Klatergoud is metaalblad van geelkoper met weinig zink; de legering bevat meestal 85-88% koper en 12-15% zink. Zulk koperblik lijkt aanvankelijk qua kleur en spiegeling op goud, maar wordt na een korte periode volledig zwart. Erg waardevol is het dus niet en het wordt dan ook vaak als waardeloze pronk afgeschilderd.
Overdrachtelijk staat klatergoud voor allerhande schone schijn, zoals bij Kees de Dood: Hij zag, dat de houding en de manieren van Frits een en al aanstellerij waren: tinnef. Dat was ’t: klatergoud, similidiamant, vodderij – tinnef!
Een ander materiaal dat pejoratief als goud aangeduid wordt, is pyriet, dat afhankelijk van de lichtval een goudglans heeft. Dit wordt in het Engels (gekkengoud) genoemd.
Etymologie Het woorddeel klater- verwijst waarschijnlijk naar het geluid dat dun metaal bij aanraking maakt; Kiliaan verwees naar ratelende lovertjes op kleding. Het woord was toen misschien nog nieuw; het is in 1599 geattesteerd en verwees toen nog naar echt bladgoud. De huidige betekenis 'vals bladgoud' is pas bekend uit de jaren 1640.
Categorie:Legering