dat, ondanks het pionierswerk van Berlage, er nog steeds geen bruikbare theorie aangaande dit probleem bestond. Hiermee was Van Eesterens interesse voor stedenbouwkunde definitief gewekt.Bock (2001): pp. 34-36, 49-50.

In 1922 gebruikte Van Eesteren zijn Prix de Rome-toelage om gedurende tien maanden architectuur en stedenbouw in Duitsland, de landen rond de Oostzee, Tsjechië en Wenen te bestuderen. Eind februari kwam hij aan in Berlijn. Zijn contactpersoon van het Ministerie van Buitenlandse Zaken aldaar, de gezantschapsraad Johannes Sievers, was echter de eerste drie weken met vakantie, waardoor Van Eesteren Berlijn aanvankelijk met zijn Baedeker als gids verkende. Volgens zijn dagboek bezocht hij het Schinkelmuseum in de Technische Hogeschool in Charlottenburg, een herdenkingstentoonstelling van Franz Marc, het Museumsinsel en de Gendarmenmarkt. Ook was hij geïnteresseerd in (expressionistisch) theater; hij bezocht een opvoering van Schillers 'Don Carlos' in Schinkels Staatliches Schauspielhaus, onder regie van Leopold Jeßner met decors van Oskar Strnad, en een voorstelling in Hans Poelzigs Große Schauspielhaus. Eind april zag hij het stuk 'Die Ratten' van Gerhard Hauptmann in de Volksbühne, onder regie van Jürgen Fahling, dat het begin markeerde van het magisch realisme. Midden maart kon hij zich voorstellen bij gezantschapsraad Sievers en aan het einde van die maand ontmoette hij de expressionistische architect Erich Mendelsohn, na het zien van diens ontwerptekeningen van het te verbouwen Mossehuis. Van Eesteren was zeer onder de indruk van de kleuroplossing van Mendelsohns Gebäude der Hausleben-Versicherung aan de Dorotheenstrasse, dat hij op 22 maart bezocht.Zie EFL Stichting > Cornelis van Eesteren, architect-urbanist. De Prix de Rome-reis, 1922, ontmoetingen met de avant-garde Van Eesterens gevoeligheid voor kleur in de architectuur zou later een reden zijn om zich later bij De Stijl aan te sluiten. Naast de architect Heinrich Straumer (ontwerper van onder andere Freie Universität (Thielplatz) en de Landbouwhogeschool in Dahlem), met wiens traditionalistische architectuur hij echter weinig op had, ontmoette Van Eesteren in Berlijn verder alleen kunstcriticus Adolf Behne, die Van Eesteren aanraadde naar Dresden te reizen, de bakermat van het expressionisme en dé stad om de Duitse barokarchitectuur te bestuderen. Gezien Van Eesterens eerdere stedenbouwkundige ontwerpen was dit geen vreemde keuze.

thumb|200x200px|left|Interieur van Frauenkirche met loges op de eerste galerij thumb|Zwinger te Dresden met aangrenzend de Gemäldegalerie (midden) en Hofkerk (rechtsboven) thumb|Schumacher. Crematorium. Op 29 maart reisde hij naar Dresden, waar hij vrijwel onmiddellijk de door Matthäus Daniel Pöppelmann ontworpen Zwinger bezocht, alleen al omdat de Amsterdamse architect Adriaan Willem Weissman Van Eesterens Prix de Rome-ontwerp met dit gebouw vergeleek. Pas na het zien van de Zwinger kon hij dit compliment op zijn juiste waarde schatten. Minder positief was hij over Gottfried Sempers direct aan de Zwinger grenzende Gemäldegalerie Alte Meister. Ook bezocht hij Gaetano Chiaveri's Hofkerk en van Georg Bährs Frauenkirche viel hem de loges op de eerste galerij op. 'Een eigenaardig effect maken de loges op de eerste galerij. In de fraaie gebogen lijn brengen zij in de benedenbouw een horizontale noot, welke de verticale daarboven sterker maakt', schreef hij op 9 april in zijn dagboek. Deze gebruikte hij later – in sterk gewijzigde vorm – voor zijn eindexamenontwerp van het VHBO, cursusjaar 1921-1922, waarvoor gemeentearchitect van Amsterdam, A.R. Hulshoff, het programma schreef en dat moest bestaan uit een universiteitsgebouw in Plan Zuid in Amsterdam. In Dresden ontmoette hij barokkenner en voorzitter van de Bund Deutscher Architekten, Cornelius Gurlitt, die later de restauratie van de Zwinger zou begeleiden. Veel aandacht voor (oude) schilderkunst had Van Eesteren echter niet; die zou de ontwikkeling van hedendaagse kunstenaars alleen maar in de weg staan. Wel bezocht hij de directeur van de Städtische Sammlungen, Paul Ferdinand Schmidt, die hem aan enige (waarschijnlijk expressionistische) kunstenaars voorstelde.

thumb|Tessenow. Dalcrozeschool. Vanuit Dresden bezocht Van Eesteren het crematorium van Fritz Schumacher (1909-1911) en het schildersatelier in de porseleinfabriek Ernst Teichert in Meissen. Hij had weinig oog voor de in 1908 door Richard Riemerschmid in romantische stijl ontworpen tuinstad Hellerau, maar des te meer voor de daarin gelegen Dalcrozeschool van Heinrich Tessenow (1910-1912). De Dalcrozeschool, maakte vooral ruimtelijk grote indruk op hem, omdat Tessenow erin geslaagd was om een monumentaal, grootstedelijk complex toch een zeer geborgen karakter te geven. Van 13 tot 25 april bezocht Van Eesteren de stad Praag, waar hij kennis maakte met het architectonisch kubisme en het op de barok geïnspireerde 'rondo-kubisme', van architecten als Jan Kotera en Pavel Janák, beiden leerlingen van de Oostenrijkse architect Otto Wagner. Janák leidde hem rond in een door hem ontworpen villa buiten Praag en raadde Van Eesteren aan 'ook naar Wien te reizen, dat als schakel in de ontwikkeling der moderne bouwkunst van groot belang is'. Om die reden bezocht hij wellicht ook de Nationale Galerie om werk van Gustav Klimt te bekijken. In Wenen moet hij architect Adolf Loos ontmoet hebben, over wie hij het later nog veel zou hebben.

Op 26 april keerde hij weer terug naar Berlijn, waar hij op de 27e opnieuw een ontmoeting had met Adolf Behne. Deze adviseerde hem dit keer ongetwijfeld het Bauhaus in Weimar te bezoeken te meer omdat Van Eesterens landgenoot en De Stijl-voorman, Theo van Doesburg, daar een Stijl-cursus begonnen was. Op 30 april bezocht hij een tentoonstelling van Willi Baumeister in de galerie van Der Sturm en schreef hierover in zijn dagboek: 'Zondag bezocht ik de Sturmausstellung en kwam iets verder in de kubistische gedachtegang door enige geëxposeerde teekeningen. Figuurstudies in zoo eenvoudig mogelijke lichaamssamenstellingen, ik bedoel, samengesteld gedacht uit louter meetkundige figuren. Goed was de indruk zeker'.

thumb|Gropius, Meyer en Forbat. Monument voor de 'Märzgefallenen', Weimar. 1920-1921. thumb|Gropius en Meyer. Stadttheater, Jena. 1921-1922.