De barok in het prinsbisdom Luik, ook wel Maaslandse, Luikse of Luiks-Akense barok,Het onderwerp is voor zover bekend niet eerder integraal behandeld. Voor dit artikel is de titel barok in het prinsbisdom Luik gekozen, hoewel ook Maaslandse barok of Maasbarok tot de mogelijkheden behoorden (vanwege de bestaande termen Maaslandse kunst, Maasgotiek en Maaslandse renaissance). In de toegepaste kunst worden de termen Luikse, Luiks-Maastrichtse of Luiks-Akense stijl gebruikt (vergelijk: Luiks-Akense meubelstijl). is een regionale variant van de barokstijl, die vooral in de 18e eeuw in het prinsbisdom Luik en de streek rondom de vrije rijksstad Aken en de tweeherige stad Maastricht tot bloei kwam.Het Rijk van Aken was weliswaar geen onderdeel van het (wereldlijk) prinsbisdom Luik, maar behoorde wel (tot 1802) tot het kerkelijk bisdom Luik. Hetzelfde gold voor het rijksgraafschap Wittem, het abdijvorstendom Thorn en enkele andere heerlijkheden. Maastricht was tweeherig en werd in de achttiende eeuw gezamenlijk bestuurd door de bisschop van Luik en de Staten-Generaal van de Nederlanden. Andere gebieden in de regio behoorden tot de Oostenrijkse Nederlanden of de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, maar worden toch in dit artikel inbegrepen. De belangrijkste brandpunten waren de steden Luik, Aken en Maastricht, met als subcentra Spa, Verviers, Eupen, Monschau, Vaals, Hasselt en Sint-Truiden. De Luikse barok, net als de Zuid-Nederlandse barok, neemt een tussenpositie in tussen het strenge Hollands classicisme en de veel uitbundigere Franse en Duitse barok en rococo, en kwam vooral tot ontplooiing in de lokale barokarchitectuur en de toegepaste kunsten gedurende de tweede helft van de 18e eeuw.

Algemeen thumb|Bezoek aan een ijzergieterij in Luik (Léonard Defrance, 1789)

Economische en demografische achtergrond De 17e eeuw, de Gouden Eeuw in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, was over het algemeen geen gunstige tijd in de Zuidelijke Nederlanden. Ook het prinsbisdom Luik had in deze periode veelvuldig te lijden van de grote Europese oorlogen die deels op zijn eigen grondgebied werden uitgevochten, en van de economische malaise die daarvan het gevolg was. Wel floreerde dankzij diezelfde oorlogen de Luikse wapenindustrie. Ook in de eerste helft van de 18e eeuw was er sprake van economische stagnatie.

Vanaf het midden van de 18e eeuw volgde een vrij sterke groei van de regionale economie. Aan het eind van die eeuw behoorden de Oostenrijkse Nederlanden en het prinsbisdom Luik tot de welvarendste gebieden van Europa.Ubachs (2000), p. 318. Aken, en in mindere mate Maastricht, deelde daarin mee. Luik was al vanaf de 16e eeuw een stad van metaal- en wapenindustrie en deze bedrijvigheid ontwikkelde zich in de 18e eeuw sterk. De textielindustrie bloeide in Aken, Vaals, Verviers en het Land van Herve. Onder de rijkste inwoners van de Zuidelijke Nederlanden telde men eind 18e eeuw diverse Vervierse textielfabrikanten.Le siècle des Lumières (1980), p.17. In Aken, Spa en Chaudfontaine floreerde het badtoerisme. Vanaf circa 1750 nam ook de welvaart op het platteland toe.In de Oostenrijkse gebieden bijvoorbeeld nam de geldhoeveelheid toe van 22 gulden naar 39 gulden per hoofd van de bevolking. Ubachs (2000), pp. 319-323. Omdat er niet voor iedereen werk was, heerste er echter ook grote werkloosheid, armoede en criminaliteit (zie onder andere 'bokkenrijders').

De bevolking nam in deze periode nauwelijks toe. Het prinsbisdom Luik telde eind 18e eeuw circa 380.000 zielen. Het hele Maasland - het prinsbisdom met enkele kleinere vorstendommen en de steden Aken en Maastricht - telde in deze periode zo'n half miljoen inwoners, waarvan ongeveer een derde in de steden. Binnen het prinsbisdom was de stad Luik met ruim 50.000 inwoners verreweg de grootste. Het inwonertal van de garnizoensstad Maastricht schommelde sterk: rond 1700 had de stad ruim 25.000 inwoners, maar in vredestijd slonk dit tot circa 16.000. (2016): De kleine Geschiedenis van Maastricht voor dummies, p. 69. BBNC Uitgevers, Amersfoort. . Aken had aan het eind van de 18e eeuw evenveel inwoners als aan het begin van de eeuw: ongeveer 24.000. Daarna volgden op afstand de kleinere steden Verviers, Sint-Truiden, Herstal, Theux, Tongeren, Hasselt en Hoei, met elk tussen de 5 en 10.000 inwoners, en een twaalftal stadjes met tussen de 2 en 5.000 inwoners.Morsa (1987), p.75.

thumb|150px|left|Franciscus Karel de Velbrück

Culturele en intellectuele leven In de tweede helft van de 18e eeuw was er sprake van een sterke culturele opleving in het prinsbisdom, vooral onder het liberale bewind van de prins-bisschoppen Johan Theodoor van Beieren (1744-1763) en Franciscus Karel de Velbrück (1772-1784).De Luikse historicus Jean Lejeune noemde de periode 1723-1789 "l'âge d'or de la bourgeoisie", een "gouden eeuw van de burgerij". Lejeune (1948), pp.163-186. In Luik en andere steden werden vrijmetselaarsloges opgericht. Prins-bisschop de Velbrück stond niet onwelwillend tegenover de vrijmetselarij en onder zijn bewind werd de Verlichting krachtig doorgevoerd. In 1779 werd te Luik de Société d’Émulation opgericht, een sociëteit die poogde het niveau van kunst en wetenschap omhoog te tillen. Het sterk verbreide verlichte denken in de hoofdstad van het prinsbisdom kan ertoe bijgedragen hebben dat in 1789, nauwelijks een maand na de Franse Revolutie, de Luikse Revolutie uitbrak.

Via de stad Luik drongen de ideeën van de Verlichting geleidelijk ook elders door, hoewel de meerderheid van de bevolking ongeletterd was en trouw bleef aan de katholieke leer. In 1773 werd de Jezuïetenorde door de paus opgeheven, waardoor een tiental jezuïetenkloosters en -colleges in het Maasland verdwenen. In de Oostenrijkse gebieden leidde de verlichte politiek van keizer Jozef II ook tot opheffing van kloosters en werd het kerkelijk leven aan banden gelegd, wat tot massale protesten leidde.

Het culturele leven in Maastricht speelde zich grotendeels af in sociëteiten. De intellectuele bovenlaag van de burgerij, de aristocratische kapittelheren en het officierencorps, waren sterk Frans georiënteerd, zelfs verfranst. Brandpunten van Verlichtingsdenken waren de Groote Sociëteit aan het Vrijthof (1760), de vrijmetselaarsloges La Constance (1750) en La Persévérance (1763) en de lokale afdeling van de Société d’Émulation (1784). Door de vestiging van de Franse drukkers Jean-Edmé Dufour en Philippe Roux speelde Maastricht een rol bij de verspreiding van de ideeën van de Verlichtingsfilosofen.Zie proefschrift L. Spronck, Theodoor Weustenraad (1805-1849) en de ‘Percessie van Scherpenheuvel’, p. 17 (online tekst op dbnl.org).

In Aken, Spa en Chaudfontaine ontwikkelde zich vanaf het begin van de 18e eeuw het badtoerisme, met dien verstande dat uitsluitend de welgestelden zich een verblijf in een kuuroord konden veroorloven. In de mondaine badplaats Spa mengden zich gekroonde hoofden, Europese adel, rijkgeworden kooplieden en fabrikanten, officieren en kanunniken, met elegante vrouwen, avonturiers (Casanova bijvoorbeeld), gokverslaafden en ingebeelde zieken.

Schilderkunst 17e eeuw In de 17e eeuw bleef de schilderkunst in het prinsbisdom Luik achter bij omringende regio's (bijvoorbeeld Antwerpen en de Hollandse Republiek). De Luikse schilder Gerard de Lairesse (1640-1711) vertrok al vroeg in zijn carrière naar Utrecht en Amsterdam. De Maastrichtenaar Hendrik de Fromantiou (ca. 1633-na 1693) was voornamelijk werkzaam aan het Brandenburgse hof in Berlijn; de Roermondenaar Jan Frans van Douven (1656-1727) werkte aan het hof in Düsseldorf. Andere schilders zoals Gérard Douffet (1594-1660), Walthère Damery (1614-1678), Bertholet Flémal (1614-1675), Jean-Guillaume Carlier (1638-1675) en Englebert Fisen (1655-1733) bleven in Luik en vormden daar de . De meeste opdrachten kwamen van het prinsbisschoppelijk hof en andere adellijke families, en van kloosters en kapittels in de regio.

18e eeuw In de 18e eeuw bereikten de Luikse barokschilders Edmond Plumier (1671-1733), Paul-Joseph Delcloche (1716-1755), Nicolas de Fassin (1728-1811), Léonard Defrance (1735-1805) en Pierre-Michel de Lovinfosse (1745-1821) en de Luiks-Maastrichtse schildersfamilie Coclers een zekere faam. De bekendste leden van de Coclers-familie waren Philippe Coclers (ca. 1660-1721), zijn zoon Jean-Baptiste Coclers (1696-1772) en kleinzoon Louis Bernard Coclers (1740-1817). De schilder Johann Friedrich August Tischbein (1750-1812) werd te Maastricht geboren, maar werkte zijn hele leven elders.

Beeldhouwkunst 17e eeuw De belangrijkste Luikse beeldhouwer uit de barokperiode is Jean Del Cour (1627-1707), ook wel 'de Luikse Bernini' genoemd.Timmers (1977), p.216. Delcour had in Rome gestudeerd en bezat een eigen steenhouwerij in Theux. Zijn werk bevindt zich in tal van kerken en musea in en buiten Luik. Bekend is ook zijn fontein op de Markt in Luik, waarop de Luikse perroen is geplaatst. Del Cour's belangrijkste rivaal in Luik was Arnold de Hontoire (ca. 1630-1709), die in 1694 het grafmonument van prins-bisschop Johan Lodewijk van Elderen mocht ontwerpen (thans in de Sint-Martinuskerk in Genoelselderen). Een overweldigende indruk van het werk van zowel Del Cour als De Hontoire geeft het interieur van de Sint-Jacobskerk in Luik. In tegenstelling tot eerstgenoemde had De Hontoire verschillende leerlingen en navolgers, onder anderen Robert Verburg (ca. 1654-1720) en Cornelis van der Veken (1666-1740).

In de omgeving van Maastricht werkte Joannes Bossier (ca. 1640-ca. 1700). Hij ontwierp onder andere het grafmonument van de graaf en gravin van den Berg in de Dominicanenkerk, dat begin 19e eeuw werd overgebracht naar de Sint-Servaaskerk. Van Artus Quellinus de Jonge (1625-1700), in Sint-Truiden geboren, maar voornamelijk werkzaam buiten het prinsbisdom, is het marmeren praalgraf van abdis Anna Catharina de Lamboy, oorspronkelijk in de abdij van Herkenrode, thans in de Virga Jessebasiliek in Hasselt. De Luikenaren Jean Varin (1607-1672) en Gérard-Léonard Hérard (1636-1675) waren voornamelijk werkzaam in Parijs en Versailles.

18e eeuw De bekendste namen van Luikse beeldhouwers uit de 18e eeuw zijn: de eerder genoemde Cornélis Vander Veken (1666-1740), Renier Panhay de Rendeux (1684-1744), Jacques Vivroux (1703-1777), Guillaume Évrard (1709-1793) en François-Joseph Dewandre (1758-1835). Van Vivroux zijn een groot aantal heiligenbeelden in diverse Luikse kerken bewaard gebleven. Évrard ontwierp de grafmonumenten van maar liefst drie prins-bisschoppen in de Sint-Lambertuskathedraal: in 1744 het mausoleum van George Lodewijk van Bergen (grotendeels vernietigd), in 1763 dat van Johan Theodoor van Beieren (vernield) en in 1772 dat van Karel Nicolaas Alexander d'Oultremont (verplaatst naar de kapel van het kasteel van Warfusée). Na de dood van Franciscus Karel de Velbrück in 1784 kreeg Dewandre de opdracht voor diens grafmonument in de Lambertuskathedraal, dat thans te zien is in de kloostergang van de Sint-Pauluskathedraal.

De Namense beeldhouwer Denis-Georges Bayar (1690-1774) kreeg veel opdrachten van abdij- en kapittelkerken in het prinsbisdom (onder andere in Gembloers, Floreffe, Walcourt, Heylissem, Averbode, Sint-Truiden, Hakendover en Maastricht). De in Gent geboren beeldhouwer Laurent Delvaux woonde weliswaar een groot deel van zijn leven in de Luikse stad Nijvel, maar werkte in de hele Zuidelijke Nederlanden en daarbuiten. De in zijn tijd beroemde Vlaamse beeldhouwer Gabriël Grupello werkte voornamelijk in Brussel en Düsseldorf, maar vestigde zich aan het eind van zijn leven op het kasteel Erenstein in Kerkrade. De Akense bouwmeesters Johann Joseph Couven en Jakob Couven ontwierpen enkele fonteinen in de openbare ruimte. J.J. Couven maakte in 1735 het ontwerp voor het hardstenen bekken van de Karlsbrunnen (Karelsfontein), waarop een begin 17e eeuw in Dinant gegoten beeld van Karel de Grote en een eveneens 17e-eeuwse bronzen schaal werden geplaatst.

Architectuur