Magie en emotie: schets van een theorie van de gemoedsbewegingen is een essay van de Franse filosoof en fenomenoloog Jean-Paul Sartre. Het werd in 1938 uitgegeven als Esquisse d'une théorie des émotions en in 1967 naar het Nederlands vertaald door Louis Tas. Zoals de titel al aangeeft, wilde Sartre een eerste schets maken van een toekomstige theorie over (menselijke) emoties (onder de titel La psyche), maar zo'n werk heeft hij nooit gepubliceerd. Het gaat hier om een vroeg werk van Sartre waarin nog geen sprake is van politiek activisme en dat eerder aansluit bij de psychologie.

In dit werk zette Sartre vooral een kritiek uiteen op de in zijn tijd heersende psychologische theorieën, zoals de theorie van James-Lange en de psychoanalytische theorie, en wil hij daarnaast aantonen dat de fenomenologische methode geschikter is om emoties te begrijpen. Deze theorieën kenmerken zich niet enkel door foute opvattingen, aldus Sartre, maar ook door een gebrek aan een echte verklaring van emoties.

Inhoud Het boek begint met een algemene reflectie over de discipline van de psychologie. Sartre merkt op dat in de psychologie de neiging bestaat aan te willen sluiten bij de wetenschappelijke methode zoals die in de exacte wetenschappen wordt beoefend. Het object van de psychologie lijkt tweevoudig te zijn: uiterlijke en innerlijke waarneming, respectievelijk dus waarneming van externe objecten en waarneming van eigen psychische toestanden. Verder lijkt de psychologie steeds te willen vertrekken van 'feiten'. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de antropologie, die van een bepaald wezen van de mens wil vertrekken, pretendeert de psychologie slechts te vertrekken van een 'empirische', feitelijke mens: "er bestaat op de wereld een bepaald aantal schepselen, waar men analoge eigenschappen bij waarneemt."Sartre, Magie en emotie, p. 51. Dit verklaart volgens Sartre de grote fragmentatie qua onderzoek en onderwerp in de psychologie. Voor algemene begrippen zoals 'wereld' en 'mens' is er in de natuurwetenschappen geen plaats. Op deze wijze behandelt de psychologie ook het fenomeen 'emotie'.

Als reactie op deze ontoereikendheid van de psychologie ontstond, aldus Sartre, de fenomenologie bij Edmund Husserl. In tegenstelling tot de psychologie focust deze discipline zich niet op de feiten, maar op de essenties of wezens van de dingen. "Willen wij een psychologie opbouwen, dan moeten we eerder dan het psychische, eerder dan de situatie van de mens in de wereld, zoeken naar de bron van de mens, van de wereld en van het psychische: naar het transcendentale en constituerende bewustzijn, dat we door 'fenomenologische reductie' of 'tussen haken zetten van de wereld' bereiken."Sartre, Magie en emotie, p. 56. Sartre, die in deze traditie staat, vertrekt zelf van het principe van de Wesensschau: zekere kennis over de wereld heeft men niet, dus die moet tussen haakjes gezet worden. Wat men wel zeker kan weten is de wijze waarop de fenomenen zich aan het bewustzijn tonen. Als men een boom ziet, kan het best zijn dat die boom niet bestaat. Wat echter zeker is, is dat de persoon in kwestie een boom ervaart, dat zich het 'wezen' van een boom aan het bewustzijn toont. Verder wordt het bewustzijn ook gekenmerkt door intentionaliteit: het is niet iets passiefs, opgesloten, maar actief en steeds gericht op iets anders (een voorwerp, een psychische toestand, enzovoort). Het verschil tussen de klassieke psychologie en fenomenologie vat Sartre als volgt samen:

Een ander belangrijk element dat Sartre introduceert is het verschil tussen praten over een emotie en het hebben van die emotie. Sartre spreekt respectievelijk van een reflexief en irreflexief bewustzijn. Elke bewustzijn is gericht op een bepaald object, zoals de letters of tekst die men aan het lezen is. Echter, tegelijkertijd, is men op een bepaalde wijze ook bewust van de bezigheid: de mens die gericht is op de zinnen die hij aan het lezen is, weet ook - op een bepaald niveau - dat hij aan het lezen is. Normaal is men hier enkel op een 'irreflexief' niveau van bewust. Het is echter ook mogelijk zijn bewustzijn hier specifiek op te richten: men focust zich op het feit dat men aan het lezen is. In dat geval wordt het bewustzijn ervan reflexief.

Klassieke theorieën Sartre zet zich af tegen verscheidene klassieke opvattingen van 'emoties'. Een eerste voorbeeld is de theorie van James-Lange. Auteurs zoals William James en Carl Lange stelden dat emoties overeenkwamen met de lichamelijke verschijnselen die optreden. Als ik woede ervaar, wil dat eigenlijk zeggen dat ik roep, een boos gezicht trek, enzovoort. Lichamelijke reacties zijn dus in feite geen reactie op emoties, maar de oorzaak van, of de emotie zelf. James geeft zo het voorbeeld van hemzelf, hoe hij als kind flauwviel bij het zien van bloed. Zijn emotionele reactie op de werkelijkheid zat dus in de eerste plaats in de wijze waarop zijn lichaam reageert, hijzelf was zich niet eens bewust iets 'griezeligs' gezien te hebben. James schrijft:

Concreter onderscheidt James twee niveaus: enerzijds heeft men de fysiologische verschijnselen, dus het hartritme of de ademhaling die versnellen, en anderzijds heeft men het bewustzijn van deze lichamelijke veranderingen. Een emotie manifesteert zich dus in het lichaam, via bepaalde veranderingen, en projecteert zich dan in het bewustzijn (via een bewustzijn van deze veranderingen).

Voor Sartre is deze theorie echter onhoudbaar. James lijkt te stellen dat de emotie samenvalt of centreert rond een reflexief bewustzijn van de lichamelijke verschijnselen die de emotie typeren. Echter, voor Sartre bevinden de emoties in kwestie zich op het niveau van het irreflexieve. Als een persoon kwaad is en zich enkel zou richten op de lichamelijke veranderingen (zoals de hartslag), dan zou er weinig van de woede overblijven. Woede typeert zich juist door een reflexieve gerichtheid op iets buiten zich, zoals de buurman die zijn gras op zondagvoormiddag wil maaien. De noodzakelijke lichamelijke veranderingen die dan optreden, kunnen niet centraal staan in het bewustzijn van de emotie, want dan zou niets van de emotie (de woede voor de buurman) overblijven. In zo'n geval is men immers enkel met het eigen lichaam bezig.

Een ander voorbeeld dat Sartre bespreekt, is de theorie van Pierre Janet, onder meer uiteengezet in Les obsessions et la psychasthénie (1903). Volgens Janet is een emotie een vorm van 'nederlaaggedrag': de persoon in kwestie vervalt in een emotie op het moment dat hij de taken die hij moet uitvoeren niet meer aankan en dan maar een andere uitweg zoekt om zijn psychische energie te ontladen: de emotie. Voor Sartre is het echter onduidelijk wat met 'nederlaaggedrag' bedoeld wordt. Als het werkelijk ging om een ontlading via de minste weerstand, dan zou het zich niet uiten in een nederlaaggedrag, maar juist in een gebrek aan gedrag. In dat geval lijkt het niet wezenlijk te verschillen van James' theorie en valt een emotie samen met de lichamelijke veranderingen.

Er is echter ook een tweede interpretatie mogelijk: de emotie treedt niet op omdat de taken niet vervuld kunnen worden, maar juist opdat ze niet vervuld kunnen worden. In die zin is een emotie een vorm van afweringsmechanisme of een surrogaat (Ersatz). Het voornaamste probleem is echter dat de theorie in deze vorm onvoldoende is. Als de persoon in kwestie effectief het conflict wil oplossen door de perceptie van de wereld te veranderen via de emotie, dan is het noodzakelijk de rol van het bewustzijn hierin te benadrukken. In die zin, wil men emoties dus verklaren, dan moet men steeds vertrekken van het bewustzijn, wat bij Janet niet het geval is.

Psychoanalytische theorie Uit de vorige beschouwingen bleek het, volgens Sartre, dat een emotietheorie op meer beroep moet doen dan louter lichamelijke of gedragsmatige veranderingen. Zoals in de inleiding al gesteld, moet men een beroep doen op de betekenis, functie of finaliteit van de emotie: een emotie dient voor iets. Om emoties te verklaren moet men kijken naar dat wat de mens drijft. Dus stelt Sartre dat deze doelgerichtheid van emoties "een synthetische organisatie van gedragingen [veronderstelt], die niets anders kan zijn dan het onbewuste van de psychoanalytici of het bewustzijn."Sartre, Magie en emotie, p. 79.

Sartre begint eerst met het beschouwen van de optie van het onbewuste. Hij lijkt zich hier vooral te richten tegen de 'cathartische theorie' van Sigmund Freud en Josef Breuer. In hun Studien über Hysterie (1895) stelden zij dat emoties onbewust en ingeklemd kunnen worden en tekens zijn van vroeger verdrongen problemen. De oplossing is dan een 'catharsis': de emotie moest geuit en de relatie tussen deze emotie en de rest van het psychische van de patiënt hersteld worden. Volgens Sartre is het de verdienste van deze theorie dat ze inzag dat "elke bewustzijnstoestand staat voor iets anders dan zichzelf."Sartre, Magie en emotie, p. 79-80. Als iemand bang is voor spinnen, dan heeft die angst niets te maken met de spinnen zelf. De spinnen staan slechts voor een pijnlijk (seksueel) incident in de jeugd van het slachtoffer. Belangrijk is wel dat, hoewel het voorwerp van de emotie (zoals de spinnen) iets diepers betekent, het bewustzijn zelf niet van deze symbolische relatie op de hoogte is. Iemand met arachnofobie weet niet waarvoor die spinnen in zijn angst staan.

Dit laatste punt luidt voor Sartre het grote probleem van deze theorie in. Binnen deze theorie worden emoties opgevat als een (verborgen) substantie, of als tekens van diep verscholen betekenissen, die geuit moeten worden (naar analogie van tranen of ontlasting). Op die wijze is een emotie, zoals de angst van spinnen, dus een betekenis die voor iets staat, maar waarvan het bewustzijn zelf niet doorheeft waarvoor het staat. Voor Sartre is dit echter een contradictie: een betekenisvol iets voor het bewustzijn, kan niet anders dan de betekenis zelf te danken hebben aan het bewustzijn. Anders verliest het bewustzijn zijn actieve, interpretatieve rol: het komt dan over alsof een emotie een passieve reactie is op een stimulus van buitenaf, analoog met de ene biljartbal die de andere voortduwt. Zo lijkt het weer om een causale relatie te gaan, terwijl de psychoanalyse in haar vertrekpunten net van een symbolische of betekenisvolle relatie vertrok. "Het is een diepgaande tegenstrijdigheid in de gehele psychoanalyse," aldus Sartre, "dat zij tegelijkertijd een causaliteitsrelatie en een begripsrelatie legt tussen de verschijnselen die ze bestudeert. Die twee soorten relaties zijn onverenigbaar."Sartre, Magie en emotie, p. 83.

Schets van een fenomenologische theorie In het laatste deel van het werk gaat Sartre over tot het schetsen van een eigen theorie omtrent de emoties. Hij begint echter met een algemene kritiek op alle voorgaande theorieën. Ze vergeten stuk voor stuk het onderscheid tussen reflexief en irreflexief bewustzijn. Als men een bepaalde emotie ervaart, zoals vrees, wil dit niet zeggen dat men altijd volledig bewust is van die emotie. Op een bepaalde, irreflexieve manier is deze emotie steeds in het bewustzijn aanwezig, maar het bewustzijn zelf is er niet op een reflexieve wijze op gefocust. Het bewustzijn is immers gericht op het object van vrees (zoals een spin, een afgrond of een donkere steeg). Sartre licht toe: