miniatuur|Breviarium Mayer van den Bergh, f596v – De marteldood van tienduizend christenen Het Breviarium Mayer van den Bergh is een brevier dat rond 1500 werd gemaakt in de Zuidelijke Nederlanden, vermoedelijk in opdracht van een Portugese edelman of -vrouw.

Geschiedenis De kunstverzamelaar Fritz Mayer van den Bergh kocht het brevier in 1898 bij Christie's in Londen. Het behoort sindsdien tot de collectie van het Museum Mayer van den Bergh te Antwerpen. Volgens kunsthistorici is het een van de hoogtepunten van de Vlaamse miniatuurkunst.Brigitte Dekeyzer, Breviarium Mayer van den Bergh, in Vlaamse miniaturen voor vorsten en burgers 1475 - 1550, ed. Maurits Smeyers en Jan Van der Stock, Ludion 1997, p. 51. Het brevier is erkend als Vlaams topstuk, en ingeschreven op de Topstukkenlijst.

Beschrijving Het handschrift bevat een 80-tal miniaturen, 149 decoratieve randversieringen en talloze versierde initialen.Website Mayer van den Bergh. Het Breviarium Mayer van den Bergh is een handschrift met 706 folia van velijn met 7 schutbladen vooraan en 4 schutbladen achteraan. De folia zijn 224 x 160 mm groot en het tekstblok is 133 x 92 mm. De volbladminiaturen zijn, inclusief de versierde marge, 168 à 176 x 119 à 124 mm groot. De tekst is geschreven in twee kolommen van 32 lijnen in een gotica rotunda en is gesteld in het Latijn.Thomas Kren, Scot McKendrick, Illuminating the Renaissance: The Triumph of Flemish Manuscript Painting in Europe, 2003, The J. Paul Getty Museum, Los Angeles, p. 324. De verklarende teksten bij de tabellen voor de berekening van de paasdatum zijn in het Portugees geschreven. Het Breviarium Mayer van den Bergh is een breviarium secundum consuetudinem Romanae Curiae (brevier volgens het gebruikVoor het Concilie van Trente (1545-1563) kon elke bisschop het brevier opstellen of aanpassen voor zijn eigen bisdom en dit werd ook bijna overal gedaan – elke kloosterorde en elk bisdom had zijn eigen breviarium – vandaar de term ‘voor gebruik in of van ...’. van de Romeinse Curie).

Het Breviarium Mayer van den Bergh bevat zoals de meeste breviaria de volgende kerndelen: een eeuwigdurende kerkelijke kalender, een psalterium (de 150 psalmen traditioneel toegeschreven aan koning David), het temporale of tijdeigen met alle gebeden voor de zon-, feest- en weekdagen van het kerkelijke jaar, het proprium sanctorum of eigene der heiligen waarin de officies van de heiligen zijn opgenomen, en een commune sanctorum, het gemeenschappelijke der heiligen met algemene officies voor heiligen die niet voorkomen in het proprium sanctorum.

Geschiedenis Datering Er zijn tot nu toe geen documenten of rekeningen teruggevonden die de ontstaansgeschiedenis van de codex documenteren. De datering en patronage blijven dus gestoeld op hypotheses.

Het handschrift werd op basis van het schrift gedateerd omstreeks 1500.Camille Gaspar, Le bréviaire du Musée Mayer van den Bergh à Anvers. Etude du texte et des miniatures. Reproduction en couleurs et or des LXXIII miniatures du manuscrit, Brussel, Ch. Weckesser, 1932, p. 20. en van de heiligenfeesten die opgenomen waren in de kalenderGaspar, 1932, pp. 24-25. Dekeyzer hanteert een terminus post quemVroegste datum waarop het handschrift kan geschreven zijn. van 1495 waarbij zij zich baseert op het voorkomen van de heilige Nicolaas van Tolentino en van de feestdagen van Johannes Chrysostomos, LonginusNiet de honderdman Longinus die volgens de legende de zijde van Christus doorboorde met een speer, die werd al veel langer vereerd. en Talentinus, die pas in 1495 werden ingevoerd.Brigitte Dekeyzer, Herfsttij van de Vlaamse miniatuurkunst - Het breviarium Mayer van den Bergh, Ludion, Gent-Amsterdam, 2004, p. 167. Voor de terminus ante quemLaatst mogelijke datum waarop het handschrift tot stand kwam. opteert zij voor 1501, zich baserend op onder meer de data in de tabellen voor de berekening van de zondagsletter, maar ook de klederdracht, de margedecoratie, de landschapschildering en de afwezigheid van werk van Simon BeningIn haar bijdrage aan Vlaamse miniaturen voor vorsten en burgers 1475 - 1550, pp. 51,55, rekende Dekeyzer Simon Bening nog wel tot de miniaturisten die aan het breviarium bijdroegen. wijzen volgens haar in de richting van de periode tussen 1495 en 1501. Enkele andere onderzoekers situeren het handschrift eerder omstreeks 1510.Brigitte Dekeyzer, pp. 167-169.

Opdrachtgever miniatuur|Breviarium Mayer van den Bergh – Geboorte van Christus en Geboortecyclus De codex werd waarschijnlijk tussen 1495 en 1510 vervaardigd, en vermoedelijk voor een Portugese opdrachtgever. Dat de opdrachtgever in Portugal te situeren is kan men afleiden uit enerzijds de Portugese teksten in de codex en anderzijds uit de samenstelling van de heiligenkalender. Die bevat een aanzienlijk aantal heiligen die voornamelijk in Portugal werden vereerd.Brigitte Dekeyzer, p. 13. De opdrachtgever had waarschijnlijk ook nauwe banden met de franciscanen gezien de typisch franciscaanse kalender. Hij of zij was mogelijk betrokken bij de derde orde van Sint Franciscus, want een aantal prominente leden zoals Lodewijk de Heilige, de heilige Elizabeth van Hongarije, de heilige Elzearius en de heilige Ivo zijn in de kalender opgenomen. Gezien de luxueuze en kostbare uitvoering van het handschrift kan men het ook als vaststaand beschouwen dat de bestemmeling tot de hoogste klassen van de Portugese maatschappij behoorde.

Op basis van een aantal van deze criteria werd lange tijd gedacht dat Emanuel I de opdrachtgever kon geweest zijn.José de Figueiredo, L’art Portugais de l’époque des grandes découvertes jusqu’au XXe siècle, Gauthier-Villars, Paris, 1931, p. 63. Maar voor deze toewijzing bestaan geen concrete aanduidingen zoals de aanwezigheid van een wapen van Emanuel of een prioritaire behandeling van zijn patroonheilige Hiëronymus. Ook naar de orde van de Christusridders, waarvan hij grootmeester was, wordt niet verwezen. Deze elementen, met daarbij de decoratie van het psalterium, wijzen volgens Dekeyzer op een andere opdrachtgever.Brigitte Dekeyzer, p. 170.

Wetenschappers hebben een zekere tweeledigheid in het handschrift vastgesteld. De kalender, de teksten in het Portugees en de gebeden tot de heiligen verwijzen sterk naar de franciscaner en augustijner heiligen, maar in de kerndelen van het werk (psalterium, temporale, proprium en commune sanctorum) zijn de franciscanen veel minder aanwezig.Brigitte Dekeyzer, p. 171. Er is ook vastgesteld dat de lay-out van de bladzijden verandert vanaf katern 49 en dat vanaf katern 50 een andere scribent de tekst schreef. Deze elementen laten veronderstellen dat tijdens het werk aan het handschrift de originele opdracht werd geannuleerd en dat het werk later werd hernomen voor een tweede opdrachtgever. Ook in de illustratie is deze tweeledigheid terug te vinden. Vermoedelijk zijn de miniaturen in het psalterium en het temporale samen met vijf halfbladminiaturen in het proprium in een eerste fase vervaardigd door de Maximiliaan-meester en zijn atelier. De miniaturen in het psalterium wijzen door hun inhoud meer op een geleerde bestemmeling dan op een koning.Brigitte Dekeyzer, p. 176. Voor de miniaturen van de tweede fase (na katern 50) werden blijkbaar andere miniaturisten aangesproken, namelijk de ateliers van Gerard Horenbout en de Meester van Jacobus IV van Schotland.

In de kalender komen een opvallend groot aantal vrouwelijke franciscaanse en augustijner heiligen voor en de heilige Catharina wordt zelfs drie keer afgebeeld, waarbij een van de miniaturen van de hand is van Gerard David. Bovendien wordt in tekst en beeld opvallend veel aandacht geschonken aan Maria. Deze miniaturen zijn allemaal in de tweede creatiefase tot stand gekomen, wat laat vermoeden dat de nieuwe bestemmeling een vrouw was die Maria heette.Brigitte Dekeyzer, pp. 176-180. De meest voor de hand liggende Maria uit de hoge Portugese elite is Maria van Aragón en Castilië, een dochter van de Spaanse katholieke koning Ferdinand van Aragon en van koningin Isabella van Castilië. Zij trouwde in 1500 met de Portugese koning Emanuel I. Naast de vrouwelijke heiligen en de Maria-miniaturen met onder meer de zeldzame afbeelding van de feestdag van Onze Lieve Vrouw ter Sneeuw op f501v, zijn er nog een aantal miniaturen die Maria van Aragón en Castilië als eerste eigenaar van het handschrift zeer plausibel maken, zoals de visitatieminiatuur op f473v, van de hand van Gerard David, die misschien een bezoek van Maria aan haar moeder Isabella (Isabel is Spaans voor Elisabeth) voorstelt.

De opdrachtgever van de codex zou een Margaretha kunnen zijn. Haar naam komt twee keer voor in de kalender, op de feestdag van de heilige Margaretha en bovendien op 14 juli. Mogelijkerwijze werd het handschrift aan Maria geschonken door Margaretha van Oostenrijk, haar schoonzus die tot december 1499 aan het Spaanse hof verbleef. Het huwelijk van Maria werd toen al gepland en mogelijk was het manuscript een huwelijksgeschenk van Margaretha aan Maria.

Latere geschiedenis Het is onduidelijk wat er tussen 1500 en eind 19e eeuw met het handschrift gebeurde. Eind 19e eeuw dook het brevier op in Engeland, waar hij werd hersteld. Het handschrift werd verkocht aan de Weense kunstverzamelaar Martin Heckscher en na diens dood werd het tentoongesteld in het Kunstgewerbemuseum in Berlijn. Vervolgens werd het manuscript aangeboden op een veiling bij Christie's in Londen op 4 mei 1898. Daar werd het door de stroman van Frits Mayer van den Bergh, H. Wareham Harding, gekocht voor 1420 pond. Dat was een hoog bedrag voor een handschrift in die tijd,Brigitte Dekeyzer, p. 180.Omgerekend naar ponden van vandaag zou dit tussen de 534.000 en 1.279.000 £ bedragen, afhankelijk van de gebruikte index. maar zo'n halve eeuw eerder was het Breviarium van Isabella van Castilië voor 3000 pond verkocht aan het British Museum.

Het breviarium bleef vrij onbekend tot Eduard Michel in 1924 een artikel over het werk publiceerde in de Gazette des Beaux-Arts. In 1932 publiceerde Camille Gaspar, curator van de handschriftenafdeling van de Koninklijke Bibliotheek, een facsimile van de miniaturen in het handschrift.Egerton Beck, The Mayer van den Bergh Breviary in The Burlington Magazine for Connoisseurs Vol. 62, No. 363 (Jun., 1933), pp. 266.

In de jaren 1930 werd het handschrift opnieuw ingebonden door het Brusselse boekbindersatelier Weckesser et ses fils. Die binding was zo strak dat de perkamenten folia vervormd raakten en het nagenoeg onmogelijk was het werk te gebruiken. In 1994 werd besloten de band van Weckesser te verwijderen en dat schiep de mogelijkheid om een groot aantal van de miniaturen aan het publiek te tonen. Er werden tentoonstellingen ingericht in Sint-Petersburg (1996), Florence (1996), Antwerpen (1997 en 2004), Los Angeles (2003) en Londen (2003).

Inhoud De inhoud van het Breviarium Mayer van den Bergh ziet er als volgt uit:Brigitte Dekeyzer, pp. 197-203.