Cornelis Karel Elout (Utrecht, 7 augustus 1870 - Wassenaar, 4 december 1947) was een Nederlands journalist die een belangrijke rol heeft gespeeld voor de georganiseerde journalistiek en bekend is als oprichter van het Comité Nederland - Vlaanderen in 1917 en het Genootschap Onze Taal in 1931.

Levensloop Elout was in 1870 geboren in Utrecht en was de zoon van Cornelis Hendrik Elout en Marie Madelaine Rose. Hij was in de adellijke tak Elout geboren en was een van de drie kinderen van het gezin Cornelis en Marie Elout. Nadat het gezin in 1876 verhuisde naar Domburg, groeide hij op in deze plaats, waar zijn vader werkzaam was als burgemeester. Hij trouwde op 2 mei 1898 met Jacomina Wilhelmina Belia Voorbeijtel. Na haar overlijden trouwde hij op 21 maart 1904 met Helena Maria Belia Voorbeijtel. Elout had twee zoons, van wie een uit zijn eerste huwelijk, en twee dochters.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg Elout het zwaar. Toen Wassenaar op last van de Duitse bezetter werd geëvacueerd, verhuisde hij eerst in 1943 naar Rhenen en later in verscheidene plaatsen achtereen in de Betuwe en de Bommelerwaard, die door het oorlogsgeweld werden geteisterd. Na de bevrijding keerde hij terug naar Wassenaar, waar zijn vrouw kort daarna overleed. Twee jaar later stierf hij in 1947 op 77-jarige leeftijd, inmiddels al in de geest verzwakt.

Studie In Domburg bezocht Elout de HBS in het nabijgelegen Middelburg, die hij in 1889 afrondde.

Werk Aanvankelijk koos Elout voor een militaire carrière. Hij werd eerst toegelaten tot de voorbereidende praktische cursus der Militaire School te Haarlem, een jaar later tot de Artilleriecursus te Delft. In 1891 trad hij in dienst als verslaggever bij het Algemeen Handelsblad. Onbekend is zijn beweegreden voor deze stap, maar in deze periode had hij al op achttienjarige leeftijd een prijs gewonnen voor het beste korte verhaal die werd uitgereikt door het tijdschrift Jong Nederland. In de tien jaar dat hij actief was als verslaggever, schreef hij over zaken als de toestanden in kazernes, een brug over het IJ en Frederik van Eeden en zijn kolonie Walden. Daarnaast ging hij op reportagereizen naar het buitenland; hij woonde de opening van het Kielerkanaal en de kroning van Tsaar Nicolaas II bij en schreef een reeks artikelen over Spanje na de Spaans-Amerikaanse Oorlog van 1898. In 1901 werd hij voor deze Amsterdamse krant correspondent in (politiek) Den Haag, waar hij naartoe verhuisde en in de loop der jaren veel gezag verwierf met zijn overzichten, die verschenen onder het teken van een hoefijzer. Aanvankelijk moest hij in die functie zowel het lokale als het parlementaire nieuws verslaan, lezingen geven en toneel- en muziekrecensies schrijven. Na enige tijd mocht hij zich gaan beperken tot de Tweede Kamer en het toneel. In 1911 verhuisde hij naar Wassenaar. Na een korte maar woelige periode in de politiek, de vaak politiek uitgesproken kameroverzichten die vaker leken op hoofdartikelen in het Algemeen Handelsblad en tegenstellingen tussen hem en de hoofdredactie te Amsterdam, besloot Elout in 1929 om het rustiger aan te doen en zijn kameroverzichten voornamelijk te beperken tot de behandeling van de begroting der koloniën. Hij besteedde vooral aandacht aan Nederlands-Indië en reisde er tweemaal naartoe; de eerste maal in 1925, de tweede keer in 1929. Af en toe schreef hij echter nog wel vrij uitgesproken stukken over uitzonderlijke situaties, waaronder de muiterij op De Zeven Provinciën van 4 februari 1933. Voor hem was dit "de smadelijkste gebeurtenis... van misschien onze gansche nationale geschiedenis", waarvan hij alle partijen de schuld gaf. Met ingang van 1 januari 1936 stopte hij als redacteur, maar bleef vanuit Den Haag nog wel over culturele onderwerpen schrijven in de vorm van een recensent voor beeldende kunst, toneel, cabaret en ballet.

Naast zijn werk bij het Algemeen Handelsblad schreef Elout ook een aantal proza die in zijn tijd werden geroemd, waaronder zijn tweedelige De heeren in Den Haag uit 1907 en 1909 en de Figuren en momenten uit de politiek van koningin Wilhelmina's tijd uit 1938.

Elout trok ook aandacht door tussen 1896 en 1898 een serie interviews met bekende persoonlijkheden te publiceren in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift, destijds nog een tamelijk onbekend genre, zeker in serievorm. Hij interviewde kamerlid en priester Herman Schaepman, oud-minister Samuel van Houten, generaal Karel van der Heijden, senator Abraham Carel Wertheim en hoofdredacteur van de Arnhemsche Courant Gerard Keller. De interviews zijn in 2013 met als titel De eerste interviews. De negentiende-eeuwse vraaggesprekken van een journalistiek pionier in boekvorm verschenen bij Elsevier Boeken, ingeleid door de historicus Coen Brummer.

Navolging kreeg hij bijvoorbeeld van de journaliste Mien van Itallie-van Embden (1870-1959) die vanaf 1922 eveneens interviews afnam van bekende persoonlijkheden die in 1924 en 1928 gebundeld werden in Sprekende portretten.

Gereorganiseerde journalistiek thumb|Een bijeenkomst van de Nederlandsche Journalistenkring in 1916, waaraan Elout ook aan deelnam. Nog voor de eeuwwisseling werd Elout actief in de Nederlandsche Journalistenkring, die door zijn toedoen van een 'gezelligheidsclub', waarin het voornamelijk de hoofdredacteuren en directeuren waren die de toon aangaven, transformeerde naar een Kring die een vakbondsachtig karakter kreeg.

Politieke voorkeuren en ambities Elout was een man die er niet voor schroomde om zich politiek te uiten. Zijn eerste politiek georiënteerde publicatie in 1901 bij het Algemeen Handelsblad was een Duitstalige brochure met de naam 'Der Kulturkampf in Süd-Afrika. Ein Versuch zur Prüfung der Krüger'schen Kulturpolitik', waarin hij het betreurde dat het Duitse Keizerrijk niet de leiding in Europa had overgenomen van rivaal Frankrijk en de onafhankelijkheid van de Boerenrepublieken Oranje Vrijstaat en Transvaal niet als een nationaal belang beschouwde. Later zou hij vaker uiting geven aan zijn sterk gevoel voor de Nederlandse stam, waaronder in de jaren dertig van de twintigste eeuw. In deze periode woedde een vlaggenstrijd tussen voorstanders van het rood-wit-blauw en oranje-blanje-bleu en het Algemeen Handelsblad onder leiding van Elout pleitte er meermaals actief voor om de prinsenvlag de nationale vlag van Nederland te maken. Zo schreef hij in de editie van 3 augustus 1923 het volgende over deze vlaggenstrijd: "Hoe men komen moet tot vlagverandering? Wel, doordien zóóveel burgers zich ervóór verklaren, dat de Regeering het initiatief tot de verandering kan nemen. En dat lijkt ons het best bereikbaar door een vereeniging te vormen! Ja, dit lijkt ons nu eens een motief voor het oprichten van een nieuwe vereeniging. Wier leden zich eenvoudig verbinden tot het uitsteken, als ze vlaggen, van de oude, mooie en door geen ander volk gevoerde vlag: Het 'Oranje, blanje, bleu'".

Over het algemeen was Elout actief bezig om de belangen van de Nederlandse 'stam' en taal te verdedigen. Hij behoorde in 1917 tot een van de oprichters van het Comité Nederland - Vlaanderen, een groep gematigde Groot-Nederlanders die steun trachtte te krijgen "voor de stamverwanten in het Zuiden, die... naar vrijheid in hun volksontwikkeling streven". Verder was hij ook een der oprichters van het Genootschap Onze Taal, waarvan hij van 1931 tot 1935 de eerste voorzitter en later erelid was.

Elout omschreef zichzelf als een 'furieus individualist' en zijn unieke kennis en deskundigheid op het gebied van de binnenlandse politiek tekende jarenlang de politieke kleur van het Algemeen Handelsblad omdat zijn kameroverzichten vaak het karakter van hoofdartikelen hadden. Hij was daarom niet onomstreden en zijn bevordering tot hoofdredacteur kwam meermaals ter sprake: hij werd door hoofdredacteur Charles Boissevain 'een weinig te ontplooibaar' mens bevonden in de omgang met anderen. Ook had hij de neiging om de politieke leiding van het Dagblad vanuit Den Haag te sturen, wat voor de hoofdredactie en directie onaanvaardbaar was. Niettemin had Elout dit na de dood van hoofdredacteur A.G. Boissevain in 1922 korte tijd gedaan, maar ook hij zag toen in dat de politieke leiding en hoofdredactie in één plaats dienden te zijn verenigd om de vaak strubbelingen tussen Den Haag en Amsterdam te voorkomen. Op politiek vlak ging Elout met veel politici op een gelijke voet om, maar was nooit te amicaal. Hij hield altijd afstand met ze en dit was merkbaar toen hij zich verkiesbaar stelde bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1909 voor de liberale partijen (Liberale Unie en Bond van Vrije Liberalen) in het kiesdistrict Enschede, waar hij uiteindelijk niet werd verkozen. Toen beide partijen in 1921 fuseerden tot De Vrijheidsbond, schreef Elout zelfs dat dit "geen liberale partij" was. Ook gaf hij zijn lezers aan de vooravond van de Tweede Kamerverkiezingen 1922 het advies om te stemmen op de liberalen of de 'Christelijk-historischen'. Deze tegenstand was in toendertijd ongewoon en de uitspraken van Elout in het doorgaans zo liberale Algemeen Handelsblad wekte dan ook veel beroering onder de liberale bevolking van toen.

Vanaf de jaren 30 veranderde Elouts liberalisme en kreeg hij een weerzin tegen staatsbemoeienis, iets dat hij "in strijd met den oorsprong van ons bestaan als zelfstandig volk" achtte. Hij verzette zich echter tegen een dogmatisch gedachtegoed omdat hij "een wanhopig zich vastklampen aan den vrijen handel" een Don Quichotterie" vond. Zijn liberalisme was over het algemeen nooit optimistisch, maar in de jaren 20 en 30 werd hij uitgesproken pessimistisch over de toekomst der westerse cultuur die "zich geheel heeft toegewend naar het uiterlijke en vooral naar het materieel levensgewin" had overgegeven. Ook zag hij toen een culturele bedreiging vanuit drie kanten komen die Nederland in de knel kon brengen: de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie en "Oostersche religieuse begrippen" (doelend op religies als theosofie en soefisme).

Categorie:Nederlands journalist