De Tweede Slag bij Franklin vond plaats op 30 november 1864 in Williamson County, Tennessee tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. Het Zuidelijke Army of Tennessee onder leiding van luitenant-generaal John Bell Hood voerde een reeks frontale aanvallen uit op sterke defensieve Noordelijke stellingen die bemand werden door de soldaten van generaal-majoor John M. Schofield. De Zuidelijken slaagden er niet in om de vijandelijke linies te breken waarna Schofield zich op een ordelijke manier kon terugtrekken naar Nashville.

De Zuidelijke aanval werd uitgevoerd door zes divisies of 18 brigades die bijna 20.000 man sterk waren. Het wordt soms de Picketts Charge van het westen genoemd. De Zuidelijken leden zware verliezen waarbij naast de talloze soldaten 14 generaals en 55 regimentscommandanten sneuvelden of gewond raakten.

Samenstelling van de legers Zuidelijke bevelhebbersNoordelijke bevelhebbers

Zuidelijke strijdkrachten Luitenant-generaal John Bell Hoods Army of Tennessee telde 39.000 soldaten en was samengesteld als volgt: Het korps van generaal-majoor Benjamin F. Cheatham bestaande uit de divisies van de generaals-majoor Patrick Cleburne, John C. Brown en William B. Bate. Het korps van luitenant-generaal Stephen D. Lee bestaande uit de divisies van de generaals-majoor Edward "Allegheny" Johnson, Carter L. Stevenson en Henry D. Clayton. (Alleen Johnsons divisie speelde een actieve rol in Franklin.) Het korps van luitenant-generaal Alexander P. Stewart bestaande uit de divisies van de generaals-majoor William W. Loring, Samuel G. French en Edward C. Walthall. De cavalerie van generaal-majoor Nathan Bedford Forrest bestaande uit de divisies van de brigadegeneraals James R. Chalmers, Abraham Buford, en William H. Jackson.

Noordelijke strijdkrachten Generaal-majoor John M. Schofields Army of the Ohio telde 27.000 soldaten en was samengesteld als volgt: IV Corps onder leiding van generaal-majoor David S. Stanley bestaande uit de divisies van de brigadegeneraals Nathan Kimball, George D. Wagner en Thomas J. Wood. XXIII Corps die normaal werd geleid door Schofield zelf maar nu onder leiding stond van brigadegeneraal Jacob D. Cox bestaande uit de divisies van de brigadegeneraals Thomas H. Ruger en James W. Reilly. Cavalry Corps aangevoerd door generaal-majoor James H. Wilson bestaande uit de divisies van de brigadegeneraals Edward M. McCook, Edward Hatch, Richard W. Johnson en Joseph F. Knipe.Eicher, p. 770, 774; Welcher, p. 599, 611.

Achtergrond De weg naar Franklin 21 november - 29 november 1864 november Op 21 november 1864 vertrok het Zuidelijke Army of Tennessee uit Florence (Alabama), Alabama. Met een reeks van geforceerde marsen (110 km in drie dagen tijd) probeerde Hood zich tussen de twee Noordelijke leger te manoeuvreren om ze elk afzonderlijk te verslaan. De Noordelijke generaal Schofield trok zich prompt terug vanuit Pulaski naar Columbia (Tennessee), Tennessee waar een belangrijke brug over de Duck rivier lag. De Noordelijken slaagden erin als eerste de stad te bereiken op 24 november en enkele uren voor de vijand verscheen, de nodige borstweringen op te werpen. Tussen 24 november en 29 november werd de Zuidelijke opmars geblokkeerd in de Slag bij Columbia. Terwijl er schermutselingen en artilleriebeschietingen plaatsvonden, probeerden beide legers te manoeuvreren.McPherson, Battle Chronicles, p. 181-82; Welcher, p. 588; Eicher, p. 770; Nevin, p. 88.

Op 28 november ontving Schofield het bevel van Thomas om de nodige voorbereidingen te treffen om Columbia te verlaten en nieuwe stellingen in te nemen bij Franklin. Hij ging ervan uit dat het XVI Corps van generaal-majoor Andrew J. Smith, die op weg was vanuit Missouri, op tijd Schofield zou versterken. De gecombineerde strijdmacht kon dan sterke defensieve stellingen innemen bij de Harpethrivier in Franklin. Ondertussen stuurde Hood de korpsen van Cheatham en Stewart via Davis’s Ford over de Duck rivier waardoor de Noordelijke stellingen bij Columbia geflankeerd werden. Enkel de Zuidelijke artillerie en twee divisies van Lees korps bleven voor de stad liggen om de vijand te misleiden.Eicher, p. 770; Sword, p. 84, 89, 91; McPherson, Battle Chronicles, p. 180-82; Welcher, p. 586-88; Nevin, p. 82-83, 88.

Op 29 november verkeerde het Noordelijke leger in groot gevaar. Hood had de Noordelijken geflankeerd. Schofields leger was deels in Columbia en deels op weg naar het noorden. Zijn bagagetrein en een deel van het IV Corps was reeds bij Spring Hill op 15 km van Columbia. In de Slag bij Spring Hill had Hood de kans om een deel van de Noordelijke troepen en de bagagetrein te vernietigen. Door een reeks van communicatieproblemen kon uiteindelijk het volledige Noordelijke leger in de nacht van 29 op 30 november vrijwel ongehinderd in Noordelijke richting passeren. Toen Hood de volgende ochtend besefte wat er was gebeurd, was hij furieus op zijn soldaten en op zijn bevelhebbers, dus op iedereen uitgezonderd zichzelf. Hij zette onmiddellijk de achtervolging verder.Eicher, p. 771; Kennedy, p. 392; Welcher, p. 589-90.

Noordelijke defensieve plannen Na een geforceerde mars bereikte de Noordelijke voorhoede Franklin op 30 november om 04.30 uur. Jacob Cox, tijdelijke bevelhebber van het XXIII Corps, begon onmiddellijk de defensieve linies rond de stad te versterken.Eicher, p. 772; Welcher, p. 590-91.

Schofield besloot om Franklin te verdedigen. De oorspronkelijke bruggen hadden dringende reparaties nodige en hij had niet de beschikking over zijn pontonbruggen die achtergelaten waren in Columbia. Zijn genie werd onmiddellijk aan het werk gezet om de spoorwegbrug en gewone brug te herstellen. Zijn bagagetrein werd in de zijstraten van de stad geparkeerd zodat de hoofdweg naar de brug open bleef. In de vroege namiddag waren de bruggen voldoende gerepareerd om de bagagetrein erover te sturen. Toen de Zuidelijken de aanval inzetten, was de bagagetrein over de rivier op weg naar Nashville.Welcher, p. 591-93.

Tegen de middag waren de defensieve stellingen klaar. De linies vormden een halve cirkel rondom de stad van het noordwesten tot het zuidoosten. De rest van de stad werd beschermd door de Harpethrivier. In tegenklokwijzerzin beginnend in het noordwesten stonden de divisies van Kimball (IV Corps), Ruger (XXIII Corps) en Reilly (XXIII Corps). Waar de Columbia Pike de stad naderde was er een gat in de Noordelijke stellingen om de karren door te laten. Op ongeveer 61 m achter het gat werd een kleinere aarden wal opgeworpen die als controlepunt diende en geen deel uitmaakte van de grote defensieve linie. Het gat werd gedekt door Battery A, 1st Kentucky Artillery. De defensieve linie in de zuidelijke sector bestond uit een gracht van 1,2 m breed en 1 m diep. Daarachter was een muur opgetrokken uit houten palen die op een aarden wal stond. In de zuidoostelijke sector vormde een haag van Osagedoorn een onoverkoombare barrière. Net achter het centrum van de linie stond Carter House die ingericht was als hoofdkwartier van Cox. Daarnaast stond een Cotton gin waar kleinere barricades waren opgeworpen. Schofield richtte zijn hoofdkwartier in het huis van Alpheus Truett in op 750 ten noorden van de rivier langs de Nashville Pike. Hij zou echter het grootste deel van zijn tijd in Fort Granger vertoeven om de slag te leiden.Welcher, p. 593; Eicher, p. 772. Er werden twee Noordelijke brigades 750 voor de hoofdlinie opgesteld. Wagners divisie was de laatste die Franklin naderde vanuit Spring Hill. Wagner gaf het bevel aan die twee brigades om zich zo goed en zo kwaad mogelijk in te graven.Welcher, p. 594.

Woods divisie van het IV Corps en de cavalerie werden ten noorden van de rivier opgesteld om flankeeraanvallen te pareren. Schofield maakte plannen om zijn leger tegen 18.00 uur over te rivier te krijgen indien de Zuidelijken nog niet waren verschenen. Toen de Zuidelijken naderden, ging Schofield ervan uit dat ze hetzelfde manoeuvre zouden uitvoeren zoals bij Columbia. Een frontale aanval op een sterke defensieve linie werd niet verwacht.Welcher, p. 593, 597.

Het Zuidelijk aanvalsplan De voorhoede van het Zuidelijke leger arriveerde bij Winstead Hill op ongeveer 3 km ten zuiden van Franklin rond 13.00 uur. Hood gaf het bevel tot een frontale aanval. Zijn officieren waren verontrust over zijn beslissing. Forrest vroeg een infanteriedivisie om samen met zijn cavalerie de rivier over te steken om de vijand te flankeren zoals bij Columbia. Ook Cheatham voelde er niet veel voor om de Noordelijke stellingen te bestormen. Toch zette Hood zijn wil door.Niven, p. 98-100.

Hoods doel was de vernietiging van Schofields leger voor de Noordelijken opnieuw naar het noorden ontsnapten. Hij vreesde ervoor dat de flankeerbeweging te veel tijd in beslag zou nemen om uit te voeren. Om 16.00 uur rukten de Zuidelijken op. Cheathams korps nam de linkerflank voor zijn rekening en Stewart de rechterflank. Bates divisie had vertraging opgelopen om zijn uitgangspositie in te nemen waardoor de aanval in zijn geheel vertraging opliep. De cavalerie werd in twee delen gesplitst. Chalmers divisie werd op de uiterste linkerflank geplaatst, terwijl dat Buford en Jackson bij Forrest bleven. Lees korps en de Zuidelijke artillerie waren nog op weg vanuit Columbia. Hoods aanvalsmacht bestond uit ongeveer 20.000 soldaten die 3 km open terrein dienden over te steken tegen een sterke defensieve stelling. De enige artillerie om de opmars te steunen waren twee batterijen.Welcher, p. 595; McPherson, Battle Chronicles, p. 189.

De slag De Zuidelijke aanval thumb|Hoods opmars en de aanval op Wagners vooruitgeschoven stellingen thumb|Zuidelijke aanval en Opdyckes tegenaanval tussen 16.30 uur en 19.00 uur De Zuidelijke opmars overrompelde de 3.000 Noordelijke soldaten van de twee brigades van Wagner. Zonder goede verschansingen en geen dekking op de flanken waren ze kansloos tegen de aanstormende Zuidelijken. Ze losten één gecoördineerd schot. De twee kanonnen van Battery G, 1st Ohio Light Artillery vuurde schrapnel, maar al snel probeerden deze veteranen het vege lijf te redden door naar Franklin te lopen. 700 soldaten werden gevangengenomen. De vluchtende Noordelijken en de achtervolgende Zuidelijken maakte het voor de Noordelijke verdedigers van de defensieve linie het onmogelijk om vuur te openen op de Zuidelijke aanvallers.Nevin, p. 103; McPherson, Battle Chronicles, p. 189-91.

Doorbraak en tegenaanval in het Noordelijke centrum Door deze situatie waarbij de Noordelijken zich niet konden verdedigen was de opening in de defensieve linie langs de Columbia Pike tot aan Carther House en de cotton gin extra kwetsbaar. De Zuidelijke divisies van Cleburne, Brown en French convergeerden op deze plaats en overrompelden de Noordelijke stellingen aan weerszijden van het gat. De 100th Ohio Infantry van Reilly’s brigade werd terug gedrongen ten oosten van de weg en kolonel Silas A. Stricklands brigade werd terug gedrongen naar het Carter House en de cotton gin. De linkervleugel van de 72nd Illinois Infantry werd verjaagd naar de stellingen van de 183rd Ohio Infantry. Hierdoor diende de rest van de 72nd zich eveneens terug te trekken. In enkele minuten tijd waren de Zuidelijken 50 m diep doorgedrongen in de Noordelijke stellingen.Welcher, p. 595; Nevin, p. 105; McPherson, Battle Chronicles, p. 191.

Terwijl de Zuidelijken door het gat stroomden, bevond Opdyckes brigade zich in reserve op 200 m ten noorden van het Carter House. Opdycke stelde zijn soldaten op in gevechtsformatie. Voor hen zagen ze vluchtende kameraden en massa’s Zuidelijke soldaten. Opdycke gaf het sein tot de aanval. Tegelijkertijd arriveerde zijn korpsbevelhebber Stanley ter plaatse. Terwijl Stanley naar voor reed, werd zijn paard onder hem neergeschoten en raakt hijzelf gewond in de nek waardoor hij tijdelijk uitgeschakeld was.Welcher, p. 595; Nevin, p. 112.