Paleis Oranjewoud, of Lustslot Oranjewoud, was een paleis dat in de Nederlandse plaats Oranjewoud (Friesland) heeft gestaan. Na de afbraak werd er in 1829 een nieuw landhuis op de fundamenten van het paleis gebouwd, genaamd landgoed Oranjewoud.
Paleis Oranjewoud werd voornamelijk als zomerresidentie door de Friese Oranje-Nassaus gebruikt, waaronder door de Prinsen van Oranje. De Oranjes hadden meerdere bezittingen in het dorp, waarvan er een aantal nog steeds staan. Ook bestaan de meeste aangelegde bossen en parken nog. De Oranjes trokken veel andere adellijke huizen aan, waardoor ze een belangrijke en blijvende invloed op de regio hebben gehad. De Oranjes die op Oranjewoud resideerden, zijn de rechtstreekse voorouders van de huidige Koning Willem-Alexander.
Hoe de Oranjes in Oranjewoud terecht kwamen miniatuur|links|Albertine Agnes met haar zus Henriëtte Catharina (beide rechts) met hun ouders. Sinds 1587 leverde de Friese tak Nassau-Dietz de stadhouders van Friesland. Later zou juist deze tak in 1702 de titel Prins van Oranje erven, nadat de Hollandse tak met stadhouder-koning Willem III uitgestorven was. De Friese Nassaus woonden sinds 1587 op het Stadhouderlijk Hof in Leeuwarden. Ook hadden de Friese Nassaus in Leeuwarden een eigen familiegrafkelder.
Prinses en gravin Albertine Agnes van Oranje-Nassau hoorde bij de Hollandse tak van Oranje-Nassau en was als dochter van Frederik Hendrik van Oranje en Amalia van Solms in Den Haag geboren. Willem van Oranje was haar grootvader. Haar moeder liet zomerresidentie Huis ten Bosch bouwen en Albertine Agnes mocht na haar dood daar haar intrek nemen, maar ze betrok het niet en verkocht Huis ten Bosch aan haar neef.
Albertine Agnes trouwde met haar achterneef, de Friese stadhouder Willem Frederik van Nassau-Dietz. Hij was stadhouder van Friesland, en later van Drenthe en Groningen. Zo vertrok Albertine Agnes naar Leeuwarden. Albertine Agnes was namens haar zoon ook tot 1675 waarnemend stadhouder geweest, en tot haar zoon oud genoeg was, ook regentes van het graafschap Dietz in Duitsland. Daar liet ze ook een nieuw slot bouwen, slot Oranienstein. Ze bezocht het daarna opvallend weinig. Kennelijk had Albertine behoefte aan een voorname buitenplaats, dicht bij Leeuwarden.
miniatuur|links|Albertine Agnes haar kinderen Amalia en Hendrik Casimir II. Een van de eerste landhuizen in wat nu Oranjewoud is, was Sickingastate. Het bestond al toen het in 1552 voor het eerst genoemd werd. Het jaar daarop werd het aangekocht door de Friese raadsheer en ridder Pieter van Dekema. Deze spaansgezinde edelman, die geridderd was door keizer Karel V, schonk de buitenplaats aan zijn schoonvader, Gerrit van Loo. Toen al werden er duizenden bomen aangeplant. Het huis bleef in de familie, via de schoonzoon van Van Loo, Allert van Sierxma. Hun dochter trouwde met jonker Tjalke van Sickinga. Daarna kwam het in bezit van Barent van Sevenaer. Sickingastate lag strategisch aan een van de kanalen van de Schoterlandse Compagnonsvaart. Zo was het makkelijk om de state te bereiken, ook voor zwaar materieel. Het was een aantrekkelijk gebied en stond toen nog bekend als Schoterwold, of kortweg 't Wold. Hier was veen en zandgrond met daarop bos en heide te vinden, goed jachtgebied dus.
In juni 1676 kocht Albertine Agnes het landgoed Sickingastate, wat dat jaar al als "Oranienwout" werd aangeduid. Bij het bestaande landgoed hoorde ook een groot houtbos. Omdat de Oranjes geen eigen bezit in Friesland mochten hebben, vroeg en kreeg ze hiervoor toestemming van de Staten van Friesland. Op dat moment bestonden er dus al meerdere landgoederen in het Wold, waarbij Pauwenburg een andere was. Hier woonde het geslacht Van Oenema en later Van Haren.
Het buiten dat door Albertine Agnes werd gekocht van Barent van Sevenaer, was voor haar niet onbekend. Vanaf 1665, nadat haar man Willem Frederik overleed, verbleef ze er al regelmatig. Het landgoed omvatte het buitenhuis, drie boerderijen en uitgestrekte heidevelden. Later kocht ze er bossen bij aan. Vrij snel daarna breidde ze het buiten uit, en liet ze statige lanen, singels en baroktuinen naar Frans voorbeeld aanleggen.
Van landhuis tot paleis miniatuur|links|De oostvleugel van Slot Oranjewoud in 1724 door J. Stellingwerf Nadat de vorstin Oranjewoud had gekocht, was het nodige meubilair en boelgoed nodig. Via de vaarwegen van Leeuwarden, Grouw en Akkrum vertrokken de vorstelijke eigendommen naar Oranjewoud. Het landgoed had een eigen kanaalverbinding met de Schoterlandse Compagnonsvaart, genaamd de De Prinsenwijk. Ook werd er een kom aangelegd, de Prinsenkom genoemd, zodat de schepen uit Leeuwarden hier konden draaien. Later zou hier ook een boothuis met overdekt jacht verrijzen. Met de aangevoerde huisraad werd een begin gemaakt met de inrichting van de stadhouderlijke zomerresidentie.
Stadhouder Hendrik Casimir II, de zoon van Albertine Agnes, liet het buitenhuis in 1681 uitbreiden met enkele vertrekken. Om de nieuwe residentie te verfraaien werd het ingericht met waardevolle schilderijen van oude meesters, zoals van Melchior d'Hondecoeter, Peter Paul Rubens, Paulus Moreelse, Caspar Netscher, Michiel van Mierevelt, Hercules Seghers, Roelant Savery en Gerard van Honthorst, waaronder portretten van Frederik Hendrik en Albertine Agnes.
miniatuur|links|De twee vleugels van paleis Oranjewoud in 1754 door C. Pronk Inmiddels omvatte het landgoed naast het landhuis en de tuinen, meerdere huizen, stallen, schuren en een oranjerie, waar de bekende oranjeboompjes niet ontbraken. Naast de paarden was er ook vee, waren er herten en reeën, hoenderen en zwanen, vissen in de kweekvijvers en bijenkorven. Er was ook een watermolen. Er werden ook gewassen, groenten geteeld en er was een kruidentuin. Voor de maaltijden werd drie keer per dag de klok geluid.
Nadat Hendrik Casimir II en Albertine Agnes waren overleden, werd de weduwe van Hendrik Casimir II, Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau eigenaar, haar moeder was overigens de zus van Albertine Agnes. Henriette Amalia liet het bestaande slot verder verfraaien. Toch was dat niet genoeg, want in 1701 verzocht ze de bekende Franse architect Daniël Marot de bouwplannen voor een compleet nieuw paleis in Oranjewoud verder uit te werken.
In 1703 werd met de bouw van dit nieuwe slot begonnen, daarmee werd het een paleis naar Frans voorbeeld, net als Paleis het Loo. Daniël Marot ontwierp het in de barokstijl. De stenen werden uit Amsterdam gehaald en het marmer uit Duitsland. Twee vleugels werden opgetrokken, en het fundament voor het middengebouw, het corps de logis, werd aangelegd. In 1707 was de bouw zo ver dat Daniël Marot een inrichtingsplan kon bedenken. De Zwitserse stucwerker Simon verrichtte het gipswerk. Marot zelf leverde het ontwerp voor de koepel van het paleis, zoals bij de Oranjezaal van paleis Huis ten Bosch. Deze werd echter niet gerealiseerd, omdat het middengebouw wegens schulden van de prins niet verder kon worden aangelegd. Rond 1711 werd de bouw van de vleugels afgerond.
De twee vleugels waren aan de buitenkant vrijwel identiek, behalve dat de oostvleugel een kapel bezat. Elke vleugel had 15 raamvlakken aan de voorzijde, en vier aan de binnenzijde. Er was een souterrain, beletage en elke vleugel had een hoge kap met blauwe dakpannen. In totaal waren er tientallen dakkappelen en schoorstenen. Het paleis lag aan de Lindelaan en was via een brug of dam te bereiken. In de hoftuin tussen het paleis en de Lindelaan stonden vier lange rijen met bomen en hoge heggen.
Vorstelijke bewoners van het slot miniatuur|Henriëtte Amalia met haar kinderen, in het midden staat prins Johan Willem Friso miniatuur|Prins Willem IV. Prinses en gravin Albertine Agnes van Oranje-Nassau woonde vanaf 1676 op Oranjewoud, nadat ze eerder het gebied al vaker bezocht had. Op dat moment was ze al weduwe, nadat Willem Frederik van Nassau-Dietz tijdens een jachtpartij was overleden. Haar kinderen, Amalia van Nassau-Dietz en Hendrik Casimir II verbleven ook regelmatig in Oranjewoud. Vooral Amalia's naam blijft ermee verbonden, nadat ze op 28 september 1690 op landgoed Oranjewoud met Hertog Johan Willem III van Saksen-Eisenach trouwde. Ze beviel ook op slot Oranjewoud van hun zoon, Willem Hendrik van Saksen-Eisenach, die later vorst van het land Saksen-Eisenach zou worden. Het kon behoorlijk druk worden op Oranjewoud, als er veel Oranjetelgen waren, kwam ook een deel van de hofhouding uit Leeuwarden en Duitsland mee.
Op 24 mei 1696 overleed Albertine Agnes op het slot in Oranjewoud. Ze wilde graag in Oranjewoud begraven worden, maar werd bijgezet in de grafkelder van de Friese Nassaus, in Leeuwarden. Een paar maanden eerder was haar enige zoon Hendrik Casimir II overleden. Daardoor erfde diens vrouw het slot, Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau. Op dat moment hadden ze negen kinderen gekregen, veel meisjes en één nog levende jongen, Johan Willem Friso van Nassau-Dietz. Omdat hij nog te jong was om te regeren, trad ze als voogdes voor hem op tot 1708.
Johan Willem Friso had meerdere vertrekken in het paleis die voor hem waren ingericht. Ook zijn zeven zussen waaronder Maria Amalia, Sophia Hedwig en Isabella Charlotte waren waarschijnlijk regelmatig op Oranjewoud te vinden.
Toen koning-stadhouder Willem III in 1702 overleed, erfde Johan Willem Friso al zijn bezit én de titel Prins van Oranje. Toen zijn moeder in 1707 verhuisde naar Dietz in Duitsland, nam de prins de leiding van de bouw van het paleis over. Beide vleugels van het paleis waren rond 1711 gereed, echter was dat ook het jaar waarin Johan Willem Friso bij Moerdijk verdronk.
Toen de prins in 1711 overleed, erfde zijn zoon, prins Willem IV het paleis. Echter mocht zijn moeder, de weduwe van de prins, Maria Louise van Hessen-Kassel te allen tijde van het paleis gebruikmaken. Daar maakte zij veel gebruik van, met name in de zomer, de Friezen noemden haar 'Marijke-muoi'. Zij had in Leeuwarden een stadspaleis, Princessehof. Als ze naar Oranjewoud vertrok reed ze met koetsen en vele rijtuigen met haar hofpersoneel via Bergum naar Oranjewoud.
Maria Louise ontving op het slot vaak hoge gasten en leden van de Friese adel, zoals de familie van Burmania en Van Haren. Er waren heerlijke diners door de koks bereid en de keldermester zorgde voor kostbare wijnen. Uit een eerdere akte bleek er zelfs "Oranjewoudse wijn" te bestaan. De banketten en maaltijden werden met muziek opgeluisterd.
Willem IV, die de eerste erfstadhouder van de Republiek der Verenigde Provinciën werd, was vaak in Oranjewoud te vinden, ook in de wintermaanden. Ook zijn zus Anna Charlotte Amelia verbleef er. Hoewel er altijd al werd gejaagd in de bossen van Oranjewoud door de Oranjes, kreeg Willem IV vanaf 1749 het alleenrecht op het jagen in het gebied. Het jachtgebied van de prins werd met palen afgebakend. Na het overlijden van Willem IV bezocht zijn weduwe, prinses Anna van Hannover af en toe het slot.
De Engelse prinses Anna van Hannover was de oudste dochter van de Britse koning George II. Ze werd opgevoed door haar grootvader, Koning Georg Ludwig. Ze kreeg als kind les in zang en klavecimbel van Georg Friedrich Händel. Als prinses Anna Oranjewoud bezocht, nam ze haar kinderen ook mee, Carolina van Oranje-Nassau en prins Willem V van Oranje-Nassau. Dan nodigden ze Friese edelen op het paleis uit, zoals baron Hobbe Esaias van Aylva, gouveneur van Maastricht, en dichter en politicus Onno Zwier van Haren en Georg Frederik baron Thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg.
Toen in 1795 de Bataafse Republiek werd uitgeroepen, vervielen alle bezittingen van stadhouder Willem V, vader van Koning Willem I, aan de staat. En hoewel het Nederlandse Koningshuis in de decennia en eeuwen daarna nog vaak bezoeken brachten aan Oranjewoud, betekende dit het einde van het paleis.
Interieur van het paleis