thumb|19e-eeuwse Chinese schaakstukken, ivoor thumb|Lewis-schaakstukken, genoemd naar hun vindplaats, Isle of Lewis. 12e-eeuwse stukken uit meerdere, vermoedelijk Noorse sets van walrusivoor en walvistanden. Boven: koning, dame en loper, daaronder paard, toren en pion. Onder: close-up van de dame thumb|Vijf eeuwen schaak, tentoonstelling in het Rijksmuseum Volkenkunde (1946) Schaken is een aanduiding voor een groep verwante bordspellen. Dit artikel beschrijft het westers schaakspel, een strategisch bordspel voor twee spelers. Het is een strategisch spel omdat de spelers veel speelmogelijkheden hebben en omdat het vaak onmogelijk is de consequentie van elke zet te overzien, waardoor inzicht, ervaring en moed de zetkeuze mede bepalen. In sommige schaakpartijen zijn karakteristieke speelstijlen te herkennen zoals: agressief, passief, tactisch, forcerend, radicaal.

Het doel van het spel is het schaakmat zetten van de vijandelijke koning.

Geschiedenis miniatuur|Krishna en Radha spelen chaturanga De oervorm van het schaakspel is duizenden jaren oud, waardoor er niet veel bekend is over het ontstaan en de vroegste geschiedenis. Het heeft dan ook aan veel legendevorming bijgedragen. Deze legendes beleefden in de negentiende eeuw hun hoogtijdagen. Dat blijkt met name uit de vele verenigingen die zo niet naar beroemde schakers dan wel naar mythologische figuren genoemd werden. Hoewel er geen enkele hint is van een historische oorsprong in de Griekse oudheid, worden de sterveling Palamedes en de godin Pallas in verband gebracht met de uitvinding van het spel. Ook de sterveling Paris, degene die de mooie Helena schaakt en daarmee de Trojaanse oorlog veroorzaakt, wordt enkele malen als uitvinder genoemd.Scholten (1999), p.263 Deze oorlog is derhalve het decor en gemeenschappelijke noemer van deze vertellingen uit de Griekse mythologie, vastgelegd door Homerus in zijn Ilias. Een curieuze uitzondering hierop is Palamedes die daar niet genoemd wordt, ondanks dat hij een prominente rol speelt in vele andere vertellingen over het beleg van Troje.

De bekendste onder de goden, binnen de schaakwereld, is echter Caïssa, de godin van het schaken. Maar Caïssa is een poëtisch bedenksel uit de Renaissance, en maakt geen historische aanspraak op de uitvinding.

De historicus H.J.R. Murray heeft van de ontstaansgeschiedenis van het schaken in 1913 het standaardwerk A History of Chess geproduceerd, wat sindsdien als het definitieve werk over de geschiedenis van schaken wordt beschouwd. Uit deze publicatie blijkt dat de meest ondersteunde theorie de uitvinding van het schaakspel in India is. De legende van Sissa, een mythische brahmaan van aldaar, is mogelijk hierdoor de populairste mythe over de uitvinding van het schaakspel.

Halverwege de twintigste eeuw werd geopperd dat het schaakspel mogelijk uit China stamt en recentelijk gaan er weer stemmen op die de oorsprong van het schaakspel daar of in Oezbekistan plaatsen., A story well told is not necessarily true - being a critical assessment of David H. Li's "The Genealogy of Chess", banaschak.net (24/08/2006), , A new paradigm for an "Origins of Chess" theory, goddesschess.com (2007), voor de connectie met Oezbekistan, zie: , The Origins of Chess – A Few Things I’ve Thought About, judithweingarten.blogspot.be (30/03/2008).

De oudste herkenbare versie van schaken stamt waarschijnlijk uit het zesde-eeuwse Lucknow in Oost-Perzië,, Mughal Rule in India, New Delhi, 1995, p. 288. nu in Noord-India, en staat bekend als chaturanga. Lange tijd werd vermoed dat dit spel weer gebaseerd was op chaturaji, een variant voor vier personen die elk aan een zijde van het bord zaten. Het blijkt echter andersom: chaturanga is eeuwen ouder dan chaturaji die als een van de populaire varianten aan chaturanga is ontsproten. (2017), A World of Chess, Mc Farland & Co., p.63

Verschillende versies van chaturanga verspreidden zich oostwaarts naar China en Japan en, in de vorm van Shatranj, westwaarts naar de Arabische wereld om via Italië en Spanje uiteindelijk tijdens de 11e eeuw in heel Europa door te dringen. Waarschijnlijk hebben de Vikingen hier een belangrijke rol in gespeeld, aangezien de oudste Europese vondsten van schaakstukken langs de kusten zijn.

In de middeleeuwen ontstonden varianten in het schaakspel, zoals 'Oude schaak', 'Welsch' en het Courierspel. Het courierspel ontstond in de vroege dertiende eeuw in toenmalig Duitsland en overleefde de tand des tijds tot vroeg in de negentiende eeuw wanneer het voor het laatst in Ströbeck is gespeeld.

De huidige vorm van het schaakspel ontstond aan het eind van de 15e eeuw in Frankrijk, toen de dame met de huidige machtige mogelijkheden haar intrede deed. Tevoren was de dame of koningin een tamelijk beperkt en zwak stuk. Over hoe de dame de macht kreeg die ze in het huidige spel heeft zijn verschillende lezingen, maar een relatief recente theorie over de relatie van de vrouw met het schaakspel suggereert dat het representatief zou zijn voor de macht die enkele koninginnen, waaronder Isabella van Castilië in die tijd hadden.

Het centrum van de schaakwereld was eeuwenlang het legendarische Parijse café de la Régence, waar grote schakers als Philidor speelden. Halverwege de 19e eeuw verschoof dit zwaartepunt naar de Londense Simpson's-in-the-Strand.

In de Nederlandse schaakgeschiedenis begon het spel pas in de 19e eeuw serieuzere vormen te nemen. Rond de 20e eeuwwisseling vond Nederland in de persoon van Arnold van Foreest aansluiting met de wereldtop. Max Euwe was wereldkampioen schaken van 1935 tot 1937. In de jaren 80 behoorde Jan Timman tot de wereldtop. In 1993 speelde hij om de wereldtitel tegen Karpov, maar verloor.

Etymologie Het woord schaak is afkomstig van het Perzische woord shāh, dat koning betekent.'Schaken (schaak spelen)', in: Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (2003-2009), op etymologiebank.nl. Hierin: "Ontleend aan middeleeuws Latijn sca(c)cus, ‘schaakstuk’ of aan Frans eschac, die beide via het Arabisch ontleend zijn aan Perzisch šāh ‘koning’, met name ‘koning in het schaakspel’". Ook het woord mat is Perzisch (maata), dat 'plots versteld staan betekent.

In de meeste talen heeft het spel, enigszins aangepast, dezelfde naam.

Het woord schaak is niet alleen de naam van het spel, maar in het Nederlands ook van de situatie in het spel waarin de koning aangevallen wordt. In andere talen kunnen de woorden verschillend zijn, zoals in het Engels: chess - check''' en Spaans: ajedrez - jaque.

Spelregels

De officiële spelregels worden vastgesteld door de wereldschaakorganisatie FIDE en worden door de KNSB in het Nederlands vertaald. Hieronder enkel de belangrijkste punten.

Spelers Het spel wordt gespeeld door twee spelers die elkaars tegenstander zijn en tegenover elkaar aan het schaakbord zitten. De ene speler, de witspeler of kortweg "wit", speelt met lichtgekleurde schaakstukken, de andere speler, de zwartspeler of kortweg "zwart", speelt met donkergekleurde stukken.

Materiaal Een schaakbord is een vierkant, regelmatig opgedeeld in 32 lichte (witte) en 32 donkere (zwarte), elkaar afwisselende velden. De horizontalen worden rijen genoemd en zijn genummerd van 1 tot en met 8; de verticalen heten lijnen en worden aangegeven met de letters a tot en met h. Zo is elk veld aan te duiden; de witte dame staat bijvoorbeeld in de beginstelling op d1. Het bord wordt zo neergelegd dat a1 en h8, de hoekvelden links van de spelers, zwart zijn.

Elke speler beschikt over zestien schaakstukken. Bij aanvang van het spel staan de stukken zoals hiernaast getoond op het bord. De witte dame op een wit veld, de zwarte dame op een zwart. Geheugensteuntje: dame bekent kleur.

De stukken zijn bij de aanvang van het spel voor beide spelers: de koning ♔♚ zware stukken een dame (of koningin) ♕♛ twee torens ♖♜ lichte stukken twee lopers (of raadsheren, bisschoppen) ♗♝ twee paarden ♘♞ acht pionnen ♙♟

Binnen een schaakpartij worden de pionnen soms niet als stukken aangeduid. Wie zich nauwkeurig uitdrukt zegt weleens: "De stukken en pionnen worden op het bord gezet". Spreekt men van een stukoffer, stukverlies e.d., dan bedoelt men een licht stuk, dus een loper of paard. In dit artikel worden de pionnen echter wel tot de stukken gerekend.

Zetten

Beide spelers doen om beurten een zet naar keuze, waarbij wit begint. Het is niet toegestaan een beurt over te slaan.

Bij de notatie van een schaakpartij is er steeds één nummer voor de zet van wit en van zwart samen. Als gesproken wordt over het aantal zetten van een partij is dit het aantal zetten van wit; het aantal zetten van zwart is gelijk of één minder. Voor eenduidigheid wordt soms de term ply of halfzet gebruikt voor een zet van één speler. Tenzij het tegendeel blijkt wordt hieronder met een zet steeds een halfzet bedoeld.

Een stelling is de stand van de stukken.

Slaan Op elk veld staat nooit meer dan één stuk. Door een eigen stuk te spelen naar een veld waarop een stuk van de opponent staat, wordt dat stuk (van de opponent) geslagen en van het bord genomen. Op het tweede diagram hiernaast wordt dit geïllustreerd met de (diagonaal bewegende) witte loper: deze kan niet naar a1, f2 of g1 gespeeld worden, maar wel de zwarte toren op b2 slaan door zelf op dat veld te gaan staan. De pion is het enige stuk dat bij slagzetten anders beweegt dan bij gewone zetten.

Loop van de stukken De verschillende stukken hebben elk een verschillende loop. Dame, toren en loper kunnen in een enkele zet in een rechte lijn een willekeurige afstand afleggen voor zover de stelling dat toelaat. Ze kunnen niet over andere stukken heen springen. Gaat een stuk naar een veld waar een stuk van de tegenpartij staat, dan wordt dat stuk geslagen. Een veld waarop een stuk van de eigen partij staat, is niet toegankelijk. De koning neemt één stap tegelijk, recht of diagonaal, en bestrijkt dus de 3 tot 8 aangrenzende velden. Hij begint op e1 of e8. Daarnaast heeft de koning eenmaal per partij een speciale mogelijkheid zich te verplaatsen: de korte en de lange rokade. Hoewel de schaakpartij om de koning draait, is hij niet het sterkste stuk wat betreft de loop. De dame mag naar keuze horizontaal, verticaal of diagonaal bewegen en beheerst 21 tot 27 velden, wat haar veruit het sterkste stuk maakt (zie ook de relatieve waarde van schaakstukken). Zij begint op d1 of d8 (een veld van dezelfde kleur als het stuk zelf). Een toren bestrijkt 14 velden. Hij mag naar keuze horizontaal of verticaal bewegen en is het enige stuk dat vanaf de rand hetzelfde bereik heeft als in het centrum (als de loop niet door andere stukken geblokkeerd wordt). De torens beginnen in de hoeken (de velden a1 en h1, respectievelijk a8 en h8). Een loper mag diagonaal bewegen en bestrijkt 7 tot 13 velden. Een loper kan niet op een veld komen met een andere kleur, dan waar het stuk in de beginstelling staat. Spreekt men van witte of zwarte lopers, dan doelt men vaak op de kleur van de velden waarop zij zich bewegen. Beide spelers hebben in het begin een 'witte' (nauwkeuriger gezegd: witveldige) en een 'zwarte' (zwartveldige) loper. Lopers beginnen op c1 en f1, respectievelijk c8 en f8. Een paard heeft een specifieke zetwijze, ook buiten het schaken bekend geworden als de paardensprong, die op verschillende manieren omschreven kan worden: eerst 2 velden horizontaal of verticaal en daarna 1 veld in een richting loodrecht daarop; eerst één veld recht en dan één veld schuin in deels dezelfde richting; verplaatsing naar een van de dichtstbijzijnde velden die níet op dezelfde lijn, rij of diagonaal liggen als het uitgangsveld. Een paard in het centrum beheerst een kring van 8 velden.