De Slag bij Cedar Creek vond plaats op 19 oktober 1864 in Shenandoah County, Frederick County en Warren County, Virginia als de laatste slag van de veldtochten in de Shenandoahvallei van 1864 tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. Deze slag is ook gekend als de Slag bij Belle Grove. De Zuidelijke luitenant-generaal Jubal Early voerde een verrassingsaanval uit op het tentenkamp van de Noordelijke generaal-majoor Philip Sheridan langs de Cedar Creek ten noordoosten van Strasburg, Virginia. In de loop van de ochtend werden zeven Noordelijke divisies achteruit gedreven waarbij ze verschillende kanonnen verloren en veel soldaten werden gevangengenomen. Early kon zijn aanval ten noorden van Middletown niet doordrukken. Sheridan kon na een dramatische verschijning op het slagveld nadat hij vanuit Winchester was aangesneld zijn linies herstellen in een defensieve stelling. De Noordelijke tegenaanval in de namiddag deed het Zuidelijke leger op de vlucht slaan. Hierbij was de laatste Zuidelijke aanval op het Noorden afgelopen.
Achtergrond Grants strategie in 1864 In maart 1864 werd Ulysses S. Grant bevorderd tot luitenant-generaal en kreeg hij het opperbevel over alle Noordelijke legers. Hij koos ervoor om zijn hoofdkwartier in te delen bij het Army of the Potomac hoewel generaal-majoor George G. Meade bevelhebber bleef van het leger. Grant gaf het bevel over de meeste westelijke legers in handen van generaal-majoor William Tecumseh Sherman. Grant, gesteund door president Abraham Lincoln, stelde een plan op waarbij de vernietiging van de Zuidelijke legers op het voorplan stond. Ook de economische oorlogsvoering vormde een belangrijk deel van zijn plan waarbij de economische basis van de vijand diende vernietigd te worden. Zijn plan bestond uit een gecoördineerd plan waarbij de verschillende Noordelijke legers op de verschillende fronten naar het hart van het Zuiden zouden oprukken. Grant, Meade en generaal-majoor Benjamin Butler zouden het opnemen tegen generaal Robert E. Lee en zijn Army of Northern Virginia bij Richmond. Sherman kreeg de opdracht om Georgia binnen te vallen en Atlanta te veroveren. Generaal-majoor Nathaniel P. Banks diende Mobile, Alabama in te nemen.Salmon, p. 251.
Shenandoahvallei thumb|300px|Operaties in de Shenandoahvallei tussen mei en juli 1864 Het laatste uit de reeks van offensieven was de aanval van generaal-majoor Franz Sigel door de Shenandoahvallei. Tijdens de oorlog was de vallei een belangrijk strategische locatie. Het vormde de waterscheidingslijn van de Shenandoahrivier die tussen de Blue Ridge Mountains in het oosten en het Alleghenygebergte in het westen liep. De vallei was 240 km lang en gemiddeld 40 km breed. De lokale bewoners verwezen naar het zuidwestelijk deel als de "upper Valley" die doorgaans een hoger hoogteverschil toonde dan het noordoostelijk deel. Tussen de North en South Forks van de Shenandoahrivier verrees de Massanutten Mountain (97 meter hoog) die de vallei gedurende 75 km in twee delen verdeelde. Tijdens de 19e eeuw was er slechts één weg die de berg overstak en dit was tussen New Market en Luray.Gallagher, p. 2-3; Wert, p. 27.
De vallei bood twee strategische voordelen voor de Zuidelijken. Ten eerste kon een Noordelijke leger die Virginia aanviel geflankeerd worden. Er waren veel passen aanwezig tussen de vallei en de Blue Ridge Mountains van waaruit de Zuidelijken konden aanvallen. Ten tweede bood de vallei een beschermende corridor voor Zuidelijke legers die het Noorden binnenvielen. De Valley Pike (heden ten dage de U.S. Route 11) vormde een relatief snelle verbindingsweg. Het was deze weg die Lee gebruikte om het Noorden binnen te vallen tijdens de Gettysburgveldtocht in 1863. De vallei bood weinig voordelen voor de Noordelijke legers die Richmond in het vizier hadden. Indien ze toch de vallei in handen hadden, betekende dit een zware slag voor het Zuiden. Het was een rijke agrarische plaats. In 1860 produceerde de regio 2,5 miljoen bussels tarwe of ongeveer een vijfde van de totale productie van de staat. Ook de rijke veestapel was belangrijk. Het werd gebruikt om de Zuidelijke legers en hun hoofdstad van vlees en afgeleide producten te voorzien. Indien Stauton, Virginia in Noordelijke handen viel, kwam de Virginia en Tennessee spoorweg in gevaar die van Richmond naar de Mississippi liep.Grimsley, p. 167-68; Wert, p. 27-28.
Sigel en Hunter Franz Sigel, bevelhebber van het Departement of West Virginia, had bevelen ontvangen van Grant om de vallei binnen te marcheren met 10.000 soldaten en de spoorwegfaciliteiten in Lynchburg, Virginia te vernietigen. Zijn strijdmacht werd opgewacht door 4.000 Zuidelijke soldaten onder leiding van generaal-majoor John C. Breckenridge en werd door de Zuidelijken verslagen in de Slag bij New Market op 15 mei 1864. Sigel trok zich terug naar Strasburg en werd vervangen door generaal-majoor David Hunter. Hunter hervatte het Noordelijke offensief en versloeg brigadegeneraal William E. "Grumble" Jones, die sneuvelde in de strijd, in de Slag bij Piedmont op 6 juni 1864. Hunter bezette Staunton. Hij kreeg versterking van brigadegeneraal George Crook. Grant gaf het bevel dat de 20.000 man sterke strijdmacht van de opbrengsten van het land dienden te leven.Kennedy, p. 298-303; Eicher, p. 691-94; Salmon, p. 329-30.
Early's veldtocht Generaal Robert E. Lee, die het opnam tegen Grant rond Richmond en Petersburg, maakte zich zorgen over de Noordelijke opmars in de Shenandoahvallei. Hij stuurde het Second Corps van het Army of Northern Virginia, die nu aangeduid werd als het Army of the Valley, aangevoerd door luitenant-generaal Jubal Early naar de vallei om de Noordelijken te verjagen. Indien de kans zich voordeed diende ook de Noordelijke hoofdstad Washington, D.C. bedreigd te worden.Kennedy, p. 305; Eicher, p. 715; Salmon, p. 331.
Early’s offensief begon onder een goed gesternte. Hij rukte op door de vallei zonder tegenstand. Hij liet Harpers Ferry, West Virginia links liggen, stak de Potomac over en viel Maryland binnen. Grant stuurde een korps onder leiding van generaal-majoor Horatio G. Wright en opnieuw de eenheden van Crook naar Washington om Early tegen te houden. In de Slag bij Monocacy op 9 juni 1864 versloeg Early een kleine Noordelijke strijdmacht onder leiding van generaal-majoor Lew Wallace. Deze slag hield de Zuidelijken lang genoeg tegen om de verdedigingswerken rond Washington te versterken. In de Slag om Fort Stevens probeerde Early de zwakke plaatsen in de fortengordel rond Washington te vinden. Hij gaf zijn pogingen al na enkele dagen op en trok zich terug naar Virginia. Tijdens de Noordelijke achtervolging werden enkele kleinere confrontaties beslecht waaronder de Tweede slag bij Kernstown op 24 juli 1864 waarbij Crook een nederlaag leed.Eicher, p. 715-18; Salmon, p. 331-32; Kennedy, p. 305-312.
Sheridans veldtocht thumb|300px|De operaties in de Shenandoahvallei van augustus 1864 tot maart 1865 Grant besliste dat de dreiging uitgaande van Early diende vernietigd te worden en dit zeker nadat Chambersburg platgebrand werd door Zuidelijke cavalerie. Een van de problemen waar Grant mee kampte om Early efficiënt aan te pakken, was dat Early’s bewegingen door vier Noordelijke departementen heen plaatsvonden. Grant vond één bevelhebber voor de vier departementen daarom essentieel. Hij droeg George G. Meade voor. Lincoln stelde zijn veto omdat Meade vanuit politieke hoek zwaar onder vuur lag. Grants volgende keuze was een man die agressief genoeg was om Early te verslaan: Philip Sheridan die de bevelhebber was van de cavalerie in het Army of the Potomac. Sheridan kreeg het bevel over alle eenheden in West Virginia, westelijk Maryland en de Shenandoahvallei. Zijn leger kreeg de benaming Army of the Shenandoah mee. Zijn openingszetten waren voorzichtig om de herverkiezing van Lincoln niet in gevaar te brengen.Wert, p. 16; Eicher, p. 719; Salmon, p. 332-33; Kennedy, p. 313.
Na een maand van manoeuvreren en het uitvechten van enkele kleinere veldslagen tussen Sheridan en Early waren de Zuidelijken ervan overtuigd dat de Noordelijken in de vallei maar een kleine dreiging vormden. Robert E. Lee haalde de divisie van generaal-majoor Joseph B. Kershaw terug naar Richmond op 16 september. Sheridan reageerde onmiddellijk en viel met zijn volledige strijdmacht Early aan bij Winchester op 19 september. Early verloor veel soldaten. Zijn leger trok zich in zuidelijke richting terug en nam defensieve stellingen in bij Fisher's Hill. Sheridan kon de vijandelijke stellingen breken door een flankeerbeweging op 22 september. Opnieuw trokken de verslagen Zuidelijken zich terug en nu tot in Waynesboro, Virginia.Welcher, p. 1024-32; Eicher, p. 743-47; Salmon, p. 334-35; Kennedy, p. 315-18.
Early was voorlopig uitgeschakeld en de vallei lag open voor de Noordelijken. Met de inname van Atlanta door Sherman was de herverkiezing van Lincoln zo goed als binnen. Sheridan trok zich systematisch terug en paste de Tactiek van de verschroeide aarde toe. Zo probeerden de Noordelijken de bevoorrading voor de Zuidelijke legers te vernietigen. Early werd ondertussen versterkt door Kershaws divisie en de cavaleriedivisie van generaal-majoor Thomas L. Rosser. Toen Early opnieuw sterk genoeg was om de achtervolging in te zetten werd Rosser verslagen bij Tom's Brook op 9 oktober. Het Noordelijke leger sloeg zijn kamp op ten noorden van Cedar Creek in Shenandoah County, Frederick County en Warren County, Virginia.Grimsley, p. 167-68; Wert, p. 144, 158; Eicher, p. 748; Salmon, p. 335-36; Kennedy, p. 318.
Aanloop naar de slag Sheridan ging ervan uit dat Early uitgeteld was na meer dan een maand van vechten. Daarom stuurde hij het VI Corps, aangevoerd door generaal-majoor Horatio G. Wright terug naar het Army of the Potomac. Op 13 oktober arriveerde Early bij Hupp’s Hill, net ten noorden van Strasburg. Ze vormden een slaglinie en de artillerie beschoot het Noordelijke kamp bij Belle Grove plantation. De Noordelijke divisie van kolonel Joseph Thoburn werd naar voor gestuurd om het vijandelijke geschut het zwijgen op te leggen. Bij de gevechten met Kerschaws divisie vielen 209 Noordelijke en 182 Zuidelijke slachtoffers. Sheridan liet Wrights korps rechtsomkeer maken die reeds bij Ashby’s Gap in de Blue Ridge Mountains waren geraakt. Op 16 oktober vertrok Sheridan naar Washington voor overleg met de Secretary of War Edwin M. Stanton. Hij werd begeleid door zijn cavaleriekorps tot in Front Royal. Dit korps zou dan de Virginia Central Railroad aanvallen. Sheridan wijzigde echter zijn plannen toen hij hoorde dat Early vlagsignalen doorstuurde waaruit bleek dat luitenant-generaal James Longstreet Early zou versterken. Dit was echter desinformatie van Early om Sheridan weg te jagen uit de vallei. Sheridan bracht echter al zijn eenheden opnieuw tezamen in de kampen langs Cedar Creek.Cullen, p. 111-12; Patchan, p. 8-12; Eicher, p. 748; Salmon, p. 336.
Op 12 oktober schreef Lee Early in een brief dat Sheridans strijdmacht moest vernietigd worden. Early stuurde verkenners uit om de Noordelijke kampementen in kaart te brengen. Uit deze informatie kon Early een zwak punt distilleren. De Noordelijken gingen ervan uit dat een vijandelijke aanval vanuit het westen zou plaatsvinden. Daarom hadden de Noordelijken minder aandacht besteed aan hun linkerflank. Bovendien verwachtte Sheridan dat iedere bevelhebber ervoor zou zorgen dat er vooruitgeschoven posten zouden uitgezet worden rond het kamp. De soldaten van Crook waren dit niet gewoon en legden de raad van Sheridan naast zich neer. Early had nu twee opties. Ofwel trok hij zijn leger terug om zijn voorraden aan te vullen ofwel viel hij de Noordelijken aan. Hij koos voor de aanval. Hij werkte een plan uit om de Noordelijke linkerflank aan te vallen via North Fork van de Shenandoahvallei en Cedar Creek om zo de vijandelijke flank stelselmatig op te rollen en te vernietigen.Wert, p. 171-74; Whitehorne, p. 11.