thumb|Herenboerderij uit Oostwold (Groningen) Een herenboer is een boer die voldoende kapitaal heeft om niet zelf het land van zijn boerderij te bewerken, maar hiervoor personeel in dienst heeft. Het kan zowel om een grote pachter, een erfpachter of een eigenaar van de grond gaan. De herenboer moet onderscheiden worden van een feodale grootgrondbezitter, die zijn pachters en ondergeschikten verplicht tot onbetaald werk. De term wordt in Nederland vooral met de provincie Groningen geassocieerd.

Voordat het werk in de landbouw werd gemechaniseerd, maakten herenboeren in veel regio's gebruik van grote aantallen landarbeiders, dagloners en inwonend personeel, die een meerderheid van de bevolking vormden. Deze landarbeiders organiseerden zich sinds het einde van de 19e eeuw in vakbonden en socialistische dan wel communistische politieke partijen. De herenboeren maakten bovendien gebruik van seizoensarbeiders uit naburige streken, zoals in Nederland en Noord-Duitsland de hannekemaaiers. West-Europese vormen van agrarisch kapitalisme werden via het kolonialisme tevens in derde wereldlanden geïntroduceerd. Plantagehouders maakten na de afschaffing van de slavernij dikwijls gebruik van contractarbeid.

De film Novecento van Bernardo Bertolucci (1976) is gewijd aan de sociale tegenstellingen rond een Italiaanse herenboerderij in de Povlakte. In Noord-Duitsland speelden de herenboeren een belangrijke rol in agrarische protestbewegingen als de , die bijdroegen aan de opkomst van het nationaalsocialisme.

Door mechanisatie werd – tenminste in West-Europa – het werk van de landarbeiders in de tweede helft van de 20e eeuw meest overbodig. De herenboeren hebben daar plaats gemaakt voor agrarische ondernemers met gezinsbedrijven die slechts aanvullend gebruik maken van ingehuurde werkkrachten. Voormalige grootbedrijven worden nu tot de kleine of middelgrote akkerbouwbedrijven gerekend.

Wel spelen seizoenarbeid en het werk van dagloners nog altijd een grote rol in de West-Europese tuinbouw en op landbouwbedrijven in Oost-Europa (Roemenië, Bulgarije, Oekraïne en Rusland), in Latijns Amerika, en in landen als Turkije, Pakistan, India, Zuid-Afrika en de Verenigde Staten. Herenboeren die grote aantallen landarbeiders tewerk stellen worden in Oekraïne agromagnat genoemd, in Roemenië latifundiar, in Turkije ağa, in Brazilië faziendero, in Argentinië estanciero, in Mexico hacendado en in de Andeslanden terrateniente en in de Verenigde Staten grower of farm owner. De belangen van de werkers op deze grote bedrijven worden behartigd door de Internationale Vakbond voor Voeding, Landbouw, Hotel, Restaurant, Catering, Tabak en Geallieerde Arbeiders.

Nederland In Nederland kwamen de herenboeren vroeger vooral in Groningen voor, met name op het Hogeland en het Oldambt, en in mindere mate in de Groningse en Drentse veenkoloniën. Het ging daarbij om bedrijven van minstens 40 tot 50 hectare. De meeste Groninger boeren waren als beklemde meier feitelijk eigenaar van de grond die zij lieten bewerken.

In andere provincies waren herenboeren te vinden in de zeekleigebieden en op zwaardere gronden, met name in delen van Friesland (vooral Het Bildt), op de Zuid-Hollandse Eilanden, in Noordwest-Brabant, in Zeeland (vooral Zeeuws-Vlaanderen), in mindere mate in het Gelderse rivierengebied en Zuid-Limburg. Ook in de Vlaamse Polderstreek, de Brabants-Henegouwse leemstreek en Haspengouw was deze sociale laag toonaangevend. In de zuidelijke Nederlanden werden deze herenboeren aangeduid als hoevenaar, grootpachter, herenpachter, kasteelpachter of fermier-censeur.

Vergelijkbaar hiermee waren de scholteboeren in de Gelderse Achterhoek en de Meier in Westfalen. Dit waren grootgrondbezitters die behalve het eigen boerenbedrijf ook een handvol pachtbedrijven bezaten. De historie van deze herenboeren gaat echter – anders dan in de kustgewesten – terug op feodale landgoederen.

Typerend voor Nederlandse herenboerderijen waren de grote graanschuren, afhankelijk van de regio ook wel Friese schuur, Zeeuwse of Vlaamse schuur of grange en long genoemd. De woning had vaak kenmerken van een burgerlijk herenhuis, soms van een villa of een kasteelhoeve.

Groningen De Groningse hereboer is in Nederland spreekwoordelijk. In de negentiende eeuw stonden de Groningse herenboeren bekend vanwege hun welstand, die samenhing met het verbouwen en verhandelen van grote hoeveelheden graan, handelsgewassen, suikerbieten en aardappelen. De producten werden vaak verwerkt in de agrarische industrie, deels in coöperatieve bedrijven die door de boeren zelf gesticht waren.

Deze rijkdom uitte zich vooral in sociale positie en aanzien. De boerenelite spiegelde zich aan de grootburgelijke elite te in de steden of probeerde die elite te evenaren. Vele herenboeren waren actief in de plaatselijke, provinciale en landelijke politiek. Boerderijen werden vergroot en versierd, en omgeven door de slingertuinen in Engelse landschapsstijl. In de dorpen verrezen deftige rentenierswoningen. Door de grote verschillen in welstand waren de klassentegenstellingen groot, wat met name in de Rode Driehoek en elders in het Oldambt tot heftige sociale conflicten leidde. De landarbeidersstaking van 1929 duurde vijf maanden en was het grootste arbeidsconflict uit de Nederlandse geschiedenis. Historicus IJnte Botke schreef over de leefcultuur van de herenboeren een uitvoerige dissertatie onder de titel Boer en heer (2004).

Volksnationalistische genealogen en heraldici probeerden tijdens het Interbellum en ook daarna te bewijzen dat de Groningse en Noord-Duitse herenboeren sinds de 16e eeuw een afzonderlijke stand vormden, die tussen de adel en de eigengeërfde boerenstand in stond en zou afstammen van een Germaanse volksadel. De auteur, die zich ook wel Kits Nieuwenkamp noemde, was eerder actief in de NSB en beschouwde zichzelf als pionier van een 'folkloristische herandiek'.. In Groningen werden dergelijke ideeën gepropageerd door de arts Luitje Hendrik Bruins (1915-1999) uit Leens en de Historische Kring De Marne.

West-Europa Elders in West-Europa bestonden vroeger meer landbouwgebieden waar de herenboeren dominant waren, zoals grote delen van Engeland (gentleman-farmers), Frankrijk (Normandië) en Denemarken, delen van Duitsland (Oost-Friesland, Sleeswijk-Holstein, Oost-Elbië en Nederrijn), Polen, Spanje (Catalonië) en Italië (Povlakte). De Oost-Friese tegenhanger van de Groninger herenboer werd wel Polderfürst (polderkoning) genoemd. De Groningse en Oost-Friese boeren vergeleken zichzelf graag met de landjonkers op de landgoederen van Oost-Elbië. In de Duitse landbouwstatistiek golden echter alleen landgebruikers met meer dan 100 hectare als herenboeren of Großbauern.

Alle grootschalige akkerbouwregio's werden sterk getroffen door dalende graanprijzen tijdens de Landbouwcrisis van 1878. De herenboeren waren vanaf het einde van de 19e eeuw vaak voorstander van protectionisme en probeerden hun regeringen op dat punt onder druk te zetten.

Kapitalistische pachters De opkomst van de herenboeren in 18e- en 19e-eeuws Europa was vooral het gevolg van de agrarische revolutie – de sterke groei van de agrarische productie na 1750. Karl Marx beschreef in het beroemde hoofdstuk 24 van Het Kapitaal (1867) het ontstaan van het agrarische kapitalisme in Engeland aan de hand van het succes van de agrarische ondernemers of kapitalistische pachters, met name in East Anglia. Zij profiteerden vooral van het ontstaan van de moderne wereldmarkt en de mogelijkheid om op grote schaal goedkope arbeid in te huren. Het personeel betrokken zij overwegend uit de kleine boerenbedrijven in hun omgeving die niet meer levensvatbaar waren. Grootgrondbezitters besloten op hun beurt hun landerijen aan deze ondernemers te verpachten. Kleine boeren en landarbeiders werden daarvan de dupe. Marx' argumenten werden verder uitgewerkt door Karl Kautsky in Die Agrarfrage (1899) en door Lenin in diens studie over de ontwikkeling van het kapitalisme in Rusland (1899).

Voorgangers van de negentiende-eeuwse herenboeren waren vaak de eigengeërfden, in Engeland yeomen genoemd. Daarmee vergelijkbaar zijn de Hufner of Vollbauern in Duitsland. Zij beschikten over voldoende kapitaal om grote bedrijven aan te kopen of te pachten, werktuigen aan te schaffen en personeel in te huren. De inrichting van dergelijke grote boerderijen en de rationele bedrijfsvoering is ouder en gaat met name terug op laatmiddeleeuwse kloosterboerderijen, domeinhoeven en adellijke grootbedrijven.

Een belangrijke wetenschappelijke discussie over het ontstaan van agrarisch kapitalisme wordt wel het genoemd, naar de neomarxistische historicus . Ook Nederlandse historici hebben aan dit debat deelgenomen.Peter Hoppenbrouwers en Jan Luiten van Zanden, Peasants into Farmers? The Transformation of Rural Economy and Society in the Low Countries (Middle Ages - 19th Century) in Light of the Brenner Debate, Turnhout 2001 (= Comparative Rural History of the North Sea Area, 4) (met een reactie van Robert Brenner). In een afzonderlijke bijdrage concludeert Knottnerus (2004) dat de opkomst van grote boerenbedrijven langs de Noordzeekust deel uitmaakte van een geleidelijk proces van schaalvergroting, voortgedreven door marktwerking, schaalvoordelen, politiek-institutionele veranderingen en de ondernemersstrategieën van succesvole boeren zelf. In plaats van een door grootgrondbezitters gestuurd transformatieproces zoals in Engeland, ontwikkelden de kustgebieden een eigen, “derde” weg naar het agrarische kapitalisme. Succesvolle landbouwondernemers of herenboeren breidden hun bedrijven geleidelijk ten kosten van anderen uit, terwijl landeigenaren en kapitaalverschaffers slechts een indirecte rol speelden.

De term kapitalistische landbouwer (capitalist farmer) blijft een passende omschrijving voor agrarische ondernemers die kapitaal investeren, loonarbeid inzetten en hun productie op een competitieve markt richten. Volgens Henry Bernstein (2004) is de klassieke tegenstelling tussen herenboeren en kleine boeren in het huidige mondiale voedselsysteem echter minder scherp geworden, omdat landbouw steeds sterker verweven is geraakt met agro‑industrie, contractteelt en wereldwijde productieketens. Hierdoor functioneren zowel grote als kleine boeren in toenemende mate binnen dezelfde globale marktlogica, zij het vanuit verschillende klasseposities.

'Herenboerderij'

'Herenboerderijen' is een nationaal initiatief en een agrarische burgerbeweging, waarbij burgers gezamenlijk eigenaar zijn van een kleinschalig, duurzaam en gemengd boerenbedrijf. Het is een vorm van gemeenschapslandbouw. De leden of 'herenboeren' financieren de coöperatie, bepalen gezamenlijk het beleid en ontvangen wekelijks een deel van de oogst (zoals groenten, aardappelen, fruit en soms vlees, zuivel of eieren). De dagelijkse werkzaamheden worden uitgevoerd door professionele medewerkers in dienst van het bedrijf. Deze bedrijven werken sinds 2014 samen, eerst in de Stichting Herenboeren Nederland, sinds 2024 in de Vereniging van Herenboerderijen.

Literatuur

Trevor Aston & C.H.E. Philpin (red.), The Brenner Debate: Agrarian Class Structure and Economic Development in Pre-Industrial Europe, Cambridge 1985 Colin Bell & Howard Newby, 'Capitalist Farmers in the British Class Structure', in: Sociologia Ruralis 14 (1974), p. 86-107 Henry Bernstein, 'Agrarian Questions from Transition to Globalization: A Brief History of a Changing Terrain', in: Journal of Agrarian Change 4 (2004), p.1–40 IJnte Botke, De Golden Kette. Het Oldambt 1875. Paradijs van de boeren, Scheemda 1994 IJnte Botke, Boer en heer. De Groninger boer 1760-1960, Assen 2004 Otto S. Knottnerus, 'Yeomen and Farmers in the Wadden Sea Coastal Marshes, c. 1500-c. 1900', in: Peter Hoppenbrouwers en Bas van Bavel (red.), Access to Land in the North Sea Area from the Middle Ages to the 19th century, Turnhout 2004, p. 149-186

Categorie:Agrarisch beroep Categorie:Landbouw

Categorie:Boerenstand