miniatuur|Situatie in de 3e eeuw.miniatuur|Beeldje van een Frank De Frankische tijd is de periode die in de Lage Landen begint aan het eind van de Romeinse tijd met de immigratie van de Franken in de 3e eeuw en eindigt nadat het Karolingische Rijk in de 9e eeuw uiteenvalt. De Frankische tijd wordt gekenmerkt door het leggen van de basis voor het feodale stelsel met de groei van steeds grotere territoriale gebieden die ten slotte onder een keizer tot een groot Frankisch Rijk worden samengevoegd, en wordt beschouwd als een tijdperk van staatsvorming waarin de Lage Landen een belangrijke rol speelden.L. van der Tuuk (2009): Koningen en krijgsheren: de Franken in de Lage Landen Samenvatting De uitbreiding ging doorgaans gepaard met veel strijd en bruut geweld. Aan innerlijke verdeeldheid en strijd zou uiteindelijk ook dit rijk ten onder gaan, maar parallel daaraan en er nauw mee verweven heeft zich tegen dan een hoofse cultuur ontwikkeld van zekere verfijning, die vooral steunde op de waarden van het vroege christendom, dat reeds in de Gallo-Romeinse periode was opgekomen maar zich nu mede dankzij de Frankische steun uitbreidde.

Voor het midden van de 3e eeuw werd de naam van de Franken nergens vernoemd.De Boone (1954) p. 13 Maar vanaf de aanvang van die eeuw beginnen Germaanse stamnamen plaats te ruimen voor die van Franken en Saksen, waarschijnlijk door aansluiting in grotere stamverbanden.Jansen, H.P.H. (1995): p. 18

Vestiging van de Franken in de Nederlanden

De vestiging van de Franken in de Lage Landen verliep, zij het met hier en daar enkele schermutselingen, al bij al relatief vreedzaam als een kolonisatieproces over meerdere eeuwen gespreid, waarbij generaties na generaties Germanen zich op zoek naar gunstige onbewoonde of verlaten vestigingsplaatsen zuidwestwaarts begaven.

Onder de kolonisatie van Gallië door de Romeinen was de plaatselijke Gallische (Keltische) bevolking met de Romeinse cultuur geassimileerd geraakt (Romanisatie). Doordat de oorspronkelijk Keltische bevolking van de Lage Landen bezuiden de Rijn toen getalsmatig de overhand hield boven de nieuwe Romeinse elite, had de resulterende Romeins-Keltische mengcultuur haar geheel eigen karakter verkregen. Een gelijkaardig proces zou zich herhalen met de intocht van de Franken in het zuiden, waar onderwijl deze Keltoromanen de overhand hadden.

Schelde- en Maasbekken waren aanvankelijk nog ingenomen door Morienen in Vlaanderen - dat tot eind 4e eeuw heidens bleef -, Menapiërs en Nerviërs in Brabant en Henegouwen, Eburonen in Limburg, Aduatieken, Condruzen, Cerezen, Pemanen en Trevieren in de Ardennen, maar de druk van de Germanen op Gallië was groot.

Geleidelijke infiltratie gemengd met strijd In 286 hadden (Ripuarische) Franken zich reeds als kolonisten in de onbewoonde delen van de landen der Morienen en der Trevieren mogen vestigen. Stamhoofden van hen waren allianties aangegaan met de Romeinen en kregen het statuut van foederati om de Romeinse grens te verdedigen. In 294 en 295 behaalde onderkeizer Constantius I Chlorus een aantal overwinningen op de Franken in de buurt van de Rijnmonding, maar liet hen toe in de Betuwe te wonen. (1995): p. 21 Veel Franken namen dienst in Romeinse hulplegers als laeti. Deze Franken werden geleidelijk door de Romeinse cultuur beïnvloed.

Begin 4e eeuw was het gebied dat de Rijnbocht tussen Keulen en de Noordzee vormt onophoudelijk het strijdperk tussen Salische Franken en Romeinen geworden. De meeste Kelten gingen zich zuidelijker in de Lage Landen vestigen, toen het noorden van Gallië voortdurend door deze oorlogen werd geteisterd en de landbouw en Keltische vestigingsplaatsen er grotendeels vernield raakten. Zij hadden zich veilig teruggetrokken tot achter het Carbonaria silva terwijl in het oosten hun gebied door het Ardeense woud van de Germanen werd gescheiden. Samen met de geromaniseerde Kelten verdween ook het christendom weer uit het noorden van de Lage Landen.

De streek ten noorden van de Ardeense heuvelen en Henegouwen was intussen in een desolaat landschap herschapen. In 358 overwon Keizer Julianus de Saliërs, maar moest hen toelaten zich in het verlaten en onvruchtbare Toxandrië te vestigen, waar zij eveneens de status van foederati kregen. Toen de Romeinse troepen naar Rome werden teruggeroepen schiep dat een open uitnodiging voor Germaanse stammen om zich in de Lage Landen te begeven.

Definitieve doorbraak Toen in 406 de Vandalen in Gallië binnenvielen, wisten de Franken gebruik te maken van de toegenomen druk op het Romeinse leger om in de daarop volgende eeuw hun invloedssfeer en woongebied in de Lage Landen steeds verder over dunner bevolkt gebied uit te breiden.

Nadat de Ripuarische Franken het gebied boven de Benedenrijn (de Betuwe en Hamaland) hadden bevolkt, begaf het nageslacht van de Salische Franken van de Kempen (Toxandrië) zich in de 5e eeuw geleidelijk verder het vlakke lage land in en bevolkte er het bekken van Leie en Schelde steeds verder zuidwaarts. Talrijke Vlaamse dorpen met het achtervoegsel ingem herinneren nog aan de naam van een Frankisch stamhoofd die ze als nieuwe plaats voor zijn familie vestigde. Toen in 431 hun voorhoede bij Doornik uitkwam werd een open conflict aan de nieuwe noordgrens van het Romeinse Rijk onvermijdelijk. De soldaten van Aëtius hadden zich aan de linie van de Romeinse heirbaan verzameld. De Saliërs veroverden de stad. Onder leiding van hun aanvoerder Chlodio veroverden ze met geweld de bovenvallei van de Leie en de gouwen benoorden de Somme, terwijl andere koningen Cameracum (Kamerijk) en de latere steden Atrecht en Terwaan innamen. In Boulogne, waar de bevolking al lang door de zeerovers geteisterd was, vestigden zij zich in groten getale tot aan de Kwinte en hun taal verdrong er het Romaans. miniatuur|Situatie tussen 400 en 440. De Ripuariërs waren intussen tegen 450 zuidwaarts de Maas overgestoken en vestigden zich rond de heirbaan Tongeren-Boulogne in de open vlakte van Haspengouw, die in het zuiden door het ondoordringbare Kolenwoud werd afgezoomd. De Gallo-Romeinse bevolking, die de schaars bevolkte zandvlakten daar verlaten had, vestigde zich ten zuiden van de Belgische heirbaan. Deze Belgoromeinen van Keltische oorsprong die in de voort ontgonnen plekken van het woud woonden noemden de Franken Wala.Pirenne (1902): p. 14 De huidige taalgrens in België geeft nog steeds de scheiding aan van de stellingen die respectievelijk de Germaanse en de Romaanse taalgroepen in die tijd hadden ingenomen.Pirenne (1902): p. 11, 15 In het westen werden de Ripuariërs gestuit door de moerassen van de Kempen, waarachter het gebied van de Saliërs begon dat tussen de Dijle en de Schelde lag. miniatuur|Machtsgebied van Syagrius. (De omvang is enigszins onzeker). Nadat in de 5e eeuw de Romeinse legers zich uit de Lage Landen steeds verder naar het zuiden hadden teruggetrokken, wist Syagrius nog enige tijd (476-486) een autonome Gallo-Romeinse staat tussen de Somme en de Loire in stand te houden, met een hoge concentratie aan Keltoromanen of geromaniseerde Keltische stammen van weleer. Maar het gebied west van de Midden-Rijn, het westelijk deel van België en het noordoosten van Frankrijk ontsnapte tegen 480 volkomen aan de Romeinse controle. De voormalige provincies Germania Inferior, Superior, en grote delen van Belgica Prima en Secunda waren nu definitief in handen van de Franken. De relatief kleine bevolking van Keltoromanen ging op in de Frankische meerderheid aldaar en het Latijn verdween als algemene omgangstaal benoorden de taalgrens.

Uitbreiding van het invloeds- en leefgebied naar het zuiden Tijdens de inval van de Hunnen in Gallië, onder Attila, streden de Franken aan de zijde van de Romeinen in de Slag op de Catalaunische Velden in 451. De Franken moesten nog lange tijd de Somme als zuidelijke grens van hun gebied erkennen, maar onder Childerik veranderde dat, want deze ondernam bloedige veldslagen tegen de bevolking in wat nu het noorden van Frankrijk is en breidde het rijk uit tot aan de Loire. Na een periode van hevige strijd vestigden de Salische Franken zich in dit gebied en mengden er zich met de daar al sinds de Romeinse tijd gekerstende bevolking. De christelijke Kerk had er zich reeds gestructureerd in bisdommen en diocesen die overeenkwamen met de voormalige civitates (de oude Keltische gouwen), die werden geleid door bisschoppen, bijgestaan door hun priesters die de diocesen voor hun rekening namen. De verfijning van hun cultuur stond in schril contrast met de ruwheid van de oorlogszuchtige Franken, die intussen met geweld hun gebied zelfs tot over de Rijn hadden uitgebreid terwijl ze in het noorden hevig tegen de Friezen en Saksen tekeer gingen. Maar de belangen van de ene cultuur vulde de andere wel aan, in die zin, dat de op Romeinse leest geschoeide organisatie van het gekerstende land, met bisschoppen aan het hoofd van meerdere diocesen, voor een relatieve staatkundige orde zorgde, terwijl die bisschoppen van hun kant hen als verdedigingstroepen beschouwden om 'hun' verloren land in het noorden te heroveren en te beschermen.

Ontstaan van het Frankische Rijk

Onder de Merovingers miniatuur|Zegelring van Childerik I (± 436 - ± 481) miniatuur|Het zuiden van de Lage Landen met vermoedelijke grenzen van bisdommen, stedelijke nederzettingen en abdijen, ca. 7e eeuw Nadat de eerste koning van de Merovingische Franken Childeric I die zich in Doornik had gevestigd in 481/82 overleed, nam zijn zoon Clovis I het bestuur over. Hij bond de strijd aan met andere Frankische leidersfiguren en breidde zijn rijk uit tot het grootste deel van Gallië. Rond 500 verenigde Clovis beide groepen Franken in het Merovingische Rijk. Van het Oud-Gallische Parijs maakte hij zijn hoofdstad.

Op aanstichten van zijn vrouw Chlotildis bekeerde hij zich tot het christendom en verleende daarmee zijn steun aan de opkomende institutionalisering van de kerkgemeenschap. De latere Frankische koning Dagobert moedigde de Frankische kerk aan in een offensief dat tot de vorming van het bisdom Terwaan in de civitas van de Morini bijdroeg. De samenwerking tussen kerk en edelen bereidde aldus de weg voor uitbreiding van de politieke macht naar het noorden tot aan het gebied van de Friezen.

Tot het kustgebied van Vlaanderen waren de Franken niet doorgedrongen. De Friezen, wellicht met langs de zee gekomen Saksen vermengd, bevolkten ook die streek. De Friezen behoorden tot een Noordzeecultuur, die zich sterk tegen de Frankische macht afzette. Zij speelden een belangrijke rol in het handelsnet dat het Rijngebied met de Maas en het overzeese Britannia verbond. Wel haalden ze producten op uit het zuiden van de Lage Landen, het Maasplateau en het Rijnland, toen de Merovingische macht daar reeds een stevige voet aan de grond had. Er ontwikkelden zich daar onder meer dankzij hen handelscentra zoals Dinant, Hoei, Luik en Namen.

Tegen het eind van de eeuw hadden afstammelingen van de Salische Franken, die zich in de streek beneden het Kolenwoud (Carbonaria silva) en boven de Loire gevestigd hadden in toenemende mate de Romaanse invloed van dit dichter bevolkt gelatiniseerd gebied ondergaan. De Ripuarische Franken daarentegen, die hun gebied vanuit het oosten richting Schelde uitbreidden, bevonden zich in relatief dun bevolkt of door de Gallo-Romeinen geëvacueerd gebied, en betekenden daarom een Germaanse overmacht in deze regio van de later Zuidelijke Nederlanden.