Dit artikel behandelt de geschiedenis van de mode en het kostuum in Europa, van de klassieke oudheid tot 1999.
De geschiedenis wordt ingedeeld naar tijdperken en periodes die toonaangevend waren. Mode staat niet op zichzelf maar is nauw verbonden met historische gebeurtenissen, godsdienst, omgangsvormen, en kunst en cultuur. Bepaalde kleding past bij een bepaalde stijl; als een stijl verandert, verandert daarmee ook de kleding. Mode kan grillig en irrationeel zijn: soms kort, dan weer lang, wijd of smal, degelijk of uitdagend, en soms is mode onpraktisch of ongezond. Mode is afhankelijk van plaats, tijd, gender en sociale klasse.
Vaak was een hof of een grootstad toonaangevend. Deze chronologische beschrijving baseert zich dus op de haute couture en toonaangevende mode. Welgestelden waren meestal de eersten die zich een nieuwe mode eigen maakten en ook konden veroorloven. De brede bevolking volgde later, droeg een eenvoudigere versie, of deed niet mee met de trends. Sinds de opkomst van de confectie-industrie aan het eind van de 19e eeuw is de mode van iedereen.
Klassieke oudheid en vroege middeleeuwen (3000 v.C. tot 1000 n.C.) Het oude Egypte De Egyptische maatschappij was gebaseerd op een streng klassenstelsel en aan de kleding was deze stand te zien. Egyptenaren in de oudheid dragen vanwege de warmte weinig kleding. Vrouwen dragen kokervormige kleden van de oksels tot de enkels. Over de jurken werd soms een soort poncho gedragen, met of zonder mouwen, of alleen maar met twee draagbanden. De mannen zijn gekleed in heupschorten (shentis), die bij hooggeplaatste personen in een driehoek zijn geplisseerd. Sieraden zijn van goud en halfedelstenen. Men loopt blootsvoets of op sandalen. Haar wordt als onrein beschouwd en bij mannen afgeschoren; vandaar de pruiken en zelfs aangeplakte baarden.
Hellas (Griekenland) Bij de oude Grieken is het lichaam erg belangrijk; naaktheid is normaal. De kleding bestaat voornamelijk uit gewikkelde en gedrapeerde doeken, met als basis een rechthoekige lap stof. De kleding is vaak gekleurd en gedessineerd. Vrouwen en mannen dragen de Ionisch gedrapeerde chiton: een kort of lang hemd uit twee stukken stof, vastgehecht op de schouders met een speld en gedragen met een gordel, waaroverheen de stof soms wordt opgetrokken. De vrouwen dragen ook de Dorische wollen peplos, een rechthoekige lap die zodanig om het lichaam wordt geslagen dat één zijde open blijft en waarvan de bovenzijde wordt omgeslagen en versierd tot bolero. De vrouwen dragen een pruik of kunstig kapsel, bijvoorbeeld een chignon (soort knot). Mannen dragen ook gedrapeerde lappen, of een lap werd gewoon omgeslagen en vastgespeld. Mannen hebben lang, en later kort haar. Veel (oudere) mannen hebben een baard. Bijna iedereen uit het oude Griekenland loopt op sandalen.
Romeins Rijk Bij de Romeinen komt rang en stand wel tot uiting in de kleding. De basis is een tunica: een mouwloos kledingstuk, lang tot de knieën, van linnen of katoen, met een gordel. Vrouwen dragen verder een wollen gewaad (de stola), bijeengehouden met een speld, een fibula. Rijke vrouwen hebben ingewikkelde kapsels. Vrije Romeinen mogen bij officiële gelegenheden een toga over de tunica dragen: een grote lap stof die op een ingewikkelde manier om het lichaam wordt gedrapeerd. De Romeinse man draagt het haar kort en evenwijdig aan de wenkbrauwen geknipt, zonder baard. De haarverzorging is zeer verfijnd. Bijna iedereen draagt leren sandalen. Men kent vele soorten militaire kleding; algemeen is het leren kuras met metalen schubben. Aan de voeten van de Romeinen – en dan vooral soldaten – caligae. Ook de techniek van het quilten is bekend in de Romeinse oudheid. Na contacten met ‘barbaarse’ volken uit het koudere noorden worden later door soldaten ook broeken gedragen.
De vrouw draagt bij haar huwelijk een lange, witte jurk. Op die jurk draagt ze een wollen (teken van vruchtbaarheid) gordel om het middel, geknoopt met de Herculesknoop. Ze draagt ook een oranje sluier, maar haar gezicht wordt vrijgelaten. Op haar hoofd draagt ze een krans van zelfgeplukte bloemen. In haar haren draagt ze zes vlechten met wollen linten, de scheiding van de vlechten wordt gemaakt door een speerpunt gedoopt in bloed van een stervende gladiator. Over de huwelijkskleren van de man is weinig bekend. Alleen weten we dat hij ook bloemenkransen droeg, soms zelfs meerdere.
Byzantium en Europese volkeren (vroege middeleeuwen) De Byzantijnen van het Oost-Romeinse rijk dragen kleren die lijken op die van de Romeinen, maar zijn veel stijver en vormelozer door alle versieringen. Het West-Romeinse rijk valt in 476 o.a. door de inval van ‘barbaarse’ stammen. Bij de Merovingers (481 – 752) dragen de mannen een knielange tunica en broeken (braies), en de vrouwen een lange tunica (stola) met een langwerpige sjaal (palla). Iedereen heeft lang haar. Hierna komen de Karolingen aan de macht (768 – 950) en ontstaat het feodalisme, met boeren, edelen (ridders) en de kerk. De man draagt een lang broek, een kiel met mouwen, en een mantel. Het haar is kort. Vrouwenkleding bestaat uit een knielange tunica (cotte), een lange overtunnica (surcot) met gordel. Jonge vrouwen hebben los haar; naarmate het christendom meer doordringt dragen de vrouwen het haar gedekter. In Gallië (Frankrijk) en Germanië (Duitsland en Nederland) bestaat kleding uit dierenhuiden, linnen of wol. De man draagt een broek, kiel (hemd) tot de heupen, een mantel en leren schoenen. De vrouwenkleding bestaat uit een rok, jakje, mantel en schoenen. Het haar is lang en wordt los of in een knot gedragen. De sieraden van brons en koper zijn vaak spiraalvormig. In de 9e en de 10e eeuw vallen Vikingen (Noormannen op zee) Europa binnen. De man draagt een strakke wollen broek, een linnen blouse met lange mouwen, daarover een wollen shirt of vest, leren schoenen, en een helm (zonder hoorns!). Vrouwen dragen een lange linnen jurk met daarover een schort, en lang haar onder een hoofddoek. Er worden veel sieraden gedragen.
Late middeleeuwen (1000-1500) Romaanse tijd (1000-1200) Als de invallen zijn opgehouden en de bevolking groeit, komt rond het jaar 1000 een herleving van economie en cultuur. Kruisvaarders (1096 – 1271) brengen stoffen en kleding mee terug. Vrije burgers vestigen zich in steden en er komen gilden. Er ontstaat een nieuwe Romaanse kledingstijl: eenvoudig, degelijk en stevig, met een verticale lijn en rijk versierd. Vrouwen dragen zedige kleding, bestaande uit een lang onderhemd (chainse), een onderkleed (cotte) en een iets korter strak overkleed (bliaud). De ronde halslijn krijgt later een diepe split. Het accent komt op de taille en boezem te liggen door een elastisch taillestuk met kruislingse koorden. De mouw wordt steeds wijder. Ongehuwde vrouwen dragen het haar in lange vlechten; gehuwde vrouwen dragen een hoofddoek of ze slaan een stuk van een mantel over hun hoofd. De mannenkleding bestaat uit hemd, kleed, een korter overkleed, een gordel en mantel, en een soort broek of kousen (beenlingen of hosen). Mannen hebben (half)lang haar met baard en snor. Rijken dragen leren schoenen of laarzen; het gewone volk loopt op blote voeten of op houten zolen met riemen (patins). Veel gebruikte motieven in de Romaanse tijd zijn cirkels, vierkantjes, palmettes (soort palmblad) en acanthus (gekruld blad). Randen zijn geborduurd. De kleuren van de kleding zijn fel en primair: rood, geel, blauw, en groen.
Gotiek (1200-1500) Vanaf ±1200 ontstaat de gotiek, met zijn verticale lijnen die omhoog reiken naar de hemel. De kerk heeft grote invloed op het dagelijks leven. De rijken onderscheiden zich met familiewapens of heraldische emblemen op kleding in mi-parti (links en rechts verschillend). Door contacten van de adel krijgt de mode een internationaal karakter. In de 14 en 15e eeuw lijdt Europa onder een pestepidemie en de Honderdjarige Oorlog. Als reactie hierop wordt de kleding luxe en verfijnd en benadrukt de lichaamsvormen. Door de bloeiende kleermakersgilden en rijk geworden burgers wordt fraaie kleding voor meer mensen beschikbaar. De adel draagt felgekleurde kleding: rood, groen, blauw, en goud. Voor het volk zijn er doffere kleuren zoals bruin en grijs.
De kleding van de vrouw bestaat uit een onderhemd, een kleed (cotte) met lange mouwen, en daar overheen een overkleed (surcot) zonder mouwen. Het silhouet is van boven smal, naar onder wijd uitlopend. In het overkleed ontstaan zeer wijde armsgaten, ook wel ‘hellevensters’ genoemd. Rond 1380 verschijnt de houppelande, een lang en wijd overkleed met hoge taille en versierde of geschulpte randen. Na 1460 worden de lijnen overdreven verticaal. De vrouw draagt een korset, een japon met decolleté en lange strakke mouwen, een hoge gordel, een punthoed (atour), en platte puntschoenen. Door het knoopsgat kan kleding strakker worden getailleerd. Er zijn veel verschillende haardrachten en hoofddeksels, zoals een haarband met kinband, sluiers, opgerolde vlechten in rollen of hoorntjes, en hartvormige of puntige hoofddeksels. De haargrens, en soms ook de wenkbrauwen, worden weggehaald voor een modieus dik en glad gezicht.
Mannenkleding is kleurig, kort en nauw. Het kleed met lange mouwen reikt tot de knie. Het overkleed is er in allerlei modellen: kort of lang, los of met gordel, met of zonder mouwen. Na ca. 1330 komen zeer wijde mouwen in de mode (liripipes). Opvallend zijn de kousen, meestal mi-parti. Verder wordt er een cape (tabbaard) gedragen. Einde 14e eeuw wordt de mode stoer en breed, en komt de houppelande in de mode. Later worden de jakken steeds korter, smal bij de heupen en breed bij de schouders, en met wijde pofmouwen. Nieuwe is de broekklep of schaamklep: een zakje om het gat aan de voorkant tussen de kousen (hosen) op te vullen. Het haar is halflang, kort op het voorhoofd en gekruld, daarna een pagekop; later wordt het haar weer wat langer. De mannen dragen een hoofdband, muts, baret, tulband, hoed, of kaproen met lange punt. Verder puntige (toot)schoenen, laarzen, patins, of een leren zool onder de hosen.
Renaissance (1440-1600) Italiaanse renaissance (1440-1500) In het midden van de 15e eeuw begint in Italië de renaissance: de wedergeboorte van de klassieke oudheid. Kennis en kunst – en ook mode – verspreiden zich over Europa (ook door boekdrukkunst). Door nijverheid en handel wordt goed geld verdiend en ook uitgegeven aan kleding. De mens als individu staat centraal (humanisme) en men besteedt aandacht aan het uiterlijk. De mode wordt opvallender en heeft rustige, verbredende accenten. De vorm is eenvoudig, de stoffen echter zijn zwaar en luxueus. Over de onderjapon draagt de vrouw een overkleed met open zijkanten en pofmouwen. Aan het strakke lijfje zit een lange rok. Het haar wordt opgestoken, of gedragen met een haarnet, kap of sluier. De kleding van de man is breed en zwaar. Over het hemd tot aan het dijbeen wordt een jacquette gedragen. Daarover een wijde jas met brede revers. Men draagt hosen in meerdere kleuren of met een patroon. Het haar is (half)lang, en geen baard of snor. De schoenen hebben ronde neuzen. Op de kleding zit veel goudborduursel, en nieuw is kant. Ook het gewone volk gaat allerlei kleuren dragen; vooral goudgeel. De dessins zijn grote bloemmotieven, granaatappels, geborduurde randen, en familiewapens.
Renaissance (1500-1550)