Dubreuillosaurus is een geslacht van vleesetende theropode dinosauriërs, behorend tot de Spinosauroidea, dat tijdens het late Jura leefde in het gebied van het huidige Frankrijk. De enige benoemde soort is Dubreuillosaurus valesdunensis.

Vondst en naamgeving In 1994 merkte de burgemeester van Conteville in Normandië, André Dubreuil, dat bij landschapsherstel van de oude steengroeve van het bedrijf Pierre de Caen fossielen tevoorschijn kwamen. Hij stelde een aantal schedelbotten en ribben veilig en waarschuwde het Parijse Muséum National d’Histoire Naturelle. Dit instituut begon echter pas in 1998 met opgravingen. Het bleek dat de precieze locatie waar de botten gelegen hadden, vermoedelijk afkomstig van een vrij compleet skelet, ondertussen al geheel bedolven was. De steen van de neergehaalde rotswand was door een bulldozer over een aanzienlijke oppervlakte verspreid en het team besteedde dat jaar en de veldseizoenen van 1999, 2000 en 2001 aan het opgraven en zeven van verschillende kubieke meters aarde in de hoop nog resten te vinden. Uiteindelijk bleken er zo'n tweeduizend botfragmenten aanwezig die, helaas, volledig gebroken waren en nu een grootte hadden van tussen de één en de tien centimeter.

Paleontoloog Ronan Allain besloot, nadat hij er een dissertatie aan gewijd had, voorlopig op grond van de schedelbotten alleen een nieuwe soort te beschrijven. In 2002 benoemde hij een nieuwe soort van het al bestaande geslacht Poekilopleuron: Poekilopleuron? valesdunensis. De soortaanduiding verwijst naar de herkomst bij het oude slagveld van Val-ès-Dunes, waar de Hertog van Normandië Willem de Veroveraar in 1047 opstandige baronnen versloeg.

In de jaren na 2002 begon er onzekerheid te ontstaan over de plaatsing van Poekilopleuron in de stamboom en daarmee over de wijsheid er allerlei nieuwe soorten in onder te brengen. De twijfel daarover had al in 2002 bestaan getuige het vraagteken. Daarbij wees de vorderende reconstructie van het postcraniaal skelet op een geheel eigen bouw van de nieuwe soort. In 2005 benoemde Allain er daarom een apart geslacht voor: Dubreillosaurus. De nieuwe combinatienaam, de combinatio nova, daarvan is Dubreillosaurus valesdunensis. De typesoort van het geslacht is Poekilopleuron valesdunensis. In plaats van Dubreuillosaurus was eerst de naam "Calvadosaurus" overwogen. In sommige populair-wetenschappelijk boeken wordt deze naam vermeld die dan als een jonger objectief synoniem kan gelden.

Het holotype, MNHN 1998-13, is gevonden in een laag van de Calcaire de Caen-formatie die dateert uit het middelste Bathonien. Het bestaat uit een fragmentarisch skelet met schedel. Bewaard zijn gebleven: het grootste deel van de schedel, het spleniale en angulare van de onderkaak, een afdruk van het surangulare, twee halswervels, nekribben, zeven ruggenwervels, ribben, buikribben, drie sacrale wervels, tien staartwervels, een chevron, een stuk schouderblad, een handklauw, een stuk dijbeen, de bovenkant van een scheenbeen, een stuk kuitbeen, een vijfde middenvoetsbeen en een eerste kootje van de derde teen. Het gaat om een onvolwassen exemplaar. Verder zijn er geen specimina aan Dubreuillosaurus toegewezen.

Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken thumb|Dubreillosaurus, in het geel, in grootte vergeleken met andere afrovenatorinen Het holotype van Dubreuillosaurus is een middelgrote roofsauriër; de volwassen grootte is onbekend. Gregory S. Paul schatte in 2010 de lichaamslengte van het holotype op vijf meter, het gewicht op tweehonderdvijftig kilogram.

Allain stelde in 2002 en 2005 enkele onderscheidende kenmerken vast. De schedel is erg laag, ongeveer drie maal zo lang als hoog. In de bovenhoek van de voorrand van de opgaande tak van het bovenkaaksbeen bevindt zich een knik met een bolle kromming eronder en een holle erboven. De neergaande tak van het postorbitale heeft een U-vormige doorsnede. De wandbeenderen zijn in zijaanzicht niet zichtbaar. Het bovenste slaapvenster heeft een rechte binnenrand. Een fenestra paraquadratica ontbreekt. Op de onderzijde van de tak van het ectopterygoïde die naar het jukbeen loopt, bevindt zich een goed ontwikkeld uitsteeksel. De achterrand van de basis van de jukbeentak van het ectopterygoïde heeft, vóór de rand van het onderste slaapvenster, een diepe groeve. De onderkaak heeft een groot venster in de achterste buitenzijde. Het foramen mylohyoideum is grotendeels naar voren en beneden gericht. De dijbeenkop is naar binnen en beneden gericht. De voorste onderzijde van het dijbeen is hol. Matthew Carrano voegde daar in 2012 nog een kenmerk aan toe: het achterprofiel van de hersenpan toont een deuk tussen het os basioccipitale en het beenvlak gevormd door de vergroeiing van de ossa exoccipitalia en het opisthoticum.

Skelet Schedel De schedel van Dubreuillosaurus is opvallend langgerekt met een lengte van een halve meter en een grootste hoogte van vijftien centimeter. Onder de grote theropoden heeft alleen de verwant Afrovenator en de zeer gespecialiseerde Spinosaurus een schedel die lager is. Het bovenprofiel kromt daarbij geleidelijk naar achteren. Kammen of hoorns ontbreken; er is zelfs geen dwarskam op het achterhoofd, hoewel dat een gevolg kan zijn van de jonge leeftijd. Het neusgat is tamelijk groot en heeft de vorm van een liggende ovaal. Ook de fenestra antorbitalis is fors voor een megalosauride en vormt een sterf afgeronde driehoek. De oogkas is hoog en smal, onderaan eindigend in een punt. Zoals door Allain gereconstrueerd is het onderste slaapvenster onderaan breed en heeft een vrij rechte achterrand, niet ingesnoerd door een uitsteeksel. thumb|Schets van de schedel met bewaarde delen in het wit De praemaxilla ia lang; langer dan hoog. De opgaande tak maakt een hoek van rond de 40° en is aan de basis doorboord door een groot foramen, net als bij Torvosaurus. Daarnaast toont het oppervlak een vijftiental aderkanalen of zenuwkanalen. De uiterste snuitpunt loopt over een korte afstand verticaal; het buigpunt naar de kromming is vrij vooraan gelegen. De praemaxilla is achtenveertig millimeter breed; het vergroeiingsvlak tussen de praemaxillae strekt zich ver naar achteren uit en beslaat de helft van het interne oppervlak en de hele basis van de opgaande tak. De punt die uitloopt onder het neusgat is bijna horizontaal gericht. De praemaxilla draagt vier tanden. Deze zijn sterk afgeplat en met de achterrand naar binnen gericht. Beide snijranden tonen elf vertandingen per vijf strekkende millimeter maar bij de voorste rand beslaan die slechts de bovenste helft van de kroon. Bij alle tanden van Dubreuillosaurus zijn de vertandingen niet gescheiden door groefjes en ontbreke3n lange verticale rimpels. De interdentaalplaten zijn hoger dan breed en niet vergroeid. Het bovenkaaksbeen heeft een lengte van drieëntwintig centimeter. Het heeft een voorste tak die langer is dan hoog. In de uitholling voor de fenestra antorbitalis bevinden zich twee kleinere vensters. De kleinste en voorste, de fenestra promaxillaris is van bezijden niet zichtbaar, aan het oog onttrokken door een zeer opvallende, overlappende, naar onderen verbredende verticale richel, de lamina lateralis, op de opgaande tak. Boven dit venster is het gedeelte van het bovenkaaksbeen dat direct onder het neusgat ligt intern sterk verbredend gezwollen zodat de het venster omvattende ruimte een blaasachtige structuur wordt. Het tweede venster, de fenestra maxillaris is opvallend groot en heeft de vorm van een liggende ovaal. Hoewel het een diepe uitholling vormt, is het eigenlijk geen venster want het wordt afgesloten door een binnenwand. De opgaande tak heeft een opvallende en abrupte knik aan de voorrand. Eronder stijgt de tak onder een hoek van 65°, erachter slechts van 30°; het onderste stuk heeft een licht bolle rand, het bovenste een holle. Duriavenator heeft een gelijksoortige morfologie. Er zijn dertien afgeplatte maxillaire tanden waarbij de voorrand ook weer slechts over de bovenste helft vertandingen heeft, ongeveer zestien per vijf millimeter. De onderste binnenkant van deze tanden is vlak in plaats van licht hol zoals bij de meeste verwanten.

Het traanbeen is L-vormig waarbij de takken een hoek van 80° met elkaar maken. De voorste tak, richting neusbeen, versmalt tot een punt; de onderste verbreedt zich om een groot raakvlak met het jukbeen te vormen. De achterrand ervan kromt geleidelijk. Er is volgens Allain geen spoor van een hoorntje te bekennen, een mogelijk juveniel kenmerk; wel is er over bijna de volle lengte van het traanbeen een dikke opstaande richel aan de buitenkant, die verdikt in de bovenhoek. Er is geen zichtbare pneumatisering. De binnenkant is van voor naar achter breder dan de buitenkant zodat de dwarsdoorsnede trapeziumvormig wordt, zij het dat de buitenhoeken daarvan nogal afgerond zijn. Het postorbitale is driestralig en wordt in het midden van de binnenzijde doorboord door een klein foramen. De voorste tak, die de bovenrand van de oogkas vormt, is aan de buitenzijde licht verruwd maar de verruwing strekt zich niet ver naar onder of voren uit en lijkt dus (nog) geen deel van een doorlopende hoornkam boven het oog. Overeenkomstig is de bovenrand glad afgerond. De neergaande tak is met elf centimeter lang en vormt de gehele achterrand van de oogkas. Deze tak is overdwars breder dan van voren naar achter en heeft over de onderste zes centimeter een U-vormige doorsnede met een verticale uitholling in de achterrand, waarin de opgaande tak van het jukbeen past. De binnenwand steekt achteraan meer naar achteren uit dan de buitenwand zodat de uitholling iets naar buiten gericht is. Een holte aan de binnenzijde van de bovenkant van de tak maakt contact met het laterosfenoïde van de hersenpan. De achterste tak wordt omvat door de voorste tak van het squamosum. Horizontale uithollingen over de binnenzijde van het jukbeen, onder de oogkas, suggereren dat dit gepneumatiseerd is. De binnenwand heeft een horizontale trog, met verhoogde achterkant, waarin de binnenwand van het postorbitale rust. Het jukbeen raakt vooraan de fenestra antorbitalis.