thumb|400px|Frankrijk kent een rijke rooms-katholieke traditie die in alle steden en dorpen duidelijk te zien is. Op de afbeelding de Notre-Dame van Parijs. Frankrijk is van oudsher een katholiek land. De kerstening begon al voordat keizer Constantijn een einde maakte aan de vervolging van de Christenen in het Romeinse rijk (313, Edict van Milaan). Met de doop van koning Clovis I in 496 begint eigenlijk de christelijke geschiedenis van het gebied dat later 'Frankrijk' is gaan heten. In de eeuwen die volgen kreeg de Kerk een zeer grote invloed. De relatie met de Heilige Stoel werd door de eeuwen heen steeds op de proef gesteld. Hoezeer kerk en staat ook verbonden waren, steeds waren er koningen en keizers die zich boven de Goddelijke almachtigheid plaatsten. Frankrijk kende verscheidene godsdienstoorlogen en evolueerde ten slotte naar een scheiding van kerk en staat.

Godsdienst in Frankrijk is toegestaan door de Verklaring van de rechten van de mens en de burger van 1789, zolang haar "manifestatie de openbare orde niet verstoort" die wordt gevolgd door het Centraal Bureau voor Cults gecreëerd door de wet van scheiding van Kerken en de staat van 9 december 1905 maken van Frankrijk een seculiere staat. Sinds deze scheiding heeft de Franse Republiek geen staats- of officiële religies meer.

Zolang het gezicht niet wordt verborgen, is het dragen van religieuze tekens niet verboden, behalve voor agenten van openbare diensten en binnen scholen. De leer van de catechismus is toegestaan in privéscholen maar niet in openbare scholen. De privaatonderwijs mag niet meer dan 20% van de leerlingen hebben (80% voor openbaar onderwijs). Clerici hebben het recht om les te geven aan de universiteit (hoger onderwijs) maar niet op de openbaar lagere en middelbare vestiging, gereserveerd voor de leken.

Het toenemende aantal nieuwe sekten heeft Frankrijk gedwongen om een organisatie op te richten genaamd Interministeriële missie voor de waakzaamheid en strijd tegen sectarische uitwassen (MIVILUDES).

Geschiedenis Tijdens de Romanisering van Gallië vermengen de Romeinse religieuze elementen zich met de Gallische culten. Deze invloed vanuit het Romeinse Rijk voltrok zich eerst in de stedelijke gebieden en pas later op het platteland.

Het ontstaan van het christendom in Frankrijk thumb|Koning Clovis I laat zich in 496 dopen. De eerste christenen in Gallië werden vervolgd door de Romeinse keizers tot in 303. Bronnen vermelden dat het christendom in Frankrijk ontstond rond Lyon, een streek die in die tijd onder oosterse invloed stond. In 177 liet de provinciale gouverneur de bisschop Ireneüs (circa 140-circa 202) ombrengen.Geschiedenis van Frankrijk (p. 49), Pascal Balmand, Het Spectrum B.V., 1996 In 324 werd het eerste concilie in Gallië georganiseerd. Dit ging door in Arles en werd bijeengeroepen door Constantijn de Grote. Het christendom kwam in de gunst van de machtshebbers en verbreidde zich langzaam maar zeker in de steden. Rond 360 werd het eerste Gallische klooster opgericht door Martinus van Tours in Ligugé.

Met de invallen van de barbaarse volkeren in Gallië krijgen de Christenen het zwaar te verduren. Alanen, Sueben en Vandalen plunderden katholieke rijkdommen tijdens de eerste invalsgolf (406-407).Ketters, veertien eeuwen ketterij, volksbeweging en kettergericht (p. 82-84), Theun de Vries, Querido's uitgeverij, 1984 In 419 wordt het eerste barbarenrijk gevestigd op Romeinse bodem, rond de stad Tolosa (Toulouse). De invloed van deze invallende volkeren duurde tot eind 5de eeuw. De kerk was monddood na de tijd van Augustinus (430). De koningen gingen uit politiek belang over tot het Christendom, zoals Clovis die zich liet bekeren in 496. De katholieke missionarissen probeerden een bekering te bewerkstelligen en niet zelden werden de ongelovigen voor het nieuwe geloof gewonnen dankzij reeds bekeerde prinsessen.Historische atlas van het Christendom (p. 43), originele tekst door Juan Maria Laboa, vertaald door Andrea Dué, uitgeverij G.F. Callenbach B.V., 1998 Bisschoppen werden aangesteld door de koningen. Velen konden nauwelijks lezen en leefden een losbandig leven. Gregorius was daarover verontwaardigd, maar daar bleef het bij. De geestelijkheid uit de Merovingische tijd was bot. In de zevende en begin achtste eeuw was er een missioneringsgolf op gang gekomen vanuit Ierland. Ierse missionarissen stichtten in het hele Frankische rijk kloosters. De Ierse monniken waren verstandelijk ontwikkeld en kenden een enthousiasme dat bij de Galliciërs onbekend was.Geschiedenis van Europa (p. 26), Henri Pirenne, uitgeverij la renaissance du livre NV, 1960

De groeiende macht van de kerk 8ste tot 12de eeuw thumb|160px|Karel de Grote werd voorgesteld als een katholieke heerser. Hij eiste echter een gelijkwaardige plaats op naast het roomse gezag (schilderij van Albrecht Dürer). In de tweede helft van de achtste eeuw begon de Frankische kerk, door toedoen van de Frankische koningen Pepijn de Korte (714-768) en zijn zoon Karel de Grote (742-814), haar eigen missioneringsactiviteiten. Pepijn de Korte vernieuwde de liturgie en Karel de Grote introduceerde de liturgische Gregoriaanse gezangen in West-Europa. Met de aanstelling in 800 van Karel de Grote tot keizer door paus Leo III erkenden beide vorsten elkaars waardigheid. Karel de Grote verplichtte al zijn onderdanen het Christendom te aanvaarden. Hij bracht een vernieuwing van het kerkelijk onderwijs tot stand; de Kerk nam het lekenonderricht over.Historische atlas van het christendom (p. 114-115), originele tekst door Juan Maria Laboa, vertaald door Andrea Dué, uitgeverij G.F. Callenbach b.v., 1998 Karel de Grote wilde de wereldlijke instellingen naar het voorbeeld van de Kerk verbeteren. Hij voedde zijn zoon Lodewijk de Vrome (778-840) zeer katholiek op. Deze was voorbestemd voor een leven in het klooster.De tempeliers, huurlingen van de paus (p. 27), Yves Van Buyten en Willy Vanderzeypen, uitgeverij Synthese en Aqua Fortis, 2005 Lodewijk kroonde zich tot keizer, waarmee hij aangaf dat zijn macht even algemeen was als die van de paus.Geschiedenis van Europa (p. 56-57), Henri Pirenne, uitgeverij La renaissance du livre NV, 1960 De relatie tussen kerk en staat was zeer delicaat en Lodewijk de Vrome gunde de paus als geestelijk leider van de kerk veel speelruimte in ruil voor de formele erkenning van de superioriteit van het kerkelijk gezag.Eeuwen des onderscheids (p. 136), Wim Blockmans en Peter Hoppenbrouwers, uitgeverij Prometheus, 2002 Hij liet zich omringen door geestelijken en verplichtte de kloosters de leefregels van Benedictus van Nursia (480-547) te volgen. Hij stelde hoge geestelijken aan en deze stelden graven aan of bekleedden zelf dit ambt. De wereldlijke en kerkelijke macht waren in de 9de eeuw met elkaar verweven. In de 9de eeuw vormde de Kerk een vrijwel aaneengesloten netwerk van landelijke parochies.Eeuwen des onderscheids (p. 78), Wim Blockmans en Peter Hoppenbrouwers, uitgeverij Prometheus, 2002 De ontstedelijking zorgde ervoor dat de bisschoppen in de ontvolkte steden de eigenlijke macht hadden. De staat betrok vaak uit de Kerk capabele mensen die op belangrijke posities geplaatst werden.

Naarmate Lodewijk de Vrome en zijn opvolgers zich steeds meer moesten concentreren op wereldlijke bedreigingen (invallen van Noormannen, opsplitsing van het Frankische rijk: Verdrag van Verdun) trad de kerk steeds meer op de voorgrond. Paus Nicolaas I (periode 858-867) eiste de superioriteit van de pauselijke macht op. Daarmee werd ingestemd. Die pauselijke suprematie bleef tot de val van paus Bonifatius VIII, die in 1303 gevangengenomen werd door Filips de Schone.

Het groeiende roomse gezag was alleen mogelijk dankzij de gratie van de vorsten. Het was een paradoxale toestand dat de paus de keizer slechts kon overheersen, zolang deze de vrijheid van de paus waarborgde en dat de geestelijke macht het van de wereldlijke slechts dankzij de steun van die wereldlijke macht kon winnen. Na de karolingische tijd reorganiseerde het christendom zich in het West-Frankische rijk. Er kwamen privékerken. Edelen lieten kapellen, kerken of kloosters bouwen op eigen terrein, benoemden zelf hun dienaren, die door de bisschop tot priester werden gewijd. Ook de bisschoppen werden onderdeel van de feodale structuur; ze werden vazallen van de koning en gingen zich steeds meer als gewone edelen gedragen.Historische atlas van het christendom (p. 130-131), originele tekst door Juan Maria Laboa, vertaald door Andrea Dué, uitgeverij G.F. Callenbach b.v., 1998 De macht van de koning was versnipperd in grote leengebieden. Rome liet de kerk steeds meer oordelen over burgerlijke zaken en stelde de kerk in staat allerlei kerkelijke belastingen te innen. Zo groeide ook het Canoniek recht. De kerk had de rol van de vorsten overgenomen.

De kloosters thumb|De abdij van Cluny werd in 910 gesticht en hoefde alleen verantwoording af te leggen aan de paus. thumb|De abdij van Cîteaux, gesticht in 1096. Er ontstond een nieuwe geestelijkheid die uit het ascetisme voortkwam, die van de monniken. De eerste kloosters ontstonden in Zuid-Gallië en later in Noord-Gallië onder invloed van Ierse monniken. De kloosters creëerden hun eigen microkosmos. Het waren centra van gebed, arbeid en cultuur. Ze oefenden een zekere aantrekkingskracht uit op alle lagen van de bevolking. In de ogen van de leken waren het vaak meer respectabele vertegenwoordigers van God dan de clerus, die tussen het volk leefde. Leken werden steeds vaker betrokken bij het kloosterleven. Ze werden ingezet als conversi, goedkope arbeidslieden.De tempeliers, huurlingen van de paus (p. 26), Yves Van Buyten en Willy Vanderzeypen, uitgeverij Synthese en Aqua Fortis, 2005 Het werd een gewoonte in de gegoede klasse een van de zonen voor te bestemmen voor een kloosterleven.

In 910 werd de Abdij van Cluny gesticht, die vrij was van wereldlijke macht en bisschoppelijk gezag. Ze viel direct onder de Heilige Stoel. In de jaren erna schikten vele kloosters zich naar het gezag van de abt van Cluny en het klooster groeide uit tot een machtig en rijk instituut. Het bidden voor de zielen van buitenstaanders werd er een veel voorkomende bezigheid en met het verkondigen van godsvredes nam de abdij de plaats in van wereldlijke gezagsdragers. In de 11de eeuw kwam er een reactie op het 'rijke' bestaan van de Cluniacensers. Er kwamen eremietenkloosters, zoals in 1084 te Grenoble (La Grande Charteuse: Kartuizers) en te Citeaux in 1098 (Cisterciënzers),christenheid en christendom in de middeleeuwen (p. 30), Adriaan H. Bredero, uitgeverij Pelckmans, 1986 die leefden naar de regel van de heilige Benedictus. Uit de eremietenbeweging groeide ook een ander initiatief, dat van de volkspredikers die rondtrokken en zich kritisch opstelden tegen de rijkdommen van de kerk en de hogere geestelijkheid. Sommigen werden getolereerd door bisschoppen, anderen kregen het etiket ketter opgeplakt.

In 1033 worden in de aantekeningen van monnik Rodulfus Glaber de vroegste historische bronnen aangetroffen die de gewone gelovige beschrijven en die tijdens de massabijeenkomsten naar aanleiding van de 1000-jarige herdenking van het overlijden van Christus in Aquitanië met groot enthousiasme de getoonde relieken aanschouwden.Eeuwen des onderscheids (p. 201), Wim Blockmans en Peter Hoppenbrouwers, uitgeverij Prometheus, 2002 De Kerk ging steeds meer het dagelijkse leven van het volk bepalen. De Kerk bejubelde het armoede-ideaal en predikte verzoening door lijden, zonder zelf zijn privéleges ter discussie te stellen.

Ketters