thumb|Het Jubelparkmuseum in 2011
Het Museum Kunst & Geschiedenis (Frans: Musée Art & Histoire) in het Jubelpark in Brussel is het grootste museum van België. Tot mei 2018 was dit museum, dat behoort tot de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, bekend onder de naam Jubelparkmuseum (Frans: Musée du Cinquantenaire). De omvangrijke collecties bestaan uit kunstvoorwerpen en historische en archeologische objecten afkomstig uit alle continenten en daterend van de prehistorie tot nu. Met meer dan een half miljoen objecten en met een vloeroppervlak van 60.000 vierkante meter, waarvan 22.000 vierkante meter tentoonstellingsruimte, behoort het ook wereldwijd tot de grootste musea.
Het museum toont uitgebreide collecties Egyptische, Griekse, Etruskische, Romeinse en Gallo-Romeinse oudheden en archeologische vondsten. De verzameling Belgische archeologie loopt van de prehistorie, over de Gallo-Romeinse en Merovingische periode tot de middeleeuwen. De verzameling Europese sierkunsten is bijzonder rijk, voornamelijk wat betreft de productie van de Zuidelijke Nederlanden. De ensembles middeleeuwse Maaslandse kunst, laatmiddeleeuwse sculptuur, en wandtapijten behoren wereldwijd tot de top, net als de verzamelingen Europees glas, keramiek, en kant. Tot de verzameling toegepaste kunst behoren verder nog uitgebreide ensembles kostuums, textiel, metalen siervoorwerpen, meubels, juwelen en preciosa, uurwerken en wetenschappelijke instrumenten, en zelfs rijtuigen en sledes. Uitzonderlijk zijn ook de collecties siervoorwerpen behorend tot de kunststromingen van de art nouveau en de art deco.
De verzamelingen omvatten ook uitgebreide ensembles objecten uit andere culturen. Er zijn zalen gewijd aan oudheden uit het Nabije Oosten en Iran, en aan de culturen van de Islam. Aziatische kunst is goed vertegenwoordigd met belangrijke ensembles uit India, Pakistan, Afghanistan, Nepal, Tibet, Sri Lanka, Thailand, Myanmar, Vietnam, Laos, Indonesië, China, Korea en Japan. De collectie Japanse prenten geniet wereldfaam. Uit Amerika zijn er belangrijke verzamelingen precolumbiaanse kunst, maar ook etnografische objecten van latere datum. Oceanië is vertegenwoordigd met archeologische en etnografische objecten uit Polynesië en Micronesië. Een moai van het Paaseiland behoort tot de topstukken.
Het museum heeft ook een rijke collectie mallen van beroemde kunstwerken waarmee afgietsels in plaaster kunnen worden vervaardigd. Het is een van de weinige musea in de wereld dat nog over een actieve afgietselwerkplaats beschikt.
Geschiedenis De oudste kern van de collecties van het museum gaat terug op de verzamelingen van de hertogen van Bourgondië en hun Habsburgse opvolgers. Het ging vooral om wapens en curiosa die bijeen waren gebracht in het door Antoon van Bourgondië in de 15de eeuw bij het Brusselse Koudenbergpaleis opgerichte arsenaal. Deze verzameling genoot grote faam, wat onder meer blijkt uit de bewonderende reacties die Albrecht Dürer na zijn bezoek in 1520 in zijn reisdagboek optekende. Het arsenaal en zijn verzamelingen ontsnapten aan de brand van het Koudenbergpaleis in 1731. In de 18de eeuw wordt de verzameling nog in reisgidsen beschreven.Georges Frickx, Description du Palais, Brussel, 1743, p. 22-24: "Les Écuries situées un peu au-dessus du Palais, sont anciennes, mais grandes & commodes. Elles logent actuellement cent cinquante Chevaux de Carosse, trente de Selle & quatorze Mulets. Le grand Arsenal y est joint. Parmi une quantité prodigieuse d’armes anciennes dont il est rempli, on y voit les armes de parade de l’Empereur Charles V. & celles de son Cheval de bataille, toutes bien travaillées & masquinées d’or fin ; sa rondache de fer noir ornée de très-belles figures cizelées, sa lance avec deux pistolets tenant au fer, qui sont en tirant, cinq differens trous, très-propres pour la chasse du Sanglier, un casque aussi de fer noir orné de figures cizelées, la cotte de maille & une rondache garnie de deux poignards & d’une lanterne sourde dont ce Prince se servoit la nuit, en faisant sa ronde, son épée de parade dont on se sert à la création des Chevaliers de la Toison d’or en Brabant, sa rondache artistement gravée avec la pointe du diamant, & les trois banderolles que ce grand Monarque faisoit porter devant lui, lors qu’il porta la guerre en Afrique contre les Maures. On y montre aussi les armes de parade de l’Archiduc Albert avec celles de son Cheval, sa pique & ses armes fortes, impenetrables à quatre coups de mousquet qu’il reçut au Siege d’Ostende, avec le Cheval rembourré de l’Infante Isabelle son Epouse, sur lequel Elle fit son entrée dans Bruxelles, avec un mousquet d’Ebene garni d’argent, dont cette Princesse se servoit à la chasse du Heron. Les armes de parade de l’Archiduc Ernest avec celles de son Cheval. Celles du Prince de Parme, du Duc d’Albe avec son épée de parade, celles de Philippe le Bon Duc de Bourgogne, de l’Empereur Maximilien, de Don Jean d’Autriche, du Prince Cardinal & de l’Archiduc Leopold. On y remarque encore le grand Etendard de France qui fut pris à la bataille de Pavie par l’armée de Charles V. victorieux de François Premier, qui y fut fait prisonnier ; l’épée que Henri IV. Roi de France envoya à l’Archiduc Albert pour lui declarer la guerre, l’original des canons qui tire sept coups à la fois ou successivement, quatre armures à l’Indienne à l’épreuve de la fléche & surtout celle de Monsesume Empereur du Mexique que Fernand Cortez fit mourir pour se rendre maitre de son vaste Empire, & plusieurs autres antiquités dignes de l’attention des Curieux." (geciteerd uit: Le palais du Coudenberg à Bruxelles. Du château médiéval au site archéologique, 2014, pp. 42-42). Samen met de schat van het Gulden Vlies werd ze omstreeks 1770 in een nieuw gebouw, de zogenaamde Heraldische kamer, ondergebracht. Na de Slag bij Fleurus in 1794 werden de waardevolste stukken door de Oostenrijkers naar Wenen overgebracht. Brussel behield slechts de vermeende wieg van Karel V, de zogenaamde vedermantel van Montezuma, de opgezette paarden van de aartshertogen Albrecht en Isabella en enkele wapenuitrustingen.Valérie Montens, 'Beknopte geschiedenis van het museum en zijn verzamelingen', in: E. Gubel, V. Montens e.a., Topstukken van het Jubelparkmuseum, Ludion, Gent, 2015, p. 12-19
Met het oog op de bevordering van de studie van de geschiedenis en de kunsten werd in 1835 het Musée d'armes anciennes, d'armures, d'objets d'art et de numismatique opgericht. In 1837 werd de artilleriecollectie van het Ministerie van Oorlog aan de collecties toegevoegd terwijl de numismatische collecties in het volgende jaar werden overgedragen aan de Koninklijke Bibliotheek. Het museum was ondergebracht in een zaal op de benedenverdieping van het nieuwe in 1830 geopende Paleis van de industrie bij het oude Paleis van Karel van Lotharingen aan het huidige Museumplein. Dankzij archeologische opgravingen en schenkingen groeiden de collecties snel aan.
Hallepoortmuseum Tussen 1818 en 1840 werd de tweede middeleeuwse stadsomwalling van Brussel gesloopt. Alleen de Hallepoort ontsnapte aan de sloop omdat het gebouw nog als gevangenis dienstdeed. Intussen werd de historische waarde van dit laatste restant wel erkend. De Belgische staat kocht het gebouw van de stad Brussel en liet het door Tieleman-Frans Suys restaureren om er de collecties van het museum in onder te brengen. Op 25 maart 1847 kreeg het, bij koninklijk besluit, de naam Musée royal d'Armures, d'Antiquités et d'Artillerie.
De collecties groeiden verder aan. Van de talrijke financieel noodlijdende kerkfabrieken en kloosters kon men gemakkelijk religieuze kunst aankopen. Opgravingen bleven verder archeologische objecten opleveren. Belangrijke ensembles werden via aankoop of schenking van particulieren verkregen. De amateur-archeoloog en politicus Gustave Hagemans stond in 1861 voor een bescheiden vergoeding zijn verzameling oudheden, waaronder vele honderden objecten uit de middeleeuwen en de renaissance, aan het museum af. In hetzelfde jaar werden enkele belangrijke middeleeuwse kunstschatten verworven uit de in Parijs geveilde Soltykoff-collectie. Twee jaar later kwam de staat in het bezit van 77 Griekse en Etruskische vazen uit de collectie van de Italiaanse markies Giampietro Campana. Ook de etnografische collecties werden verder door schenking verrijkt. Zo schonk Dokter Conrad Helfrich-Couvreur in 1864 een verzameling van 200 uit Borneo afkomstige objecten. In 1874 werd de collectie oudheden verrijkt met de schenking van de collectie van Emile de Meester de Ravestein.
De etnografische collecties en de verzamelingen kunstvoorwerpen van andere culturen groeiden ook aan via diplomatieke weg. Zo verkreeg het museum in 1879 honderden objecten uit Amerika door toedoen van Emile de Ville, consul van België in Quito.
Door een nieuwe en ingrijpende restauratie (1863-71) onder leiding van Hendrik Beyaert werd de toegankelijkheid van de Hallepoort sterk verbeterd. Toch bleek het gebouw al snel niet meer aan de noden van het sterk gegroeide museum te kunnen voldoen.
Museum in het Jubelpark In België groeide in de jaren 1870 het idee om een museum voor decoratieve en industriële kunsten op te richten. Het in 1852 gestichte Londense 'South Kensington Museum' – het huidige Victoria and Albert Museum – diende daarbij uitdrukkelijk als voorbeeld. Men wilde een ruim publiek bereiken en ook goede voorbeelden ter beschikking stellen voor studie aan kunstenaars, architecten, ontwerpers en kunstambachtslieden.
Met de in 1871 opgerichte Commission royale belge des Echanges internationaux ging men deelnemen aan een internationaal ruilnetwerk van afgietsels van kunstwerken. In elk deelnemend land kon dan een museum met afgietsels van beroemde kunstwerken uit heel Europa worden uitgebouwd. In België resulteerde dit in het zogenaamde Musée des Échanges. Dat kon na de nationale tentoonstelling naar aanleiding van het vijftigjarig jubileum van België in de noordelijke tentoonstellingshal van het nieuwe 'Palais du Cinquantenaire' worden ondergebracht. Deze gebouwen in het zogenaamde Jubelpark waren opgetrokken naar de plannen van Gédéon Bordiau. In 1889 werd beslist om de oudheidkundige collecties uit de Hallepoort ook naar het Jubelpark over te brengen, terwijl de collectie wapens, wapenrustingen, artilleriestukken, maar ook de etnografische collecties daar achter bleven. Zo ontstonden de nieuwe 'Musées royaux des Arts décoratifs et industriels' in de gebouwen van het Jubelpark. De oudheidkundige verzamelingen werden ondergebracht in de galerij achter de noordelijk collonade. De collectie afgietsels in de noordelijke hal werd uitgebreid met de plaasteren reproducties uit de collecties van het Museum voor Schone Kunsten, die voordien op de benedenverdieping van het Academiënpaleis waren tentoongesteld. Het nieuwe museum bezat zo vier afdelingen: de oude kunstnijverheid (inclusief de oudheidkundige verzamelingen), de moderne kunstnijverheid, de monumentale kunst (afgietsels en foto's), en de decoratieve schilderkunst (een studiecollectie van kartons, tekeningen en schetsen).
Nog in 1889 beslist de regering ook een museum voor nationale prehistorie en oudheden op te richten. De inspiratie doet men ditmaal op in Frankrijk waar Napoleon III al in 1862 een nationaal archeologisch museum had gesticht in het kasteel van Saint-Germain-en-Laye. Graaf Louis Cavens wierp zich op als mecenas en kocht voor het museum integrale protohistorische collecties aan. Daarnaast financierde hij ook opgravingen.
In de periode ronde de eeuwwisseling van 1900 kende het patrimonium van het museum weer een sterke aangroei, vooral dankzij de schenkingen en legaten van privéverzamelaars. Er werden ook aankopen verricht, zoals van de collectie Japanse gravures en kunstobjecten van Edmond Michotte, in 1905. Tot slot leverden opgravingen en zendingen in België en het buitenland talrijke stukken op.