Aorun is een geslacht van vleesetende theropode dinosauriërs behorend tot de groep van de Coelurosauria, dat tijdens het late Jura leefde in het gebied van de huidige Volksrepubliek China. De enige benoemde soort is Aorun zhaoi.

Vondst en naamgeving In 2006 vond Jonah Choiniere, een student die deel uitmaakte van een expeditie geleid door James Michael Clark in de streek Wucaiwan in Xinjiang, een bot van een achterpoot uit de grond steken. Een verdere opgraving toonde aan dat er een vrij volledig skelet van een kleine theropode aanwezig was.

In 2013 benoemden en beschreven Choiniere, Clark, Catherine Forster, Mark Norell, David Eberth, Gregory Erickson, Chuc Hongjun en Xu Xing de typesoort Aorun zhaoi. De geslachtsnaam is een samentrekking van Ao Run, 敖 閏, de mythische Drakenkoning van het Westen uit de roman De reis naar het westen. De soortaanduiding eert professor Zhao Xijin, de Chinese paleontoloog die het onderzoek in het vondstgebied beheert.

Het holotype, IVPP V15709, is gevonden in een laag van de Shishugouformatie, die dateert uit het Oxfordien en waarvan de ouderdom door argondatering vrij nauwkeurig is vast te stellen op 161,5 miljoen jaar. Het bestaat uit een tamelijk compleet skelet. Bewaard zijn gebleven: de schedel, de onderkaken, een halswervel, een ruggenwervel, drie staartwervels, de linkerellepijp, de linkerhand, de uiteinden van beide schaambeenderen en de linker en rechteronderbenen. Het skelet lag nog min of meer in verband op een oppervlak van vijftien centimeter in het vierkant. De preservering van de postcrania is vrij goed, maar de schedel en onderkaken hebben een gebroken en verweerd botoppervlak. Het gaat om een jong dier, dat volgens een studie van de botstructuur niet ouder kan zijn geweest dan één jaar omdat er nog geen groeilijn (Line of Arrested Growth) zichtbaar is, maar geen pas uitgekomen kuiken was. Aangezien de eieren meestal niet uitkomen in een seizoen met weinig voedsel, het soort jaargetijde dat de LAG veroorzaakt, is een leeftijd die duidelijk onder één jaar ligt, het waarschijnlijkst.

Beschrijving Grootte, algemene bouw en onderscheidende kenmerken Aorun is vermoedelijk een kleine lichtgebouwde tweevoetige vleeseter. De lengte van het holotype werd geschat op één meter, het gewicht op anderhalve kilogram. Dit betreft echter een onvolgroeid dier. Vanuit de verwantschappen werd geconcludeerd dat dit niet zou zijn uitgeroeid tot een erg grote theropode.

De beschrijvers wisten enkele onderscheidende kenmerken vast te stellen. In de uitholling voor de fenestra antorbitalis ligt een tweede opening, de fenestra maxillaris die uitzonderlijk groot is en het grootste deel van de voorkant van de uitholling beslaat. De maxillaire tanden hebben alleen op de achterste snijrand kartelingen die daarbij erg klein zijn en naar het spits van de tand gericht. De halswervels zijn zwak opisthocoel: bol van voren en hol van achteren. De handklauwen verschillen sterk van elkaar waarbij de duimklauw groot en gebogen is terwijl de twee andere klauwen kleiner zijn met een rechte onderkant. Het scheenbeen heeft een hoge smalle groeve voor de articulatie met de opgaande tak van het sprongbeen, welke groeve beperkt is tot de voorste buitenste zijkant van het scheenbeen. Deze opgaande tak van het sprongbeen bevindt zich inderdaad aan de buitenste zijkant van het scheenbeen maar is laag.

Skelet Schedel De schedel van Aorun is langwerpig, vrij plat en zeer smal. De lengte is ongeveer negen centimeter. De schedel is nogal lichtgebouwd met grote schedelopeningen. De voorste daarvan is het buitenste neusgat. De grootte daarvan is door beschadigingen onbekend, maar het moet een aanzienlijk oppervlak beslagen hebben. Het neusgat is 45° schuin naar achter gekeerd en de onderzijde ervan is afgerond. Achter het neusgat ligt de uitholling voor de fenestra antorbitalis, die eirond is, langer dan hoog, en 63% van de achterste lengte van de uitholling beslaat. In de voorkant van die uitholling ligt een opvallend groot fenestra maxillaris. Dit kenmerk is uitzonderlijk voor een basale coelurosauriër en is verder alleen bekend van de Troodontidae. Beide openingen zijn gescheiden door een verticale smalle beenstijl die zelf geen klein foramen heeft in de onderkant. Vóór de fenestra maxillaris ligt aan de onderkant nog een veel kleinere eirond fenestra promaxillaris aan de uiterste voorrand van de uitholling. Achter de fenestra antorbitalis, en met dezelfde lengte, bevindt zich een zeer grote ronde oogkas. Achter de oogkas ligt een nauw onderste slaapvenster dat vanuit de achterrand matig ingesnoerd is. Grootte en vorm van het bovenste slaapvenster zijn door compressie niet meer vast te stellen.

De voorste snuitbeenderen, de praemaxillae, vormen een in bovenaanzicht U-vormige snuitpunt. Het gedeeltelijk van de praemaxilla onder het neusgat is even lang als het gedeelte ervoor; de snuitpunt is dus niet speciaal verlengd. De snuitpunt is in zijaanzicht vrij recht en helt 15° naar achteren. De praemaxilla begrenst het bovenkaaksbeen, ofwel maxilla, van voren en heeft er een achteraan hol raakvlak mee. Onderaan dit raakvlak heeft de kaakrand geen inkeping. De inzinking rond het neusgat holt de praemaxilla licht uit maar er is geen diepe trog die schuin naar beneden richting snuitpunt loopt. De opgaande tak van de praemaxilla loopt naar het neusbeen maar aan beide zijden zijn deze takken afgebroken zodat het precies snuitprofiel hier niet vast te stellen valt. Wel zijn de bases van deze takken verticaal afgeplat wat suggereert dat er een plat snuitstuk was tussen de neusgaten, wat typisch is voor basale Maniraptoriformes. De praemaxilla draagt met een evenredige tussenruimte vier tanden. Het bovenkaaksbeen is langgerekt en laag. De opgaande tak bestaat uit een onderste verticale plaat die bekroond wordt door een horizontale plaat die bovenaan de fenestra maxillaris overhangt, wat naar buiten uitstekend. De achterste tak naar het jukbeen heeft een rechte onderrand, in plaats van licht bol te zijn. De tak heeft onderaan een lange rechte hoge horizontale richel die de ondergrens vormt van de uithollingen rond de verschillende openingen in de zijwand van de snuit. Het bovenkaaksbeen draagt twaalf maxillaire tanden, alle vóór de fenestra antorbitalis geplaatst. De tanden zijn aan de achterzijde versterkte door vijfhoekige niet-versmolten interdentaalplaten. Het jukbeen is dun en staafvormig, een typisch maniraptoriform kenmerk. De voorste punt richting bovenkaaksbeen is iets uitgehold door de fossa rond de fenestra antorbitalis maar loopt niet tot onder die opening door. De opgaande tak is smal. De tak richting quadratojugale is achteraan gevorkt waarbij de onderste "tand" langer is dan de bovenste en achter het midden van het onderste slaapvenster eindigt. Het quadratojugale is L-vormig in plaats van T-vormig, een basaal kenmerk. De opgaande tak is hoog en overdwars dun, de onderste helft van de zijkant van de schacht van het quadratum bedekkend. De voorste tak is dun en laag en past als een punt in de achterste vork van het jukbeen. De punt steekt niet vóór de voorrand van het onderste slaapvenster uit, een basaal kenmerk.

Van de neusbeenderen is weinig bekend; ze lijken bij het holotype niet vergroeid en vormden hoogstwaarschijnlijk de platte bovenkant van de snuit. Er is geen spoor van ornamentering of een neuskam. Het traanbeen is T-vormig waarbij de voorste tak veel langer is dan de achterste. De voorste tak raakte vermoedelijk de opgaande tak van het bovenkaaksbeen. De achterste tak steekt schuin omhoog. De neergaande tak is smal en lang, de volledige voorrand van de ogkas vormend. Het onderste uiteinde ervan is matig naar voren en achteren verbreed. Het prefrontale vormt vermoedelijk een slechts kleine gedeelte van de bovenste oogkas, achter het traanbeen. Het prefrontale lijkt overdwars mal te zijn geweest. Het heeft een smalle neergaande tak die aan de binnenzijde van de neergaande tak van het traanbeen loopt. Achter het prefrontale maakt het voorhoofdsbeen een deel van de oogkas uit. Het voorhoofdsbeen is vlak en wordt naar achteren smaller. De voorste tak van het postorbitale kromt naar boven en vormt de ronde achterrand van de oogkas. De achterste tak, vermoedelijk vrij kort, ligt lager zodat het postorbitale geen echte T-vorm heeft. Bij de rechteroogkas is een enorme scleraalring te zien, een direct bewijs dat de ogen zeer groot waren, iets wat vermoedelijk samenhing met de jeugdige leeftijd van het dier. Door erosie is het aantal plaatjes in de ring niet meer vast te stellen. Het open midden van de ring heeft de helft van de doorsnede van de oogkas als geheel. Het squamosum, achter het postorbitale, loopt schuin af, bijna evenwijdig aan het quadratum. De neergaande tal is lang, zich versmallend om contact te maken met de opgaande tak van het quadratojugale. Deze tak sluit het quadratum uit van de achterrand van het onderste slaapvenster. Het quadratum staat verticaal, zodanig dat het kaakgewricht recht onder de kop ervan ligt. De achterkant ervan is hol waarbij het grootste deel van het midden beslagen wordt door een foramen quadraticum in de vorm van een staande ovaal. De opening wordt niet omgeven door een uitholling en is ook geen uitloper van een trog. Het foramen wordt volledig omsloten door het quadratum en ligt dus niet tussen de schacht en het quadratojugale, zoals wel het geval bij de Tyrannosauroidea en de meeste Maniraptora. Van de onderste gewrichtsknobbel wordt het buitenste geheel aan de buitenkant bedekt door het quadratojugale. De interne vleugel voor het contact met het pterygoïde is hoog en driehoekig met de grootste voorwaartse uitbreiding onderaan. Het binnenvlak ervan is hol maar zonder pneumatische doorboringen.

Van het verhemelte is alleen een stuk bewaard waar de verhemeltebeenderen de ploegschaarbeenderen raken. Dat gebeurt ter hoogte van het midden van de fenestra antorbitalis. Van de bouw van deze elementen zijn verder geen details waarneembaar.

Onderkaken De onderkaken zijn samen nog smaller dan de schedel waar ze van onderen immers in moeten passen. Ze zijn vooraan niet vergroeid en geplaatst in een scherpe "V" zonder met de punten naar elkaar te buigen. Het voorste bot van de onderkaak, het os dentale of dentarium, is langwerpig en laag met een evenwijdige bovenrand en onderrand. Naar voren buigt het dentarium iets naar boven. Bij de positie van de vierde tand begint een horizontale reeks aderkanalen. Deze openingen zijn eerste gescheiden maar meer naar achteren, waar de reeks naar boven buigt, vervloeien ze tot een scherpe groeve die doorloopt tot onder het midden van de fenestra antorbitalis van de schedel. Na dit punt wordt het dentarium iets hoger. Achteraan eindigt het in een vork waarvan de onderste punt het verst doorloopt, tot onder het zijvenster van de kaak. Die punt bedekt het speniale volledig. Het dentarium draagt minstens twintig maar vermoedelijk vijfentwintig tot dertig tanden. Dat aantal is uitzonderlijk hoog; sommige basale coelurosauriërs hebben er maar een dozijn. De tandrij loopt drie tandposities door achter de maxillaire rij van de bovenkaak.