thumb|400px| Locatie van het Tibetaans plateau De prehistorie van het Tibetaanse plateau begint volgens de gangbare betekenis van het begrip prehistorie met de eerste menselijke bewoning en duurt tot het moment dat schriftelijke bronnen uit die tijd beschikbaar zijn. Dat is globaal de periode van 25.000 v.Chr. tot het midden van de zevende eeuw na Christus.
Staat van onderzoek Voor 1950 was de archeologische informatie over Tibet beperkt tot enkele berichten van reizigers en missionarissen en tot korte aantekeningen over archeologische ontdekkingen van bijvoorbeeld Peter Aufschnaiter. Tijdens zijn reizen tussen 1925 en 1930 merkte Joeri Rjorich een groot aantal stela op, die hij menhirs noemde. Hij was de eerste die in zijn beschrijving hiervan iets opmerkte over een prehistorie van Tibet. Giuseppe Tucci was de eerste die een groter aantal archeologische monumenten op een meer systematische wijze onderzocht.
Systematisch archeologisch onderzoek op enige schaal in Tibet dateert echter pas vanaf 1950. Onderzoek naar de prehistorie begon feitelijk pas na het einde van de Culturele Revolutie in 1975. Er zijn daarbij een aantal beperkingen. Archeologisch onderzoek vindt in China voor het grootste deel plaats door op provinciaal niveau verankerde overheidsorganen. Westerse archeologen hebben meerdere malen opgemerkt dat de communicatie en samenwerking tussen de verschillende provincies op dat punt zwak is. Onderzoek naar de prehistorie van Tibet is feitelijk onderzoek naar de prehistorie van het Tibetaans plateau. In de huidige politieke situatie is dit gebied nu bestuurlijk een onderdeel van vijf Chinese provincies. Iets meer dan de helft van het gebied van het plateau valt binnen de grenzen van de Tibetaanse Autonome Regio (TAR), het resterende deel maakt deel uit van de provincies Qinghai, Yunnan, Sichuan en Gansu. In de laatste vier provincies is slechts een minderheid van de bevolking van Tibetaanse oorsprong. Een allesomvattend concept van een pan-Tibetaans archeologisch onderzoeksprogramma op het gehele Tibetaanse plateau is om politieke en ideologische redenen in de Volksrepubliek China niet mogelijk.
Archeologie is in China nauw verbonden met de Chinese historiografie. Een aantal westerse archeologen (waaronder Lothar von Falkenhausen) heeft geschreven dat in China archeologie als instrument gebruikt wordt om in de traditionele Chinese geschiedschrijving beschreven gebeurtenissen bevestigd te krijgen. Een archeologisch probleem wordt dus vaak in historische termen vertaald. Archeologie op het plateau was vaak gericht op het vinden van archeologische vindplaatsen, maar minder op het systematisch opgraven en onderzoeken. In de Chinese archeologie is er sprake van een vorm van sinocentrisme, culturele beïnvloeding afkomstig van buiten China wordt als niet-relevant gezien.
Condities op het plateau Ongeveer 50.000 jaar geleden (before present of BP, waarbij voor "present" het jaar 1950 genomen wordt) was er op het plateau sprake van een opmars van gletsjers. Temperaturen waren kouder dan nu. Oppervlaktewater en vegetatie waren schaars en een groot deel van het plateau was onbegroeid. De bergen van het plateau waren bedekt met ijs, maar in relatief grote gebieden rond deze bergen heersten periglaciale omstandigheden.
Tussen 50.000 en 25.000 BP begonnen de klimatologische omstandigheden iets te verbeteren. Gletsjers trokken zich terug, de neerslag nam toe en als gevolg daarvan steeg het waterpeil in bergmeren. De temperatuur moet eveneens gestegen zijn. Als gevolg daarvan maakte de woestijn plaats voor steppe. De aanname is, dat dit ook geleid heeft tot een aanzienlijke toename van het aantal hoefdieren op het plateau. Vanaf 25.000 BP is er echter weer sprake van afkoeling en groei van de gletsjers.
Tot eind twintigste eeuw waren enkele auteurs van opvatting dat gedurende het Laatste Glaciale Maximum (22.000 -18.000 BP) over het gehele plateau een ijskap moet hebben gelegen. Onderzoek in de eenentwintigste eeuw heeft echter uitgewezen dat dit niet het geval was en dat de toename van gletsjers een regionaal verschijnsel op delen van het plateau was. Het klimaat koelde echter wel af. Het steppegebied verdween en het plateau had het aride klimaat van een koudewoestijn. Klimaatmodellen laten een gemiddelde jaartemperatuur zien in die periode die varieerde van 12 tot 2 graden Celsius lager dan heden. Het Laatste Glaciale Maximum is ook het begin van een proces van desiccatie op het plateau. Dit is de meer algemene trend. Er zijn echter opnieuw zowel regionale omkeringen als intensiveringen van de trend te constateren.
Op het noordelijk deel van het plateau vond tussen 15.000 en 13.000 BP vorming van duinen plaats. Het oostelijk deel werd tussen 13.000 en 10.000 BP vochtiger en warmer. Als gevolg daarvan ontstonden er in de valleien naaldwouden. In het zuidwesten van het plateau ontstonden er loofbossen. Opnieuw keerden echter aride condities terug, die intensiveerden tot tussen 4000-3000 B.P. Deze trend werd echter onderbroken door vochtigere perioden tussen 9000 - 8200 BP en 7000- 6200 BP. In deze perioden keerden in meer beschermde omgevingen ook naaldwouden terug.
Het is duidelijk, dat er vanaf 6000 BP een afname is van de wouden op het plateau. Er zijn auteurs die dit toeschrijven aan menselijke activiteit. Opnieuw kan echter een verandering in het klimaat niet worden uitgesloten, want vanaf 3000 BP moet de neerslag weer aanzienlijk minder zijn geweest en de temperaturen weer kouder.
Menselijke aanwezigheid op het plateau in het Paleolithicum Aan de randen van het plateau zijn fossiele restanten gevonden,zowel van de archaïsche Homo sapiens als de moderne in Yunnan en Shaanxi. Op het plateau is een dergelijke vondst nooit gedaan. In de twintigste eeuw zijn er auteurs geweest die het begin van menselijke aanwezigheid op het plateau voor 50.000 BP dateerden. Hedendaagse westerse auteurs gaan echter uit van aankomst van de eerste mensen op het plateau in een periode van tussen 25.000- 30.000 BP
Er zijn sinds 1975 enkele tientallen plaatsen gevonden die toegeschreven worden aan het laatpaleolithicum. Radiometrische datering is echter maar in enkele gevallen beschikbaar. Naar normen van westerse archeologische opvattingen zijn slechts bij enkele vindplaatsen betrouwbare dateringen mogelijk. In het Tsaidam-bekken zijn stenen messen, instrumenten om huiden te bewerken en jachtwapens gevonden. De meest betrouwbare datering is die tussen 22.000- 18.000 BP. In 1995 werd ongeveer 85 kilometer ten noordwesten van Lhasa een plaats gevonden die 19 afdrukken van voeten en handen bevat in een laag van travertijn. Op basis van optisch gestimuleerde luminescentie kwam hier een datering tot stand tussen 21.700 - 20.600 BP.
Migratie naar het plateau
Het geringe aantal plaatsen met een betrouwbare datering maakt het moeilijk om de routes van migratie naar het plateau vast te stellen. Er zijn auteurs die op basis van onderzoek met Mitochondriaal DNA formuleren dat de oorspronkelijke bewoners van het plateau van Siberische dan wel in ieder geval Noord-Aziatische afkomst moeten zijn. Hoewel de onderzochte populatie gering in aantal is zijn de meeste westerse auteurs geneigd een afkomst uit het noorden van Azië serieus te nemen.
Brantingham, een Amerikaanse antropoloog heeft mede op basis van archeologische vondsten in het noorden van Azië een wat ander model ontwikkeld. Dit model houdt rekening met de fysiologische uitdagingen van het bestaan op grote hoogte. Mensen als soort zijn niet aangepast aan het leven op grote hoogten van meer dan 5000 meter. Om toch op dergelijke hoogte permanent te verblijven zijn aanpassingen in gedrag, in cultureel en fysiologisch opzicht noodzakelijk.
Op basis van dit soort concepten formuleren Brantingham en anderen een migratie in drie stappen naar het plateau. De eerste stap brengt een populatie vanuit het noorden van Azië naar het laaglandgebied van het noordwesten van China tussen 29.000 en 25.000 BP. De tweede stap brengt de afstammelingen van deze populatie naar het gebied van Kokonor en het oosten van Qinghai op een hoogte van ongeveer 3500 meter. Dat zou omstreeks 25.000 BP gebeurd moeten zijn, maar in ieder geval voor de koudste periode van het Laatste Glaciale Maximum. Tijdens deze twee stap moet de fysiologische aanpassing aan omstandigheden van grote hoogte aangevangen zijn. Tussen 23.000 -22.000 BP moet dan de derde stap gebeurd zijn naar het nog hogere centrale plateau.
Er zijn nauwelijks archeologische vondsten op het Plateau uit de periode tussen 11.000 en 6000 BP. Bij gebrek aan onderzoeksmateriaal kunnen er alleen veronderstellingen worden uitgesproken ten aanzien van mogelijke culturele veranderingen en aanpassingen in de periode na het Laatste Glaciale Maximum. Aanwezigheid van mensen op het Plateau na die periode moet zeer schaars geweest zijn. Nieuwe vestiging van mensen op het Plateau zou tussen 12.000 en 10.000 BP hebben plaatsgevonden in de valleien van een aantal rivieren.
Er zijn een aantal prekeramische vindplaatsen die moeten dateren van de postglaciale en pre-neolitische periode. De meeste van die plaatsen bevatten microlieten. Ook hier ontbreekt echter systematisch onderzoek naar de technologie van de microlieten. Er kunnen dus ook nauwelijks verantwoorde conclusies getrokken worden op basis van dit materiaal ten aanzien van culturele veranderingen of aanpassingen.
De neolithische periode
De neolithische periode in China kan gekarakteriseerd worden door het ontstaan van sedentarisme, pottenbakken, werktuigen om de grond te bewerken, veeteelt en akkerbouw. Dat geldt ook voor de situatie op het Tibetaans Plateau. Er zijn echter ook aanzienlijke verschillen en de periode op het Plateau duurde aanzienlijk langer dan in China.
Er zijn een aantal vindplaatsen intensief onderzocht. De vroegst te dateren onderzochte nederzetting op het plateau is Karuo nabij de stad Chamdo. Er zijn meer dan 7000 artefacten gevonden. Keramische vormen zoals schalen en vaten hebben decoratieve, vaak geometrische motieven. Het grootste deel is echter maar gedeeltelijk gebakken. Er zijn daarnaast duizenden microlieten en benen werktuigen, zoals naalden, kammen, spintollen alsmede sieraden als hangers en armbanden gevonden. De plaats moet tussen 4.000 en 2.000 jaar v.Chr. bewoond zijn geweest. De bewoners moeten afhankelijk zijn geweest van opbrengsten van jacht, verbouwen van enkele gewassen, waaronder in ieder geval gierst en verzamelen van voedsel. Waarschijnlijk werden varkens al als gedomesticeerde dieren gehouden.
Een tweede belangrijke vindplaats op het plateau is Qugong, ongeveer 10 km ten noorden van het huidige Lhasa. Menselijke bewoning is hier van een aanzienlijk latere periode dan bij Karuo. De plaats moet bewoond zijn vanaf ongeveer 1750 v.Chr. en verlaten zijn omstreeks 1100 v.Chr. Er is bij deze datering dan ook al een aanzienlijke overlap met culturen van de Bronstijd in China, zoals de Qijiacultuur, de Siwacultuur en de Xindiancultuur van het gebied dat nu de huidige provincie Gansu is.
De gevonden keramiek vertoont vergelijkbare stijlkenmerken als bij Karuo, maar is al van veel betere kwaliteit. Ook hier zijn microlieten en benen werktuigen gevonden. Er is slechts een bronzen voorwerp, een speerpunt, gevonden. In de periode tot aan omstreeks 1100 v.Chr. als ook later dateren een groot aantal graven in het gebied. De meeste van de graven dateren uit de periode van de bronstijd. In een van die graven werd een bronzen spiegel gevonden, duidelijk van Centraal-Aziatische afkomst en te dateren tussen 800 en 500 v.Chr.
De meeste onderzoekers die met materiaal uit Qugong hebben gewerkt gaan uit van de veronderstelling, dat deze cultuur zijn oorsprong had in die van Karuo en beschouwd kan worden als een autochtoon Tibetaanse ontwikkeling. Uit de graven kan afgeleid worden dat er nog nauwelijks een vorm van sociale stratificatie had plaatsgevonden.