thumb|Insigne van de Royal Irish Constabulary thumb|Badge van de RIC Mounted Division (Bereden Divisie) De gewapende, paramilitaire Royal Irish Constabulary (RIC) was de voornaamste politiemacht in Ierland vanaf het begin van de 19e eeuw tot de verdeling van Ierland en de Ierse onafhankelijkheid na de Ierse Onafhankelijkheidsoorlog in 1922.
In Dublin was de ongewapende Dublin Metropolitan Police verantwoordelijk voor de ordehandhaving. Ook Derry en Belfast hadden een eigen politiemacht, maar deze werden later als speciale divisies opgenomen in de RIC. Naar schatting 75% van de RIC bestond uit katholieken, de overige 25% werd gevormd door de verschillende denominaties protestanten. Overgenomen van de Engelstalige Wikipedia, uitgaande van het feit dat de bron door de schrijver aldaar gecontroleerd is. Nog niet zelf achterhaald voor controle. Na de Ierse onafhankelijkheid werd de Royal Irish Constabulary ontbonden en vervangen door de Garda Síochána in Ierland en Royal Ulster Constabulary in Noord-Ierland.
Geschiedenis De eerste georganiseerde politiekorpsen in Ierland kwamen tot stand door de Peace Preservation Act in 1814, waarvoor minister Robert Peel (1788–1850) grotendeels verantwoordelijk was. BBC Northern Ireland: A Short History (De bijnaam "Peelers" voor alle soorten politieagenten is afkomstig van zijn achternaam.) De "Irish Constabulary Act" van 1822 regelde de oprichting van de provinciale korpsen. Deze laatste wet regelde oprichting van een RIC-korps in elke provincie met de korpsleiding onder de directe controle van de Britse civiele administratie in Dublin Castle.Griffin, p. 21 Tegen 1841 telde het RIC ruim 8600 manschappen. De oorspronkelijke opzet werd gewijzigd in 1836 en het eerste reglement werd in 1837 gepubliceerd. De discipline was strikt en het salaris laag. Het RIC werd geconfronteerd met onrust onder de velen armen op het Ierse platteland en was betrokken bij bloedige confrontatie tijdens de zogenaamde "Tithe War" (Nederlands: Tienden-oorlog. Burgerlijk verzet tegen het opleggen van tienden aan de gehele bevolking ten bate van de protestantse Church of Ireland). Ook werd het RIC ingezet bij de bestrijding van de zogenaamde "Ribbonmen" en andere geheime organisaties die zich richtten tegen de landheren, hun rentmeesters en hun vee.Griffin, p. 55
Het nieuwe politiekorps gebruikte zijn efficiency als eerste tegen de burgerlijke propaganda en het Ierse separatisme dat ten toon gespreid werd tijdens Daniel O'Connell's massabijeenkomsten voor het intrekken van de "Acts of Union 1800" (de gedwongen vereniging van Ierland met het toenmalige Verenigd Koninkrijk) en gedurende de Young Ireland-campagne geleid door William Smith O'Brien in 1848. De RIC slaagde er echter niet in het geweld te beteugelen tijdens de zogenoemde "Battle of Dolly's Brae" in Rathfriland in 1849. Deze slag was een gevecht tussen zo'n 1400 mannen van de Oranjeorde en zo'n 1000 "Ribbonmen" (katholieken) waarbij één dode viel. Voor de regering wat dit reden om de Party Processions Act te presenteren teneinde sektarische demonstraties de kop in te drukken. Na deze drukke periode brak een periode van relatieve rust aan.
De oprichting in 1858 van de Irish Republican Brotherhood (IRB) bracht een plan voor een gewapende opstand ter tafel. Directe actie begon met de Fenian Opstand in 1867. "Fenians" (een overkoepelende term voor leden van de Amerikaanse Fenian Brotherhood en de Irish Republican Brotherhood) begonnen met aanvallen op kleine politiestations en de meer geïsoleerde politiekazernes. Deze rebellie werd meedogenloos neergeslagen, mede door een wijd gebruik van infiltranten en provocateurs. De loyaliteit van de Irish Constabulary tijdens deze rebellie werd beloond met het toekennen van het prefix Royal in 1867 door Koningin Victoria en het voorrecht de beeltenis van de Orde van Sint-Patrick in hun wapen en insignes te gebruiken. De activiteiten van de RIC zorgde voor een duidelijke daling in de criminaliteitscijfers in Ierland. De onstabiele situatie op het platteland van het begin van de negentiende eeuw, gekarakteriseerd door geheime genootschappen en illegale gewapende groepen, werd effectief onder controle gebracht. Het politiewerk op het platteland werd in zijn algemeenheid een routine van het handhaven van misdrijven zoals illegaal drank stoken, openbare dronkenschap, diefstalletjes en vermogensdelicten. De start van de Landoorlog en de Grote Depressie zorgden voor een lange periode van onrust.
In Belfast, waar de sterk groeiende industrie een vervijfvoudiging van de bevolking in vijftig jaar veroorzaakte, had men zijn eigen problemen. Een groot deel van de nieuwe inwoners bestond uit katholieken met ernstige sektarische rellen tot gevolg in 1857, 1864, 1872 en 1886. De kleine, civiele Belfast Town Police werd hierdoor overweldigd en uiteindelijk ontbonden waarna de verantwoordelijkheid voor de politionele taken overgenomen werd door de RIC. Gedurende de Havenstaking te Belfast in 1907, uitgeroepen door vakbondsman Jim Larkin, ging een deel van de RIC in staking. Reden hiervoor was dat konstabel William Barret werd geschorst vanwege zijn weigering een "traction engine" te escorteren die bestuurd werd door een stakingsbreker. Ongeveer 70% van de politiemacht in Belfast verklaarde hun steun aan de stakers. Uiteindelijk leidde het protest tot niets toen de dissidente politiemannen overgeplaatst werden naar andere plaatsen kort voor het begin van de staking. Barret en zes andere werkweigeraars werden ontslagen. Voor de zekerheid werden extra eenheden van het Britse leger in Belfast gestationeerd. De havenstaking eindigde op 28 augustus 1907.
Het bestaan van de RIC werd langzaamaan moeilijker met de opkomst van de "Home Rule"-campagne (een autonomiecampagne), met name in het eerste deel van de twintigste eeuw vóór de Eerste Wereldoorlog. Kolonel Neville Chamberlain werd benoemd tot Inspecteur-generaal in 1900. Zijn tijd bij de RIC liep parallel met de opkomst van een aantal politieke, culturele en sportorganisaties die als doel hadden het versterken van de Ierse cultuur maar door handig manipuleren van IRB-activisten in feite deel vormden van de "Home Rule"-campagne. Het potentiële succes van de Derde "Home Rule"-wet, voorgesteld in 1912, zorgde voor ernstige spanningen. Tegenstanders van de wet richtten in januari 1913 de Ulster Volunteers op waarna de voorstanders van de wet Irish Volunteers oprichtten. Deze twee groepen hadden samen meer dan 250.000 leden en waren georganiseerd als private legereenheden. In rapporten aan de "Chief Secretary for Ireland"Feitelijk een administratieve post onder de luitenant-generaal maar effectief een ministerspost met betrekking tot Ierland in de regering van het Verenigd Koninkrijk. Augustine Birrell en zijn onder-secretaris Matthew Nathan, waarschuwde Chamberlain dat de Irish Volunteers een opstand aan het voorbereiden waren om de Ierse Onafhankelijkheid uit te roepen.Michael Foy and Brian Barton, The Easter Rising, Sutton, 2004, , p. 51 Een brief, geschreven in april 1916, van de legercommandant van het zuiden van Ierland, die een landing van wapens verwachtte aan de zuidwestelijke kust en die waarschuwde voor een gewapende opstand met Pasen, werd door Nathan en Chamberlain niet serieus genomen. Zij stelden dat het "twijfelachtig of er enige grond is voor het gerucht". De Paasopstand begon op paasmaandag 24 april 1916 en duurde zes dagen. Hoewel de "Royal Commission on the 1916 Rebellion" de RIC vrij sprak van enige schuld voor de opstand, hadden Chamberlain, Birrell en Nathan inmiddels ontslag genomen. Leon Ó Broin, Dublin Castle and the 1916 Rising, Sidgwick & Jackson, 1966, p. 79-88 en p. 135-152
Karakter van de RIC thumb|Webley 1868 RIC (Royal Irish Constabulary) Revolver Cal 450 CF In het Verenigd Koninkrijk werd idee van politie met afkeer bekeken en was daardoor later dan andere landen met het ontwikkelen van politiediensten. De bekende London Metropolitan Police is bijvoorbeeld maar zeven jaar ouder dan de RIC. En als resultaat hiervan werd de RIC twee kanten uitgetrokken. Tot op zekere hoogte had het bijvoorbeeld een quasimilitair ethos, compleet met barakken, karabijnen, klassenonderscheid tussen manschappen en officieren en een donkergroen uniform met rangonderscheidingstekens die sterk leken op zogenaamde "rifle regiments" in het leger.Abbot, p. 14 The social composition of the senior officers of the Royal Irish Constabulary, 1881-1911. - Fergus Campbell. - In: Irish Historical Studies, volume XXXVI, nr. 144, november 2009, p. 522-541. - ISSN 0021-1214. Blz. 522 Aan de andere kant werden juist de civiele politiediensten in de rest van het Verenigd Koninkrijk gevolgd door meer vriendelijke rangnamen, zoals konstabel en inspecteur, te gebruiken dan de militaire termen. Ook probeerde de RIC acceptatie te bewerkstelligen door de agenten te plaatsen op plekken waar zij het beste pasten in de religieuze overtuiging van de gemeenschap die zij geacht werden te dienen.
De rangenstructuur was tijdens het bestaan van de RIC in grote lijnen als volgt: Royal Irish Constabulary
Inspecteur-generaal (rangonderscheidingsteken van een luitenant-generaal) Plaatsvervangend inspecteur-generaal (rangonderscheidingsteken van een generaal-majoor) Assistent inspecteur-generaal (rangonderscheidingsteken van een brigadegeneraal) Commissaris (rangonderscheidingsteken van een kolonel) County inspecteur (rangonderscheidingsteken van een luitenant-kolonel) District inspecteur 1e klasse (rangonderscheidingsteken van een majoor) District inspecteur 2e klasse (rangonderscheidingsteken van een kapitein) District inspecteur 3e Klasse (rangonderscheidingsteken van een luitenant ) Hoofd konstabel majoor (rangonderscheidingsteken van een "Warrant Officer") Hoofd konstabel (rangonderscheidingsteken van een "Warrant Officer") Konstabel (ingevoerd in 1883, rangonderscheidingsteken van een sergeant) Tijdelijk konstabel (ingevoerd in 1883, ook wel "tijdelijk sergeant" genoemd) (rangonderscheidingsteken van een korporaal) Onder-konstabel (ingevoerd in 1883, ook wel "konstabel" genoemd)
De uitvoering van uitzettingsorders, verkregen door protestants landheren van protestantse magistraten, zorgde ervoor dat de RIC op grote schaal gewantrouwd werd door de arme katholieke plattelandsbevolking. De relatieve kalmte in het late victoriaans en het edwardiaans tijdperk zorgde evenwel dat de RIC toch een mate van respect verkreeg. Vanaf de jaren 1850 voerde de RIC naast haar politiewerk ook een reeks taken op het gebied van de lokale overheid wat zorgde voor nadere integratie met de plaatselijke gemeenschappen waar binnen zij functioneerde. Op het platteland was hun aandacht grotendeels gericht op kleine problemen zoals distilleren, hanengevechten, dronken en wanordelijk gedrag, en het zonder vergunning hebben van honden of vuurwapens. Optreden bij oproer of uitzettingen kwam weinig voor en arrestaties voor zware vergrijpen waren zeldzaam. Ondanks hun status als gewapende politiemacht, droegen de agenten zelf hun wapens maar zelden. Doorgaans droegen zij alleen hun wapenriem, handboeien en wapenstok. Vaak hadden de agenten, samen met de lokale priester, een informele leidende rol in de gemeenschap. Vanwege het feit dat de agenten konden lezen en schrijven deed de bevolking vaak een beroep op hun hulp voor het schrijven van brieven en het invullen van formulieren. In principe waren de agenten gehuisvest in een "kazerne". Echter, alleen in de steden en grotere plaatsen leek dit een beetje op de kazernes van het Britse Leger. Maar ook in de dorpen kregen de politieposten de titel "kazerne", wat een nogal weidse term was voor een gewoon huis met een dagverblijf en een paar slaapkamers. Doorgaans werd een post gehuurd door de overheid en verhuizingen kwamen dus geregeld voor. In 1901 waren er zo'n 1600 politieposten en -kazernes en ongeveer 11.000 agenten.J D Brewer, 1990, The RIC: An Oral History, Belfast