De Russische grondwetgevende vergadering (Russisch: Всероссийское Учредительное собрание, Vserossiejskoje Oetsjreditelnoje sobranieje) was het democratisch gekozen orgaan dat een grondwet voor Rusland moest vaststellen. Een andere naam voor de Grondwetgevende Vergadering is Constituante. De Grondwetgevende Vergadering wordt algemeen beschouwd als het eerste democratisch gekozen orgaan in de Russische geschiedenis. De eerste bijeenkomst van de Grondwetgevende Vergadering werd gehouden op 18 en 19 januari 1918 en duurde 13 uur. De Grondwetgevende Vergadering werd ontbonden door de bolsjewistische communisten en de linkse sociaal-revolutionairen. Deze gebeurtenis wordt vaak gezien als het begin van de dictatuur van de bolsjewieken.
Oorsprong Een democratisch gekozen parlement en een Russische grondwet was een van de belangrijkste eisen van de liberalen en socialistische revolutionairen. Tijdens de Revolutie van 1905 had de tsaar bepaald dat de mensenrechten erkend zouden worden en dat er verkiezingen voor een parlement (staatsdoema) zouden worden gehouden. De Doema had niet de bevoegdheid gekregen om een nieuwe grondwet te schrijven of de monarchie af te schaffen. De macht van de Doema viel in de handen van de liberale Constitutioneel-Democratische Partij en de troedoviken in plaats van de marxisten. De tsaristische regering ontbond in juli 1906 de Doema en in 1907 werd een nieuwe Doema gekozen. De kieswet die door de regering na de tweede ontbinding op 16 juni 1907 werd ingevoerd, was in het voordeel van de landbezittende en de heersende klasse. Na 1907 werd de macht van de Doema verder beperkt door regelmatige veto's van de tsaar of de leden van het Hogerhuis. Daardoor werd de Doema niet gezien als representatief voor de lagere werkende klasse. De roep om een grondwetgevende vergadering verkozen volgens het algemeen kiesrecht hield daardoor onverminderd aan.
Achtergrond Voorlopige Regering
Na de abdicatie van tsaar Nicolaas II tijdens de Februarirevolutie van 1917 werd de macht aan de Voorlopige Regering overgedragen onder de leiding van de liberaal Georgi Lvov. De Voorlopige Regering werd zo genoemd omdat zij ontstaan was uit parlementariërs die claimden dat ze voorlopig de macht in handen hadden om de verkiezingen van de Grondwetgevende Vergadering te organiseren. Zij waren in 1912 immers als laatste (vierde) Doema gekozen.
Groothertog Michael weigerde om zonder toestemming van een Grondwetgevende Vergadering de troon van zijn broer Nicolaas II over te nemen. Bovendien werd algemeen aangenomen dat alleen een Grondwetgevende Vergadering het staatsbestel in Rusland kon veranderen. Ondanks de oorspronkelijke belofte van verkiezingen voor een Grondwetgevende Vergadering riep de Voorlopige Regering - na de julidagen - de Russische republiek uit. Voor de monarchisten was dit onacceptabel.
De bolsjewieken en de Grondwetgevende Vergadering De positie van de bolsjewieken over Grondwetgevende Vergadering veranderde tijdens het jaar 1917. Net zoals alle andere socialistische partijen steunden ze de verkiezing van een Grondwetgevende Vergadering. Vladimir Lenin vond dat de vraag voor het uitroepen van een Grondwetgevende Vergadering als onderdeel van het bolsjewistische programma volledig gelegitimeerd was, omdat de Grondwetgevende Vergadering de hoogste vorm van een democratie representeerde. Na de terugkeer van Lenin uit Zwitserland in april 1917 veranderde het beleid doordat de bolsjewieken de slogan "Alle macht aan de Sovjets verkondigden. De bolsjewieken waren tegen "burgerlijke" parlementaire organen waren zoals de Grondwetgevende Vergadering. De bolsjewieken steunden de opkomst van direct gekozen raden van arbeiders die tijdens de Februarirevolutie opkwamen.
Op 7 november 1917 werd dit beleid uitgedragen tijdens de Oktoberrevolutie tegen de Voorlopige Regering in Petrograd. De opstand in Petrograd vond tegelijkertijd met het Tweede Al-Russische congres van sovjets van arbeiders en soldaten plaats. Tijdens het congres liepen de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen weg uit protest tegen de bolsjewistische staatsgreep.
In de daaropvolgende weken verkregen de bolsjewieken steeds meer macht in stedelijke gebieden van Groot-Rusland in handen, maar nauwelijks in landelijk gebieden en in gebieden waar niet-Russische etnische groepen woonden. Ondanks dat de bolsjewieken de persvrijheid van alle niet-socialistische media beperkten en leden van de liberale Constitutioneel-Democratische Partij vervolgden, gingen de verkiezingen voor de Grondwetgevende Vergadering op 25 november, zoals voorgesteld door de Voorlopige Regering, toch door. De bolsjewistische regering riep zichzelf uit tot de nationale regering en zei dat ze de wil van de Grondwetgevende Vergadering zou opvolgen.
Verkiezingsuitslagen thumb|Foto van het Taurische Paleis
De verkiezingen leken een succes, omdat zestig procent van de stemgerechtigden kwam opdagen. Als gevolg van de grote oppervlakte van het land, het feit dat de Eerste Wereldoorlog nog steeds aan de gang was en de slechte communicatiesystemen, waren de resultaten niet overal even goed beschikbaar. publiceerde de resultaten van 54 van de 79 kiesdistricten in Een jaar na de Russische Revolutie. 1917-18, gepubliceerd door de uitgeverij Zemlja i Volja uit Moskou in 1918 waarin en deze resultaten werden door alle partijen geaccepteerd.
De uitslag was dat de bolsjewisten tussen 22% en 25% van de resultaten en daarmee waren ze in de stedelijke districten en onder soldaten aan het front (twee derde van de stemmen) duidelijk als winnaar aan te wijzen. In Moskou kregen de bolsjewieken 47,9% van de stemmen, kregen de constitutioneel-democraten 35,7% van de stemmen en kregen de sociaal-revolutionairen 8,1% van de stemmen. Op het platteland kregen de sociaal-revolutionairen 57-58% van de stemmen (62% als stemmen op de geallieerde partijen erbij worden opgeteld) en hier woonde 80% van de bevolking. Er trad een splitsing op binnen de sociaal-revolutionairen, wat leidde tot steun aan de bolsjewieken door de linkervleugel van de sociaal-revolutionairen.
Tussen de verkiezingen en het bijeenkomen van de Grondwetgevende Vergadering Toen het erop begon te lijken dat de Grondwetgevende Vergadering meestal niet in het voordeel van de bolsjewieken uitwerkte, begonnen Lenin aan de toegevoegde waarde van deze instantie te twijfelen. Op 27 november vertelde Lenin op het bijzondere congres voor sovjetvolksvertegenwoordigers dat de Grondwetgevende Vergadering de burgers niet moest afleiden van de strijd tegen privé-eigendom.
Op 4 december 1917 bepaalde volkscommissaris voor de marine Pavel Dybenko dat 7.000 bolsjewistische matrozen uit Kronstadt "volledig alert" moesten blijven in het geval van een convocatie van de Grondwetgevende Vergadering, welke op 9 december kwam. Een bijeenkomst van 20.000 "soldaten, zeelieden, arbeiders en boeren" uit Kronstadt verklaarde dat ze alleen een Grondwetgevende Vergadering trouw bleef die "zo samengesteld is, dat deze de verworvenheden van de Oktoberrevolutie bevestigt", vrij van "aanhangers van Aleksej Kaledin en leiders van de burgerlijke contrarevolutie".
De splitsing van de sociaal-revolutionaire linkse en rechtse revolutionairen in november leidde uiteindelijk tot een coalitie tussen de bolsjewieken en de linkse sociaal-revolutionairen. Op 11 december 1917 verklaarde de sovjets de constitutioneel-democraten als "een partij die een gevaar voor het volk is". De Constitutioneel-Democratische Partij werd verboden en haar leiders werden opgepakt. De bijeenkomst van de Grondwetgevende Vergadering werd uitgesteld tot januari. De bolsjewieken gaven "technische moeilijkheden" en sabotage van de andere partijen de schuld van het uitstellen van de bijeenkomst.
Op 26 december 1917 werden de Theses over de Grondwetgevende Vergadering van Lenin anoniem gepubliceerd in de bolsjewistische krant Pravda. Hierin stelde Lenin dat "de revolutionaire sociaaldemocraten vanaf het begin van de revolutie van 1917 steeds vonden dat een Sovjetrepubliek een hogere vorm van democratie was dan een normale burgerlijke republiek met een Grondwetgevende Vergadering." Lenin beweerde tevens dat de Grondwetgevende Vergadering geen goede representatie van het Russische volk was. De partij met de meeste kiezers (de sociaal-revolutionairen) was gekozen met een eenheidslijst, maar had zich sindsdien opgesplitst in een linkse sociaal-revolutionaire partij die voor samenwerking met de bolsjewieken was en een rechtse sociaal-revolutionaire partij tegen de bolsjewieken. Haar vertegenwoordiging was daardoor niet meer representatief.
Niet alle leden van de bolsjewistische partij waren van plan om in te stemmen met deze plannen, omdat die erop leken dat de Grondwetgevende Vergadering in de verdrukking kwam. In december waren de gematigde bolsjewieken in de meerderheid. Tijdens een bijeenkomst van het centrale comité van de bolsjewieken op 24 december zorgde Lenin ervoor dat alle gedelegeerden zijn standpunt volgden.
Bijeenkomst in Petrograd thumb|Demonstratie als steun voor de Constituante op 18 januari 1918 Op de ochtend van 18 januari kwam een grote menigte samen die de Constituante wilden steunen en ze marcheerden naar het Taurisch Paleis waar de Constituante zetelde, om steun te betuigen aan de Grondwetgevende Vergadering. De betogers werden vervolgd en de opstand werd door bolsjewieken neergeschoten.
De Grondwetgevende Vergadering kwam in het Taurische paleis bijeen tussen vier uur en twintig voor vijf in de nacht van 18–19 januari. De prominente bolsjewiek Ivan Skvortsov-Stepanov was door Lenin aangewezen om in een toespraak uit te leggen dat ze tegen de "burgerlijke democratie" waren en voorstander waren van een regering die boeren en arbeiders als een aparte klasse bestuurde.
De Grondwetgevende Vergadering werd gedomineerd door rechtse sociaal-revolutionairen die tegen de bolsjewieken waren. De leider van de rechtse sociaal-revolutionairen Viktor Tsjernov won met 244 tegen 153 stemmen van de linkse sociaal-revolutionaire Maria Spiridonova en werd daardoor tot voorzitter van de Grondwetgevende Vergadering verkozen. De bolsjewieken gingen niet akkoord en ze belegden het tweede congres voor sovjetafgevaardigden voor de raad. Deze afgevaardigden werden met 237 tegen 136 stemmen afgewezen.
Het was duidelijk dat de rechtse sociaal-revolutionairen die de Grondwetgevende Vergadering domineerden tegen een bolsjewistische regering was. De bolsjewieken en de linkse sociaal-revolutionairen belegden een bijeenkomst met het doel om de Grondwetgevende Vergadering te ontbinden. De volkscommissaris van de marine Fjodor Raskolnikov las een verklaring voor, waarna de bolsjewieken en de linkse sociaal-revolutionairen wegliepen. Lenin riep de soldaten om geen geweld tegen de gedelegeerden te gebruiken, maar te wachten totdat de bijeenkomst afgelopen was en de gedelegeerden uit zichzelf naar buiten waren gekomen. Rond vier uur vond het hoofd van de beveiliging van het paleis, een anarchistische matroos genaamd A. G. Dzjeleznjakov, het genoeg en hij zei tegen Tsjernov dat de bewakers moe waren en dat verzocht werd om de vergadering te sluiten zodat iedereen naar huis kon gaan.