Paul-Émile Ladmirault (Nantes, 8 december 1877 – Camoël, 30 oktober 1944) was een Franse componist, muziekpedagoog, dirigent en muziekcriticus. Hij begon als muzikaal wonderkind, werd leerling van Gabriel Fauré, en was zeer actief betrokken bij de culturele beweging van zijn geboorteregio Bretagne.
Levensloop Ladmirault kreeg in zijn jonge jaren les voor piano, orgel en viool. Op achtjarige leeftijd componeerde hij een eerste sonate voor viool en piano. Al gedurende zijn tijd op het Lycée Georges-Clemenceau in Nantes componeerde hij zijn eerste opera in drie bedrijven Gilles de Rais, die op 18 mei 1893 in de Salle des Beaux-Arts in Nantes in première ging. Vanaf 1895 studeerde hij aan het Conservatoire national supérieur de musique in Parijs bij Antoine Taudou (harmonie), André Gedalge (contrapunt en fuga) en vanaf 1897 bij Gabriel Fauré (compositie). Hij orkestreerde enkele werken van Fauré en vond spoedig waardering bij zijn medestudenten Maurice Ravel, Florent Schmitt, Louis Aubert, Jean Roger-Ducasse en George Enescu. Hij sloot zich aan bij de door Ravel opgerichte kunstenaarsgroep "Les Apaches", die van 1902 tot 1914 bestond met onder anderen Igor Stravinsky, Manuel de Falla, Ricardo Viñes en Émile-Allain Séguy.
In 1903 huwde hij met Charlotte de Saint Quentin; het echtpaar kreeg vijf kinderen. In datzelfde jaar componeerde hij zijn Suite bretonne in drie delen en daarna Brocéliande au matin. Beide werken waren geadapteerd uit materiaal van zijn tweede opera Myrdhin, die nooit werd uitgevoerd. Zijn muziek wordt gekenmerkt door zijn gehechtheid aan Bretagne en het hele landschap. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in de Rhapsodie gaélique, La Brière, En Forêt en in de Symfonie in C majeur. miniatuur|Ladmirault omstreeks 1910
Omdat hij de Bretonse taal sprak kon hij worden toegelaten als bard in de Gorsedd de Bretagne (Breudeuriezh Drouized, Barzhed hag Ovizion Breizh (de 'Broederschap van druïden, barden en ovaten in Bretagne'), waar hij de bardennaam "Oriaf" kreeg. Hij kon zich ook uitdrukken in de dode Keltische taal Gallisch. In 1910 richtte hij samen met Louis Aubert de Vereniging van Bretonse componisten (L'Association des compositeurs bretons) op, de zogenaamde Bretonse cohorte (La Cohorte bretonne). Hiertoe behoorden ook de componisten Joseph Guy Ropartz, Paul Le Flem, Charles-Augustin Collin, Maurice Duhamel, Paul Martineau en Louis Vuillemin. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog bestond deze cohorte officieel niet meer.
Gedurende de oorlog diende hij vier en een half jaar in het Franse leger. Hij diende eerst aan het front maar vanaf 1917 bekwam hij een artistieke post achter het front. Na de oorlog keerde hij niet terug naar Parijs, maar vestigde zich in de familieresidentie in Kerbili à Camoël in Bretagne. Hier werd hij in 1920 benoemd tot docent voor contrapunt en fuga aan het Conservatoire à rayonnement régional de Nantes. Ladmirault werkte ook als muziekcriticus voor het magazine Chanteclair.
Hij pleitte voor een culturele autonomie van Bretagne tegen het Parijse centralisme en werd lid van de Bretonse Nationale Partij (Parti national breton) en van de artistieke groep Seiz Breur, waarin spoedig hierna ook Georges Arnoux en later Paul Le Flem meewerkten. In 1929 richtte hij samen met de hoogleraar farmacie Édouard Guéguen de Keltische kring van Nantes (Cercle Celtique de Nantes) op, een van de oudste kringen van Bretagne. Hij werd ook dirigent van een zangvereniging.
Het compositorische werk van Ladmirault leent uitbundig vanuit de Keltische legende, zoals het ballet Prêtresse de Korydwen of het symfonisch gedicht La Brière, dat ook in de gelijknamige film van Léon Poirier wordt gebruikt, en ontleend is aan de roman van Alphonse de Châteaubriant, zijn vroegere klasgenoot op het "Lycée Georges-Clemenceau". In 1920 dirigeert René-Emmanuel Baton de première van zijn Rapsodie gaélique in het kader van de "Concerts Pasdeloup".
Ladmirault is vooral bekend om zijn symfonische gedichten. Het grootste succes oogstte de uitvoering van zijn symfonisch gedicht En Forêt door het Orchestre de Paris onder leiding van Eugène Bigot in 1932. Het werd zowel door het publiek als door de muziekcritici enthousiast ontvangen. Ladmirault schreef ook zeer gewaardeerde kerkmuziek, zoals de Messe brève, die hij componeerde ter gelegenheid van de wijding van zijn zoon Daniel. Op advies van Claude Debussy werd hij lid van de Société Nationale de Musique. Gedurende de Wereldtentoonstelling van 1937 werd hij met een gouden medaille bekroond.
Ladmirault leed aan de ziekte van Parkinson en overleed in 1944.
Vernoeming In Ladmiraults geboortestad Nantes is een plein naar hem vernoemd: Place Paul-Émile Ladmirault.
Composities Werken voor orkest 1901 Valse triste, voor piano en orkest 1903 Suite bretonne, voor orkest Ronde Chant des bugale-noz: Pantomime Scherzo Chanson populair d'après un thème Breton du XIII siècle Danse de l'épée 1908 Brocéliande au matin, symfonisch gedicht 1909 Rapsodie gaélique, voor twee piano's en orkest Les Campbells arrivent Danse des fées Nocturne Limerick-Pibroch Chanson Écossaise des basses-terres Fantaisie sur une contredanse populaire 1911 Gnomes, voor zangstem en orkest – tekst: Marie Dauguet 1912 rev.1930 En Forêt, symfonisch gedicht 1912-1920 Tristan au Morois, symfonisch gedicht 1916 Variations sur des airs de biniou trécorois – (tirés du Recueil de Narcisse Quellien), voor orkest 1925 La Brière, symfonisch gedicht 1926 Symfonie in C majeur Chant funèbre de Merlin, voor zangstem en orkest Epousailles, voor piano en orkest La Jeunesse de Cervantès, voor klein-/kamerorkest Le roman de Tristan, voor zangstem en orkest Cortège royal La nef Interlude symphonique Rêverie à l'aube Dernier prélude
Werken voor harmonieorkest 1899 Les Sablaises 1910 Chanson chorale bretonne, voor gemengd koor en harmonieorkest 1910 Marche du Gorsedd
Missen en andere kerkmuziek 1906 Quelques vieux cantiques Bretons, voor gemengd koor en orgel Esprits heureux du paradis Nous t'implorons avec amour Sainte Anne, bonne mère Le paradis Approchez avec foi Ô sainte mère de mon Dieu 1908 Noëlz anciens composés en l'honneur de Notre-Seigneur Jésus-Christ, voor zangstem en orgel (of piano) O nuict, heureuse nuict de Jésus inspirée Pastourelles, pastoureaux qui dormez sur la prée Voyage de Joseph et de Marie à Bethléem L'adoration des bergers Adeste fideles L'adoration des Mages 1911 Dominical, suite voor vocaal kwartet en piano – tekst: Max Elskamp 1921 Cantique à Saint Joseph, voor zangstem en orgel – tekst: Abbé François Le Dorz 1936 Six cantiques bretons du XVIIe siècle (1626), voor zangstem en harmonium Messe brève, voor gemengd koor en orgel Prière à Notre-Dame, voor contra-alt, viool en piano – tekst: François Villon Tantum ergo, voor zangstem, orgel en orkest
Muziektheater Opera's Voltooid in titel aktes première libretto 1892-1893 Gilles de Rais (Gilles de Retz) 3 bedrijven 18 mei 1893, Nantes, Salle des Beaux-Arts de moeder van de componist, naar Charles Perrault 1902-1909 Myrdhin (Merlin) niet uitgevoerd Albert Fleury en de componist
Operette Voltooid in titel aktes première libretto 1928 Glycère 1928, Parijs
Ballet Voltooid in titel aktes première libretto choreografie 1917 La Prêtresse de Korydwen 2 aktes 17 december 1926, Parijs, Opéra Garnier Albert Juhellé, Georges Cléret Léo Staats
Toneelmuziek 1913 Tristan et Iseut, in een proloog, 3 bedrijven en 8 taferelen – tekst: Joseph Bédier en Louis Artus
Vocale muziek Werken voor koor 1914 Chant des âmes de la forêt, voor vrouwenkoor (SSA) en piano (of orkest) – tekst: Alfred Gauche 1927 Chansons écossaises, voor gemengd koor en piano 1929 Sept chansons, voor gemengd koor a capella Je me levay par un matin (1615) Le chambonnier: (Haute Bretagne) Plantons le Mai – tekst: Jean-Antoine de Baïf Le matin En paradis – tekst: Jean-Antoine de Baïf La violette – tekst: Jean-Antoine de Baïf La poule blanche: (Basse Bretagne) 1932 La Belle Aronde, voor driestemmig vrouwenkoor (SSA) – tekst: Jean-Antoine de Baïf 1932 Revoici le printemps, voor driestemmig vrouwenkoor (SSA) en piano – tekst: Jean-Antoine de Baïf 1936 Six chansons, voor vrouwenkoor en piano Annaïk – tekst: Pierre Lorys Le réveil du village Bel Aubépin – tekst: Pierre de Ronsard L'Alouette – tekst: Jean-Antoine de Baïf Revoici le printemps Le Tambour aire 1943 Le tambourinaire, voor driestemmig vrouwenkoor – tekst: Pierre Lorys 1943 Réminiscences, voor driestemmig vrouwenkoor – tekst: Pierre Lorys Fugue sur "La Vigne au vin", contrapunt voor gemengd koor La Gardeuse d'oies, voor driestemmig vrouwenkoor – tekst: F. Fabié Roséis, voor gemengd koor Trois chansons, voor gemengd koor en piano The Millers song Légende de St-Efflamm Notre Dame du Folgoat
Liederen 1897 Airs anciens, voor tenor, strijkkwartet en piano 1901 Berceuse créole !, voor zangstem en piano – tekst: Louise Ladmirault 1901 Lied, voor zangstem en piano – tekst: William Treille 1904 La Douceur des premiers aveux !, voor zangstem en piano – tekst: Alfred Gauche 1904 Les Sanglots longs !, voor zangstem en piano – tekst: Paul Verlaine 1906 Chansons de marins, voor zangstem en piano – tekst: M. de La Landelle Les Neveux de Jean Bart La Noce des mâts et des voiles La Lettre du novice 1906 Quelques Chansons de Bretagne et de Vendée, voor middenstem en piano Chanson du bois de la lande Chanson de la mariée Salut à la Bretagne Le chiffonnier Durant les longues veillées d'hiver Le coucou 1906 Quelques chansons de Bretagne et de Vendée – 2ème recueil, voor zangstem en piano Jeanette Marzin enn he gavel (Merlin au berceau) Soun (Sone) Margoton Va gouen (Ma race) La fille au laboureur 1907 La Délaissée ! – Chanson poitevine, voor zangstem en piano 1908 Gnomes, voor zangstem en piano – tekst: Marie Dauguet 1910 Les Béatitudes, voor zangstem en piano – tekst: Marie Dauguet 1911 L'Aubépine, voor sopraan (of tenor) en piano – tekst: Remy de Gourmont 1913 Hymne d'amour, voor zangstem en piano – tekst: Albert Fleury 1917 La petite Bague de la tranchée, voor zangstem en piano – tekst: Georges Péaud 1928 Le livre pour toi, voor zangstem en piano – tekst: Marguerite Burnat-Provins 1928 Triolets à Catherine, voor zangstem en piano – tekst: Auguste Dupont 1932 Veillée de Noël (Noz-Nédéleg), voor zangstem en piano – tekst: Yves Berthou 1942 Brunelette, voor zangstem en piano – tekst: Jean-Antoine de Baïf 1942 Romance, voor zangstem en piano – tekst: Paul Audillac Deux chansons, voor sopraan en piano – tekst: Marguerite Burnat-Provins Le livre pour toi Tu m'as demandé Chanson du bois de la lande, voor zangstem en piano Chanson de la mariée, voor zangstem en piano Durant les longues veillées d'hiver, voor zangstem en piano Le chiffonnier, voor zangstem en piano Le coucou, voor zangstem en piano Madrigal, voor hoge zangstem en piano – tekst: Jean Marcel Salut à la Bretagne, voor zangstem en piano
Kamermuziek 1886 Mélodie, voor cello en piano 1891 Concertino Sonate, voor viool en orgel 1899 Fantaisie, voor viool en piano 1931 Sonate in g mineur, voor viool en piano – opgedragen aan George Enescu 1933 Strijkkwartet 1933 Strijkkwintet 1933 De l'ombre à la clarté, modale fantasie voor viool en piano 1936 Choral et Variations, voor piano en blaaskwintet 1939 Sonate, voor cello en piano 1942 Sonate, voor klarinet en piano Chevauchée, fantaisie sur des « réels » écossais, trio voor viool, cello en piano Romance, voor strijkkwartet Suite, voor hobo en piano Trio intitulé "Le Fleuve" en mi majeur (E majeur), voor viool, cello en piano
Werken voor orgel Prélude En haut à droite Prélude moche, et en bas à gauche Prélude mauvais !
Werken voor piano 1885 Sonatine 1885 La valse des bruyères 1890 Tristesse et Bonheur (Pour la guérison de maman) 1901 Valse mignonne, voor piano vierhandig 1901 Valse triste, voor twee piano's