miniatuur|De Oregon Trail van Independence (Missouri) naar Oregon City De Oregon Trail is een meer dan 3400 km lange route die over land door de Verenigde Staten loopt van Missouri tot aan de monding van de rivier de Columbia aan de grens tussen Washington en Oregon. De route werd vooral in de 19e eeuw gebruikt door pioniers die in het 'wilde westen' van de VS een nieuw leven wilden opbouwen in Oregon, waar vruchtbare landbouwgrond beschikbaar was.
De route had verschillende startpunten in het huidige Iowa, Missouri of Nebraska, maar al deze aanlooproutes convergeerden langs de benedenloop van de rivier de Platte nabij Kearney. Het oostelijk deel van de Oregon Trail werd ook gebruikt door andere routes naar het westen, zoals de California Trail (vanaf 1843-44), de Mormon Trail (vanaf 1847) en de Bozeman Trail (vanaf 1863). Deze routes splitsten halverwege af naar hun respectievelijke bestemmingen. Toen in 1869 de transcontinentale spoorweg was voltooid nam de Oregon Trail in betekenis af hoewel hij tot aan het eind van de 19e eeuw nog werd gebruikt. Tegenwoordig volgen snelwegen grotendeels dezelfde route die de pioniers hebben gevolgd.
Ontwikkeling van de route De route werd gevestigd tussen 1811 en 1840, voornamelijk door bontjagers en -handelaren. In 1836 werd de eerste karavaan georganiseerd met huifkarren. Deze vertrok in Independence (Missouri) en kon beschikken over een route geschikt voor huifkarren tot Fort Hall, in het huidige Idaho, in het stroomgebied van de Columbia. Een voor huifkarren begaanbare route werd verder ontwikkeld tot in 1846, toen het laatste stuk weg werd "aangelegd".
Eerste verkenningen thumb|350px|right|Kaart met de route van de Oregon Trail Het begin van de Europese kolonisatie van het Noord-Amerikaanse continent beperkte zich vooral tot de oostkust, het zuiden en het extreem zuidwesten van wat nu de Verenigde Staten is. Na afloop van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog bezat de VS een uitgestrekt gebied van New England tot aan Georgia en westelijk tot aan de Mississippi. In 1803 kwam daar het Louisiana Territory bij dat van Frankrijk werd gekocht.
President Thomas Jefferson zond daarna in 1804 een expeditie onder leiding van Meriwether Lewis en William Clark uit om de nieuw verworven gebieden te verkennen en in kaart te brengen. Deze expeditie reikte tot aan de westkust van het continent en verstevigde de Amerikaanse aanspraken op het westelijk deel van het continent. De route van Lewis en Clark liep een stuk noordelijker dan de latere Oregon Trail, omdat zij aan de oostzijde de Missouri lang waren gevolgd naar het noordwesten, in het huidige Montana. Ze concludeerden dat er geen gemakkelijke route tussen de grote rivieren aan de oost- en westzijde bestond zoals gehoopt. De later ontdekte South Pass zou wel een gemakkelijke route over de continentale waterscheiding bieden, zonder de gehele route echt "gemakkelijk" te maken. De expeditie van Lewis en Clark droeg sterk bij tot het ontwaken van een "Manifest Destiny" voor de Verenigde Staten, een roeping om het continent tot aan de Grote Oceaan te gaan bevolken.
Al vrij snel na de expeditie van Lewis en Clark begonnen pioniers naar het westen te trekken. Eerst waren het vooral ontdekkingsreizigers en zogenaamde Mountain men die vooral op bevers jaagden in de Rocky Mountains. Ook wetenschappers trokken naar het grote onbekende. De in 1810 Pacific Fur Company (PFC), een afdeling van de American Fur Company (AFC), van John Jacob Astor zond een team bontjagers onder leiding van Wilson Price Hunt over land naar Oregon. Zij moesten onder meer mogelijke aanvoerroutes zoeken vanuit het oosten voor de bontjagers in Oregon. Hunt probeerde een meer zuidelijke route dan Lewis en Clark en trok door het huidige Wyoming naar het westen. Hij stak de Rockies over via de 2808 meter hoge Union Pass naar Jackson Hole aan de Snake. Vervolgens trok hij over Teton Pass westwaarts om opnieuw bij de Snake uit te komen, deze keer in de brede vlakte in het zuiden van het huidige Idaho. Ze wilden vanaf daar de rivier afvaren via zelfgemaakte boten, maar ontdekten dat de afvaart van de benedenloop van de Snake, voor hij samenvloeit met de Columbia, zeer moeilijk tot onmogelijk was door de diepe kloven en watervallen. In 1812 ontdekte een andere "Astor"-groep op de terugweg onder leiding van Robert Stuart de veel gemakkelijkere South Pass (2259 m), die cruciaal zou worden voor de ontwikkeling van de Oregon Trail. Door de oorlog van 1812 bleef de locatie van de pas geheim. Twaalf jaar na Stuart herontdekten bonthandelaars Jedediah Smith en Thomas Fitzpatrick de route via de South Pass. Deze kon gemakkelijk bereikt worden via de rivieren de Platte, de North Platte en de Sweetwater doorheen het toenmalige nog niet door blanken bevolkte gebied van het latere Nebraska en Wyoming.
In de jaren 1820, onder gezamenlijk Brits/Amerikaans bestuur, ontmoedigde de feitelijke overheid, de Hudson's Bay Company (HBC) de vestiging van Amerikaanse bonthandelaars en kolonisten in Oregon. In 1824 werd Fort Vancouver gesticht, op de noordelijke oever van de Columbia in de omgeving van het huidige Portland. Rond 1830 begon de route die de Oregon Trail zou gaan worden, meer en meer vast te liggen, maar het was pas later dat Oregon ook echt aantrekkelijk werd voor pioniers die zich in het wilde westen vestigen. In 1830 bracht William Sublette de eerste huifkarren tot net over de South Pass. Dit toonde aan dat dit deel van de route gemakkelijk begaanbaar was.
Bestemming Oregon in plaats van de Plains De Prairies werden niet erg aantrekkelijk voor kolonisatie geacht en hadden vanaf 1821 geen formele overheidsorganisatie meer, waardoor "land claims" om nederzettingen te bouwen moeilijk waren. Ook in de jaren 1840 leefde de idee nog sterk dat de Great Plains ongeschikt waren, "The Great American Desert", en tot de jaren 1840 was het illegaal om nederzettingen te bouwen in het "unorganized territory" van Nebraska.
De gebieden in wat toen Oregon Country (1818-1846) heette, waren het "eerstvolgende" beschikbare land en trokken wel de aandacht vanwege de gunstige omstandigheden. De grond en het klimaat waren bevorderlijk voor de landbouw. In tegenstelling tot de tussenliggende prairies aan de oostzijde van de Rocky Mountains, die aanvankelijk gereserveerd waren voor de hervestiging van Indianen uit het oosten van de Verenigde Staten, stond de Oregon Country wel open voor kolonisatie. Vanaf de jaren 1830, en vooral vanaf 1840, werd het nieuws over "de Oregon" als een beloofd land met vruchtbare grond bekend in het oosten van de Verenigde Staten. Tot 1846 zou het gebied nog gezamenlijk bestuurd worden door Groot-Brittannië en de Verenigde Staten.
Vroege migranten op de Oregon Trail (1834-1842) In 1834 stichtte de methodist Jason Lee een missie bij The Dalles, waar de Columbia de Cascade Range ingaat langs Mount Hood. In 1836 trokken Henry Spalding en Marcus Whitman met hun vrouwen naar Oregon. Ze gebruikten huifkarren tot Fort Hall, lastdieren tot Fort Nez Perce en dreven per boot de Columbia af tot bij Fort Vancouver. Op 1 mei 1839 vertrok een groep van 18 mannen uit Peoria (Illinois) met de bedoeling Oregon te koloniseren voor de Verenigde Staten en de HBC te verjagen. De helft van deze Oregon Dragoons bereikte Oregon. Het volgende jaar, in 1840, reisden Robert Newell, Joseph L. Meek, en hun gezinnen met drie huifkarren tot Fort Nez Perce (of Fort Walla Walla). Dit was de eerste keer dat de Columbia bereikt werd met huifkarren en opende een van de laatste delen van de Oregon Trail voor huifkarren. In 1841 volgde een echte migrantengroep of party (de Bartleson-Bidwell Party) en in 1842 volgde een tweede groep uit Elm Grove (Missouri) met meer dan 100 pioniers.
In 1840 had de HBC drie forten op de Oregon Trail: Fort Hall (overgekocht in 1837), Fort Boise en Fort Nez Perce (net ten zuiden van de monding van de Snake in de Columbia). Fort Vancouver, aan het westelijke uiteinde van de Oregon Trail, bereikte zijn piek in 1840 en zou gaan fungeren als laatste bevoorradingspunt voor aankomende Amerikanen vooraleer ze hun nederzetting stichtten. De forten werden uiterst belangrijke steunpunten voor de reizigers op de route.
Grote trek van 1843 miniatuur|Tijdens de trek van 1843 dienden de huifkarren voor het laatste stuk van de route nog omgebouwd te worden tot vlotten. Marcus Whitman organiseerde de eerste grote trek over de Oregon Trail. Op 22 mei 1843 ging een groep van zo'n 800 pioniers op weg vanuit Elm Grove, een plaatsje vlak bij Independence, Missouri. De groep verplaatste zich in karren, getrokken door ezels of ossen, allereerst naar het huidige Topeka in Kansas. Daarna zetten zij de tocht voort naar het westen waar in de herfst van 1843 ruim 700 pioniers veilig aankwamen in Oregon. Meer dan 30 pioniers hadden zich onderweg afgesplitst en trokken meer zuidwaarts richting Californië.
Het grootste obstakel voor deze grote groep waren de Blue Mountains in het noordoosten van Oregon (om de benedenloop van de Snake te vermijden), waar ze een route moesten uitzetten in een dicht bos. De huifkarren stopten uiteindelijk bij The Dalles, waar de Columbia de Cascade Range doorgaat. De huifkarren werden voor dit stuk op boten geladen.
Barlow Road (1846) In 1846 ten slotte werd de "Barlow Road" in gebruik genomen rond Mount Hood in de Cascade Range. Zo was de Oregon Trail, 3000 kilometer lang, op dat moment volledig begaanbaar voor huifkarren vanaf de Missouri tot de vallei van de Willamette, het eindpunt van de route. In de jaren die volgden trokken honderdduizenden pioniers westwaarts via ruwweg dezelfde route. Er zijn nu nog op enkele plaatsen sporen te vinden die de huifkarren in de modder hebben achtergelaten zoals die te Guernsey.
De trek westwaarts Om naar de vruchtbare landen te trekken aan de Westkust had men twee opties. Ofwel zeilde men rond de zuidelijke punt van Zuid-Amerika, een zes maanden durende reis, ofwel liep men over land: een route van meer dan 3000 kilometer, waarbij men meestal vertrok uit Missouri. Zo'n 400.000 pioniers waagden zich aan de reis over land. Pioniers trachtten de tocht meestal in één warm seizoen te volbrengen, meestal gedurende zes maanden.
De tocht langs de Oregon Trail was niet makkelijk voor de meeste pioniers en de meesten vingen de tocht aan in min of meer georganiseerde groepen van tientallen tot soms wel honderden mensen. Sommige groepen trokken met de bekende Conestoga-huifkarren, getrokken door ossen, westwaarts. Deze karren bleken echter weinig geschikt voor de tocht en vaak stierven de ossen met een derde van de tocht nog te gaan. De trek door de Rocky Mountains werd ook vele huifkarren fataal en in enkele gevallen bleven de pioniers in onherbergzaam gebied achter. De meeste bezittingen moesten dan worden achtergelaten en alleen wat gedragen of gesleept kon worden werd meegenomen terwijl men te voet verderging.
Al snel schakelde men over naar de Independence-huifkarren, geproduceerd door dezelfde firma die de Conestogas maakte. Deze karren waren meer dan drie meter lang en één meter breed en veel lichter dan de Conestoga-karren. Deze karren waren niet bepaald comfortabel tijdens de tocht en de meeste pioniers liepen langszij.
Onderweg Pioniers namen alles mee wat zij voor de reis nodig konden hebben, zoals voedsel en gereedschap voor landbouw voor wanneer zij in Oregon arriveerden. Ook werden runderen en schapen meegenomen.