De Armeense wijk (Armeens: Երուսաղեմի հայկական թաղամաս, Yerusaghemi haykakan t'aghamas, Hebreeuws: הרובע הארמני, Arabisch: حارة الأرمن) is een van de vier traditionele wijken van de Oude Stad van Jeruzalem. De andere drie zijn: de Joodse wijk, de Islamitische wijk en de Christelijke wijk. De Armeense wijk is de kleinste van de vier, met het kleinste aantal inwoners; in 2015 woonden er 2260 Armeniërs in Jeruzalem, de meesten van hen in en rond het Armeense patriarchaat van Jeruzalem bij de Sint-Jacobuskathedraal, rondom het Sint-Jacobsklooster, dat het grootste deel van de Armeense wijk beslaat."A Cloistered Community." Jerusalem Post, 30 maart 2001 Een van de belangrijkste redenen voor het bestaan van een Armeense wijk is de religie en etniciteit van de Armeniërs. Armeniërs zijn, in tegenstelling tot de meerderheid van de christenen in Israël, geen Arabieren. Door huwelijken binnen de gemeenschap zijn zij een homogene groep gebleven en bleef in de loop der jaren hun cultuur bewaard.
Geschiedenis Voorgeschiedenis thumb|250px|De ingang van de St. Jacobuskathedraal Armeniërs bewoonden gedurende meer dan vierduizend jaar delen van het moderne Turkije, Iran en de Kaukasus. De eerst bekende vermelding van Armeniërs die in de buurt van Jeruzalem kwamen, stamt uit 95 v.Chr. onder koning Tigranes II van Armenië. De Armeense legers trokken naar verschillende steden in Judea, voordat zij Israël verlieten. In die tijd kunnen Joden handelsbetrekkingen met Armenië aangegaan zijn en zich in dat verre land zijn gaan vestigen, terwijl tegelijkertijd Armeniërs bekend raakten met de landen rondom Jeruzalem en met Israël gehandeld hebben. Na de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 haalden de Romeinen Armeense handelaren, ambachtslieden, legionairs en ambtenaren naar Rome. Juist toen kwamen Judas Thaddeus en Bartholomeus, beiden christelijke apostelen, aan in Armenië om te prediken voor de Armeniërs en de kleine Joodse gemeenschap daar. Als gevolg daarvan verspreidde het christendom zich onder de hogere klassen van de Armeense adel. In ca. 301-14 werd Armenië uitgeroepen tot een "christelijke staat" door Koning Trdat III, historisch gezien het eerste christelijke land. Men vermoedt dat in deze periode Armeense pelgrims op bedevaart naar Jeruzalem gingen. Armeense overlevering vertelt ook dat toen al een kleine "bovenkamer" van een huis op de berg Zion als kerk werd gebruikt. Vandaar dat Armenen aanspraak maakten op een wijk in de buurt van de berg Sion, waar later de St. Jacobuskathedraal zou worden gebouwd.
Het Edict van Milaan in 313 maakte het christendom tot een geaccepteerde religie in het Romeinse Rijk. Van toen af aan werd het gemakkelijker voor Armeense christenen om zich in Jeruzalem te vestigen en daar huizen te bouwen. Helena van Constantinopel, de moeder van keizer Constantijn de Grote, kwam naar het Heilige Land in 326 en begon met het opgraven van heilige plaatsen, waaronder Golgotha, de Geboortekerk in Bethlehem en de geboorteplaats van Maria de moeder van Jezus. In die tijd is ook de Heilig Grafkerk gebouwd. Van de vierde tot de achtste eeuw bouwden Armeniërs maar liefst zeventig kloosters in het Heilige Land, maar het is een open vraag hoeveel daarvan in Jeruzalem stonden. Vanaf ongeveer de zesde eeuw waren er Armeense bisschoppen in Jeruzalem gezeteld, rond wat zij "de berg Sion" noemden, wat aangeeft dat er een aanzienlijke Armeense gemeenschap bestond, die permanent gevestigd was in een bepaald gebied.Sanjian, Avedis (1965). De Armeense gemeenschappen in Syrië onder Ottomaanse Dominion. Cambridge, MA: Harvard University Press, pp 1-6
De uitvinding van het Armeense alfabet in 405 maakte het de Armeense gemeenschap mogelijk verslagen in hun moedertaal bij te houden. Dit alfabet heeft ertoe bijgedragen de meer dan vierduizend oude manuscripten voort te brengen die door de Armeniërs bewaard worden in de Sint-Toroskerk naast de Sint-Jacobuskathedraal. In de negentiende eeuw, toen grond werd opgebroken voor het Russische klooster op de Olijfberg, werden zes mozaïekvloeren blootgelegd, waarop Armeens schrift stond, nogmaals getuigend van de aanwezigheid van Armeniërs in en rond Jeruzalem in die periode. Een soortgelijk mozaïek werd ontdekt in de wijk Musrara (op 200 meter van de Damascuspoort), dat in 1912 werd gekocht door het Armeense patriarchaat.
Het ontstaan van een afzonderlijke Armeense Kerk ligt iets ingewikkelder. Op het moment dat Armenië zich bekeerde tot het christendom, was er slechts één kerk. Maar in het jaar 431 veroorzaakte het Derde Oecumenische Concilie in Efeze een splitsing van de kerk in nestorianen (de huidige Kerk van het Oosten) en de rest van het christendom. In 451 met het Vierde Oecumenische Concilie splitste het christendom zich opnieuw, nu in monofysieten en duofysitieten. De Armeniërs traden toe tot de Koptische, Ethiopische en Syrische kerken in de monofysitische stroming, terwijl de Byzantijnse Orthodoxe Kerk het duofysitisme aanhing. Het zou duren tot 1054 voor het schisma tussen de Rooms-Katholieke Kerk en de Oosters-orthodoxe kerken, en vervolgens tot de Reformatie in de zestiende eeuw, voor de laatste afsplitsing van de Rooms-Katholieke Kerk, voordat men alle groeperingen kan zien die vandaag bestaan in de oude stad.
Late oudheid en middeleeuwen De Byzantijnse keizer Justinianus (527-565) vervolgde de monofysitische kerken, en de Armeniërs werden de spreekbuis van de Syrische, Koptische en Ethiopische kerken, een leidende rol die het Armeense Patriarchaat van Jeruzalem nog steeds op zich neemt. Vanaf 451 was de Armeense kerk gescheiden van de andere christelijke kerken in Jeruzalem, wat grote gevolgen zou hebben in de daaropvolgende strijd met medechristenen tijdens de kruistochten en de Ottomaanse tijd.
De verovering en plundering van Jeruzalem door de Perzen in 614 en de daaropvolgende islamitische verovering in 638 betekende voor de Armeniërs, die overheerst werden door de Byzantijnen, een mogelijkheid om hun kerk, die in beslag was genomen door Justinianus en waarvan het hun verboden was erbinnen te gaan, terug te krijgen. De Armeniërs waren nu onderworpen aan hun Moslimheersers. Zij betaalden een speciale belasting (hoofdgeld), de jizya, en mochten geen nieuwe christelijke gebouwen oprichten. De Armeniërs leefden onder verschillende islamitische dynastieën tussen 638 en de komst van de kruisvaarders in 1099. De Omajjaden, uit Damascus, werden gevolgd door een soepele overgang naar de Abbasiden (750-1258), uit Bagdad, en de daaropvolgende meer destructieve en intolerante heerschappij van de Fatimiden in 969, en ten slotte de Seltsjoeken, die de stad in 1071 plunderden.
De periode van de kruistochten In 1009 sloopte de Fatimidische kalief Al-Hakim bi-Amr Allah de Heilig Grafkerk, een daad die mede aanzette tot de kruistochten. Hoewel de kruisvaarders bij hun komst in het Heilige Land hun geloofsgenoten niet wilden verdrijven, hadden zij het mandaat dat Jeruzalem rooms zou zijn.Sanjian. Armeense gemeenschappen in Syrië, pp 168-69 De Armeniërs hadden in die tijd een groot deel van de grond in de huidige Armeense wijk verworven en in 1165 was de bouw voltooid van de St. Jacobuskathedraal die het belangrijkste gebouw van de wijk werd en dat vandaag de dag nog steeds is. Ongeveer in diezelfde tijd kreeg de Heilig Grafkerk zijn huidige vorm.
In de Armeense wijk waren ook woningen en een christelijke heilige plaats: de gevangenis van Jezus. Alleen het zuidelijk deel van het gebied dat tegenwoordig als de Armeense wijk geldt, werd toen daadwerkelijk bewoond door Armeniërs. Gedurende deze tijd werd de wijk gedomineerd door niet-Armeense kerken, zoals de St. Thomaskerk in het zuidelijke deel van de wijk, een Griekse kerk in het noordelijke deel de kerk van St.-Jacobus Intercisus in het uiterste noorden in de buurt van de Davidsstraat en de St.-Marcuskerk grenzend aan de hedendaagse joodse wijk. Dat de enige kerk die nog in handen is van dezelfde eigenaren als toen, het complex van de Sint-Jacobuskathedraal is, toont wel de standvastigheid van de Armeense gemeenschap. De meeste andere kerken uit de periode van de kruistochten zijn moskeeën of huizen geworden, of in handen gekomen van andere christelijke ordes. Ook in die tijd kwamen de Armeniërs voor korte tijd in het bezit van de Geboortekerk in Bethlehem, waaraan nog de naam van de patriarch Abraham IV (1205-1218) herinnert die in de voordeur van de kerk gesneden is.
Opgemerkt moet worden dat de Armeniërs bewezen meer welkom in Jeruzalem te zijn door niet als strijdende partij deel te nemen in de oorlogen tegen de islamitische krachten van die dagen. De kruistochten waren een rooms-katholieke aangelegenheid geweest. Ook de voortdurende oorlog tegen de macht van het orthodoxe Byzantium en hun opvolgers, de Russisch-orthodoxen, maakte de moslims achterdochtig omtrent de katholieke en orthodoxe belangen in Jeruzalem. Armenië was echter allang niet meer onafhankelijk, en hoewel meer dan een miljoen Armeniërs in het oosten van Klein-Azië (het huidige Turkije) woonden, vormden zij geen politieke of militaire dreiging voor de islamitische mammelukken of Ottomanen.
In de jaren 1380 bouwde patriarch Krikor IV een eetzaal voor priesters, tegenover de St. Jacobuskathedraal. Rond 1415 werd de olijftuin bij de hof van Gethsemane gekocht. Niet alles werd echter bereikt; in 1439 werden de Armeniërs verwijderd uit de Golgothakapel, maar de patriarch Mardiros I (1412-1450) kocht het tegenoverliggende grondstuk en noemde het "het tweede Golgotha", dat tot heden in het bezit is gebleven van het patriarchaat. In dezelfde periode, in 1311, werd de eerste Armeense patriarch benoemd. Dit Patriarchaat versterkte de andere Armeense patriarchaten in Armenië, en vormt samen met de twee hoge patriarchaten (een voor Libanon / Cyprus / Syrië en een voor Armenië/Jeruzalem en elders) de hoogste ambten in de kerk.
Het Ottomaanse tijdperk thumb|Armeense priester in Jeruzalem, ca. 1900 Onder de Ottomanen zou Jeruzalem een kosmopolitische stad worden waar religieuze tolerantie heerste en een redelijke Ottomaanse overheid functioneerde bij het beslechten van religieuze verschillen tussen de rivaliserende christelijke kerken en tussen rivaliserende religies.
Het belangrijkste aspect in deze tijd was de toename van de Armeense bevolking in hun wijk, en de strijd om de controle over de heilige plaatsen. De Ottomaanse fiscale administratie (Jizya) voor 1562 en 1690 is zeer nauwkeurig, omdat ze daadwerkelijk is bijgewerkt in die jaren en een beeld geeft van de werkelijke bevolking in Jeruzalem. Verder werk is aan de administratie gedaan, omdat ze oorspronkelijk alleen de aantallen niet-islamitische volwassen mannen bevatte die niet als volledig 'religieuze' mensen waren geregistreerd, dat wil zeggen als monnik of als priester. In het verslag van 1562-1563 worden slechts 189 Armeniërs geteld, terwijl er 640 geteld werden in 1690, een stijging van 239%. Sommigen hebben deze toename toegeschreven aan een proces van verstedelijking die de Armeniërs en andere christenen ondergingen. De Armeniërs maakten dus in 1690 22,9% uit van Jeruzalems christenen, en was daarmee de op een na grootste christelijke gemeenschap.
Buiten de Armeense wijk en de naburige woonwijk en de imposante Sint-Jacobukathedraal, streden de Armeniërs voor de controle over de Heilig Grafkerk. De Armeniërs worden beschreven als de "tweede belangrijkste aandeelhouder " van de kerk, op de Grieks-Orthodoxe Kerk na die de belangrijkste was. De Armeniërs beheerden de Kapel van Afscheid van het Kleed, de Kapel van Sint-Helena, de kapel van St. John en de kapel van de drie Maria's, evenals de tweede verdieping boven de hoofdingang. De kerk zelf was toen verdeeld tussen de Grieks-orthodoxe, de Armeense en de franciscaanse (katholieke) denominaties.