De geschiedenis van de Spaanse Nederlanden beschrijft de periode vanaf 1556 in de Habsburgse Nederlanden, toen deze na de abdicatie van keizer Karel V als erfgebied toekwamen aan diens zoon, koning Filips II van Spanje, en de Spaanse Nederlanden gingen heten. Deze periode loopt tot 1715, toen de overgebleven Zuidelijke Nederlanden als Oostenrijkse Nederlanden onder het gezag van de Oostenrijkse Habsburgers kwamen.

Het zijn honderdvijftig bewogen jaren in de geschiedenis van de Lage Landen geweest, waarin de strijd tussen particularisme en centralisatie gepaard ging aan een strijd tussen autonomie en monarchie, en telkens de laatste de overhand kreeg. In de tweede helft van de zestiende eeuw ontstond de Nederlandse Opstand, die tot opsplitsing van het voornamelijk calvinistisch geworden noorden en het katholiek gebleven zuiden leidde. Vanaf 1581 gingen de Noordelijke Nederlanden een eigen koers varen, terwijl de Katholieke of Zuidelijke Nederlanden hun instellingen en tradities bewaarden en loyaal bleven aan de koning, of daartoe (met militair geweld) gedwongen werden. Daarbij behielden ze in ruime mate hun autonomie, met eigen rechtssysteem, raden en belastingcontrole. De buitenlandpolitiek werd voornamelijk door de Spaanse troon bepaald via de Staatsraad (Consejo de Estado). Omdat ze een buffer vormden tussen protestantse en katholieke gebieden, waren de tien zuidelijke Nederlandse gewesten op het Europese toneel geregeld inzet van oorlogen en tegelijk de plaats waar die zich afspeelden. Het gevolg was een voortdurend verleggen van grenzen en vaak verregaande opdeling, met algemene ontreddering als eindresultaat, ondanks een tijdelijke opbloei van zowel kunsten als handel en nijverheid en intellectuele vooruitgang - voornamelijk in de zeventiende eeuw - toen ook de economie opnieuw op gang kwam.

De scheiding van de Nederlanden was aanvankelijk niet cultureel bepaald, maar vooral een gevolg van militaire en geografische omstandigheden. Na de opsplitsing werd de religieuze invloed bepalend voor verdere culturele verwijdering in de loop van de zeventiende eeuw. Terwijl de Republiek met de Vrede van Münster (1648) uit het Heilige Roomse Rijk trad, bleven de Zuidelijke Nederlanden al die tijd in het rijksverband.

Als uitkomst op de Spaanse Successieoorlog verdeelde het Verdrag van Utrecht (1713) de Spaanse erfenis en kwamen de Spaanse of 'koninklijke' Nederlanden onder het gezag van Oostenrijkse Habsburgers, die in die tijd ook de keizers van het Heilige Roomse Rijk leverden. Zij staan vervolgens bekend als de Oostenrijkse of 'keizerlijke' Nederlanden (Latijn: Belgium Austriacum, in tegenstelling tot de Republiek: Belgium Foederatum).

Voorafgaand Onder het bewind van keizer Karel V vormden de Nederlanden een betrekkelijk welvarend en vredig wingewest, bestaande uit een los verband van provincies, verenigd in de Bourgondische Kreits, met een eigen vertegenwoordiging in hoofde van de landvoogd(es) en met inspraak middels de Staten-Generaal van de Nederlanden. Deze centraliseerden de Provinciale Staten waaraan ze de wensen voor een bede van de vorst kenbaar maakten, zodat deze daarover konden beslissen. De afgevaardigden van de zeventien gewesten maakten van deze gelegenheden vaak gebruik om van hun kant nieuwe privileges te bepleiten.

Reeds Filips de Schone had de centralisatiepolitiek van zijn voorgangers voortgezet, en Karel V, die later keizer zou worden van het Heilige Roomse Rijk, had voor hij koning van Spanje werd de staatkundige inrichting van de Habsburgse Nederlanden verder uitgewerkt. Zo was de door de eerste opgerichte Hoge RaadEen herinvoering van het in 1477 afgeschafte Parlement van Mechelen en belast met de hoogste rechtspraak in de gewesten nu opgesplitst in drie Collaterale Raden, die Karels zuster en landvoogdes Maria van Hongarije terzijde moesten staan. Met het daarop volgend Eeuwig Edict uit 1531 was de basis voor de wetgeving van de Nederlanden gelegd. Karel had tegelijk de koers van dynastieke staatskunde die hij van zijn grootvader keizer Maximiliaan I had geërfd, verder aangehouden. Dit leidde soms tot conflicten met de landvoogdes, die het statuut van een onderkoning had, maar ook met de bevolking, zoals de Gentse Opstand illustreert. Karel ging desnoods ook tegen de adel in. Zo maakte hij een definitief einde aan de Gelderse kwestie, waarmee de Nederlanden gelijkgesteld werden aan de Zeventien Provinciën. Aan het hoofd van elk benoemde hij een gouverneur of stadhouder uit de lokale adel.

Infrastructuurwerken en de oprichting van verdedigingswerken met burchten en vestingen leverden de Habsburgse Nederlanden de uitstraling van een moderne staat die er goede internationale betrekkingen op nahield. Zo werd op 25 oktober 1548 de voor de Nederlanden zeer gunstige Transactie van Augsburg - waarmee de Zeventien Provinciën door de Rijksdag als staatkundige eenheid werden erkend en feitelijke onafhankelijkheid verkregen - aan de Statenvergadering voorgelegd en zonder problemen aangenomen. De Nederlanden bleven wel met het rijk verbonden en betaalden voor eventuele steun een jaarlijkse bijdrage. Ze waren echter niet aan rijkswetten of de rijksrechtbank onderworpen. De in 1549 aan de afzonderlijke Provinciale Staten voorgelegde en door hen aangenomen Pragmatieke Sanctie uit 1549 bracht interne eenheid onder de Bourgondische gewesten en regelde het opvolgingsrecht in mannelijke en vrouwelijke lijn zodanig dat ze alle onder dezelfde vorst bleven.Tot aan de Franse Revolutie moest iedere opvolgende vorst zich in elke provincie laten inhuldigen.

De Nederlanden kenden in de vijftiende en begin zestiende eeuw een periode van aanzienlijke rijkdom, welvaart en vrede, al moest er veel geld worden bijgedragen voor de oorlogen van Karel. Koning Hendrik II van Frankrijk had het voortdurend op deze gewesten gemunt. Op 5 februari 1556 tekenden de Franse koning en de keizer uiteindelijk het op status quo gebaseerde vijfjarig Bestand van Vaucelles, waarna de Nederlanden Karel niet meer toebehoorden.

Maar gevaar dreigde niet alleen vanuit het buitenland. Het smeulend vuur van het opkomend calvinisme trachtten zowel Karel als de landvoogd Maria alle middelen te bezweren om verdeeldheid binnen het rijk te voorkomen. Dit zette meer dan eens kwaad bloed en het was ongewis of de gistende opstand onder controle gehouden kon worden, ondanks de in 1522 opgerichte Inquisitie en de talloze plakkaten die de doodstraf oplegden aan onder andere ketters, drukkers, verkopers en kopers van verboden boeken.

In 1555 deed keizer Karel V troonsafstand ten voordele van zijn zoon Filips. Samen met zijn zus, de landvoogdes, vertrok hij daarop definitief naar Spanje.

Filips II van Spanje miniatuur|Kaart van de Spaanse Nederlanden 1559-1609 Kroonprins Filips was, in tegenstelling tot zijn vader, niet in de Nederlanden opgegroeid, maar in Spanje. Toen hij in 1549 op uitnodiging van zijn vader vanaf 17 maart een tijdje in de Nederlanden verbleef om er met zijn toekomstige onderdanen kennis te maken, bleek hij er als een noorderling uit te zien met blonde haren en baard, blauwe ogen en blanke huid, maar hij sprak geen woord Nederlands en amper Frans.Volgens de historicus Henri Pirenne Hij hield zich stijf en ernstig in de buurt van zijn Castiliaanse reisgenoten, onder wie de hertog van Alva. Kennelijk verfoeide hij de vrijmoedige verdraagzame manier van omgang en de vrijheidszin van de inlanders. 'Hij stond toen even vreemd tegenover de Nederlanden als destijds zijn vader tegenover Spanje had gestaan, en voor zijn ‘landen van herwaerts over’ zou hij altijd een vreemdeling blijven'. Filips was niet alleen diep vroom, maar hield ook vast aan de absolutistische principes. Tegenover ketters en rebellen toonde hij zich onverbiddelijk.

De Habsburgse erfenis bestond uit twee takken, de ene met aan het hoofd Ferdinand I in Wenen, de andere met Filips in Madrid. Na zijn reis naar Duitsland in juni 1550 om van oom keizer Ferdinand en de rijksvorsten de titel van Rooms koning te verkrijgen, keerde Filips van de Rijksdag van 7 maart 1551 enkel als erkend erfgenaam van de keizerlijke lenen in de Nederlanden terug, waarna hij naar Spanje terugkeerde. Na zijn huwelijk in Engeland met kwam hij in 1555 naar Brussel om van zijn abdicerende vader en keizer de heerschappij over de Nederlanden in ontvangst te nemen. Ook bij die gelegenheid ontgoochelde hij de officiële vertegenwoordigers door zich slechts tot hen te wenden om verschoning te vragen voor het feit dat hij hun talen niet machtig was. In zijn naam liet hij Karels topadviseur, de bisschop van Atrecht Granvelle, een toespraak boordevol beloften houden. Als landvoogd werd Filibert van Savoye aangewezen.

Filips koesterde waarschijnlijk plannen om van de Nederlanden een apart koninkrijk te maken. Als nieuwe koning sprak hij echter alleen met Granvelle, Ruy Gómez de Silva, Bernardino de Mendoza en don Juan Manrique de Lara over zijn plannen. Daarom eiste de Raad van State op 18 november 1555, dat zaken die de gewesten aangingen, aan hun advies zouden worden onderworpen.

In de tussentijd bereidde de Franse koning Hendrik II openlijk met steun van de Paus Paulus IV een nieuwe oorlog voor. Om die te doorstaan, zouden aan de gewesten grote opofferingen gevraagd worden in de vorm van hogere beden. De ontzaglijke krijgsuitgaven van Karel V hadden het land al zwaar belast en grote schulden opgelegd, maar de dreigende breuk van het Bestand van Vaucelles had in de gewesten eerder ongenoegen dan angst opgewekt. Zij beseften immers, dat koninkrijk Frankrijk het niet zozeer op hen gemunt had, maar op Spanje, en vonden het ongehoord de grootste last te moeten dragen van een oorlog die hen niet aanging. De Staten-Generaal werden daarin bijgestaan door de Raad en de landvoogd, waarop Filips zich verplicht zag bij de afzonderlijke provincies aan te kloppen en tevens besloot ook uit Spanje grote kapitalen aan te trekken. Hij had zich overigens van de medewerking van koninkrijk Engeland verzekerd, dat op 7 juni 1557 Frankrijk de oorlog verklaarde.

De eerste schermutselingen vonden plaats aan de grens van graafschap Artesië. Het leger van 56.000 man, waarover landvoogd Filibert van Savoye op 15 juli het opperbevel kreeg, bestond uit Spaanse tercios, Engelse korpsen, Duitse en Waalse huurlingen, en de Nederlandse ordonnanstroepen, aangevoerd door onder andere de Grote Heren uit de gewesten, de prins van Oranje, de graaf van Egmond, de baron van Berlaymont, Arenberg hertog van Aarschot. Na een inval in Champagne en de verovering van Saint-Quentin, Noyon en Chauny, overwinterde het leger alvorens Parijs aan te vallen in het veroverde land, terwijl de koning naar middelen uitzag om zijn financiën te herstellen.