Taalkunde, ook wel taalwetenschap of linguïstiek, is de wetenschappelijke studie van de natuurlijke talen. Het doel van de taalkunde is om talen te beschrijven zoals ze zijn; dat wil zeggen, zoals mensen ze in werkelijkheid gebruiken. Ingeval het onderzoek niet een specifieke taal betreft maar natuurlijke talen in het algemeen, spreken we van algemene taalkunde of universele taalwetenschap.
Algemeen Taalkunde is de wetenschappelijke studie van de natuurlijke talen, de door mensen tegen elkaar gesproken talen die op natuurlijke wijze als moedertaal verworven worden. De natuurlijke talen onderscheiden zich van kunsttalen en metataal.
In de taalkunde bestaan twee tradities: de traditie om taal zo veel mogelijk als een autonoom, intern samenhangend systeem te bestuderen, juist zo veel mogelijk onafhankelijk van kwesties die in die andere wetenschappen worden bestudeerd. Deze tak van de taalkunde wordt ook wel formele of algemene taalkunde genoemd. de traditie om taal juist zo veel mogelijk als geïntegreerd, sociaal systeem te bestuderen, als product en tegelijk producent van sociale verhoudingen. Deze tak van de taalkunde wordt ook wel toegepaste taalkunde genoemd.
De meeste taalkunde is ontwikkeld voor de beschrijving van gesproken talen, waarbij de taal wordt beschouwd zoals die wordt gesproken en geschreven, maar soms wordt expliciet naar spreektaal of naar schrijftaal gekeken. Ook gebarentaal wordt bestudeerd, maar uiteraard is niet alle bestaande taalkunde op gebarentaal van toepassing. Formele taalkunde heeft inhoudelijk ook raakvlakken met de constructie, bestudering en toepassing van formele talen, bijvoorbeeld talen die in de wiskunde worden gebruikt en computertalen.
Omdat taalgebruik en taalontwikkeling menselijke activiteiten zijn, heeft de studie van taal raakvlakken met humane wetenschappen zoals cognitiewetenschappen, psychologie, antropologie en sociologie.
Als wetenschappelijk studiegebied is taalkunde snel gegroeid vanaf de jaren 1960, enerzijds door een toegenomen belangstelling voor de studie van het verband tussen taal en menselijke overtuigingen en gedragingen; anderzijds door ontwikkelingen eigen aan het vakgebied zelf, zoals het werk van de onderzoeksgroep rond de Amerikaanse taalkundige Noam Chomsky.
Taaluitingen Als taaluitingen beschouwt de meeste taalkunde dus gesproken uitingen, opgebouwd uit klanken, morfemen, woorden, zinnen en teksten of discoursen (vertogen). De klanken worden bestudeerd door de fonetiek en de fonologie, de opbouw van woorden door de morfologie, en de groepering van woorden in zinnen door de syntaxis.
De betekenis van taaluitingen wordt bestudeerd door de semantiek. Wat de spreker met de taaluitingen probeert te bewerkstelligen, het doel dat ermee nagestreefd wordt, wordt bestudeerd door de pragmatiek. Ook de gebaren van gebarentaalsprekers worden als taaluitingen opgevat.
Idealisering van de taal Volgens Ferdinand de Saussure bestudeert de taalkunde de gedeelde sociale code waarmee mensen communiceren, dus een abstract systeem dat hij langue (taal) noemt en dat strikt onderscheiden wordt van de individuele taaluitingen, die hij aanduidt met de term parole (woord). Langue is dan de collectieve kennis van een gemeenschap van gebruikers, en dus precies het gedeelte van taalgebruik dat zich leent tot wetenschappelijke observatie en beschrijving. Bovendien is deze abstracte taal de kern van het taalgebruik, los van de oppervlakkige en toevallige verschillen tussen gedragsreflexen.The scope of linguistics: dimensions of idealization, hoofdstuk 2 in , "Linguistics," Oxford Introductions to Language Study, Oxford University Press 2009.
Ook Chomsky beschouwt de idealiserende rol van de taalkunde, maar hij beschouwt dit vanuit het psychologische contrast tussen competentie en performantie: competentie is de kennis die moedertaalgebruikers hebben van de taal als een stelsel van abstracte formele verbanden; performantie is hun eigenlijke communicatiegedrag.
Deelgebieden Naargelang van de specifieke belangstelling van de onderzoeker worden diverse deeldomeinen onderscheiden. De Saussure introduceerde een hoofdonderscheid tussen enerzijds diachrone linguïstiek of historische taalkunde, de studie van verandering in de taal, en anderzijds synchrone taalkunde, die de toestand van (een) taal op een bepaald moment bestudeert. Pogingen om algemene beginselen voor de studie van alle talen te formuleren, en de eigenschappen van menselijke taal als verschijnsel zelf te beschrijven, vallen onder de theoretische of algemene taalkunde. De studie van één specifiek taalsysteem heet beschrijvende taalkunde. Als de nadruk ligt op onderlinge verschillen tussen talen, valt de studie onder de hoofding vergelijkende taalkunde (ook typologische taalkunde). Structuralistische taalkunde gaat over de benadering van syntaxis en fonologie die de oppervlaktestructuur van een taal beschrijven, een discipline die sterk op de voorgrond trad in de jaren 1940 en 1950.
Niveaus van formele analyse Sommige taalkundige onderzoeksgebieden onderscheiden zich door het niveau van taalgebruik waarop de analyse is gebaseerd. Fonetici gaan uit van klanken; lexicografen van woorden; en grammatici van zinnen.Areas of enquiry: focus on form, hoofdstuk 4 in , op.cit. In de fonologie worden diverse gelijkaardige klanken (allofonen) samengebracht in fonemen. Een foneem is een abstracte klank die door de taalgebruikers als één klank wordt ervaren, zelfs als er objectieve systematische verschillen zijn in de concrete uitspraak van die klank, bijvoorbeeld naargelang van de klanken die eraan voorafgaan of erop volgen. Het daaropvolgende niveau is dat van de lettergreep, dat is een klinker eventueel voorafgegaan en gevolgd door medeklinkers. Een woord dat uit meer dan een lettergreep bestaat, heeft een klemtoon. De morfologie ontleedt woorden in hun samenstellende delen, morfemen genaamd. Voorvoegsels en achtervoegsels zijn voorbeelden van morfemen. De syntaxis bestudeert de opbouw van zinnen uit afzonderlijke woorden: de betekenis van de volgorde van de woorden, en het gebruik van morfologische aanpassingen om de functie van een woord in de zin te wijzigen of te verduidelijken.
Studiegebieden Taalkundige disciplines zijn onder andere: Algemene taalkunde Theoretische en/of structuralistische taalkunde (vooral grammatica): Fonologie, de leer van de fonemen (betekenisonderscheidende klanken) van een taal (niet te verwarren met fonetiek) Morfologie, studie van woordvormen Syntaxis, de studie van zinsbouw Semantiek, de studie van de betekenis van woorden, zinnen en teksten Pragmatiek, de studie van taalgebruik Lexicologie, de "woordleer", alles wat met woorden te maken heeft, en lexicografie, de toepassing van lexicologische regels van een taal, zoals spelling en het maken van woordenboeken Fraseologie, analyse van woorden op zinsniveau Stilistiek, hoewel geen echt onderdeel van de formele taalkunde, wel een onderwerp van de grammatica Computationele taalkunde Toegepaste taalkunde (ook wel interdisciplinaire, antropologische of fenomenologische taalkunde genoemd): vanaf ten laatste de jaren 1920 kwam de term toegepaste linguïstiek in voege voor een taalkundig-wetenschappelijke benadering van het taalonderwijs. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de conclusies van de structurele taalkunde toegepast bij het onderwijzen van de grammatica en de fonologie van talen die voor de Amerikaanse oorlogvoering van belang leken. Sindsdien is het belangstellingsveld verruimd met onder meer taalrechten en identiteit, meertaligheid en meertalig onderwijs, geletterdheid, taalbeleid en -planning, taaldiaspora, vertalen en vertolken, spraaktherapie en forensische taalkunde. Widdowson heeft voorgesteld een onderscheid te maken tussen enerzijds taalkunde toegepast (de oorspronkelijke betekenis, namelijk taalproblemen uit de echte wereld oplossen met inzichten uit de taalkunde) en anderzijds toegepaste taalkunde (het gebruik van inzichten uit andere vakgebieden zoals psychologie, antropologie, sociologie en misschien ook filosofie en literatuurwetenschap). Cognitieve linguïstiek Corpuslinguïstiek Conversatieanalyse Discoursanalyse Etnolinguïstiek Forensische linguïstiek Klinische linguïstiek Lhbt-linguïstiek Linguïstiek van vertalen en tolken Literatuurwetenschap Logopedie Linguïstische antropologie Mathematische taalkunde en/of taalstatistiek Medialinguïstiek Narratologie Neurolinguïstiek, het verband tussen taal en hersenen Psycholinguïstiek, met inbegrip van taalverwerving Rechtslinguïstiek Sociolinguïstiek Taalbeheersing Tekstlinguïstiek Taaldidactiek Taalpathologie of afasiologie Veldlinguïstiek Historische en vergelijkende taalkunde: Diachrone taalkunde bestudeert de historische ontwikkeling van een taal en reconstrueert niet-overgeleverde oertalen Synchrone taalkunde bestudeert een taal in een bepaalde periode Vergelijkende taalkunde bestudeert de (mate van) verwantschap tussen verschillende talen, gebruikmakend van de reconstructiemethodes uit de historische taalkunde, bijv. indogermanistiek, bantoeïstiek Contrastieve taalkunde bestudeert de verschillen tussen minstens twee talen Fonetiek, algemene klankleer (articulatorisch, akoestisch, perceptief alsook linguïstisch)
Benaderingen thumb|upright|Ferdinand de Saussure stelde algemene taalkunde voor als de studie van de taal als een evenwichtig systeem van betekenis en vorm.
Humanistische Het fundamentele principe van de humanistische taalkunde is, dat taal een uitvinding is, die door mensen is gemaakt. Een semiotische traditie van taalkundig onderzoek beschouwt taal als een tekensysteem, dat voortkomt uit de interactie van betekenis en vorm. De organisatie van taalstructuren wordt als computationeel beschouwd. Taalkunde wordt in wezen gezien als gerelateerd aan de sociale en culturele wetenschappen, omdat verschillende talen in sociale interactie worden gevormd door de taalgemeenschap. Kaders die de humanistische kijk op taal vertegenwoordigen, omvatten onder meer de structurele taalkunde.
Structurele analyse betekent het ontleden van elk niveau: fonetisch, morfologisch, syntactisch en discours, tot in de kleinste eenheden. Deze worden verzameld in inventarissen (bijv. foneem, morfeem, lexicale klassen, frasetypes) om hun onderlinge verbondenheid te bestuderen binnen een hiërarchie van structuren en lagen. De functionele analyse voegt aan de structurele analyse de toewijzing van semantische en andere functionele rollen toe, die elke eenheid kan hebben. Een zelfstandig naamwoord kan bijvoorbeeld fungeren als het onderwerp of object van de zin, of als de semantische agent of patiënt.
Functionalistische taalkunde, of functionele grammatica, is een tak van de structuralistische taalkunde. In de humanistische samenhang zijn de termen structuralisme en functionalisme gerelateerd aan hun betekenis in andere menswetenschappen. Het verschil tussen formeel en functioneel structuralisme ligt in hun antwoord op de vraag, waarom talen de eigenschappen hebben, die ze hebben. Functionele verklaring houdt in, dat taal een communicatiemiddel is, of dat communicatie de primaire functie van taal is. Taalvormen worden dan ook uitgelegd op hun functionele waarde of bruikbaarheid. Andere structuralistische benaderingen nemen het perspectief dat vorm volgt uit de innerlijke mechanismen van het bilaterale en meerlagige taalsysteem.
Biologische Benaderingen zoals cognitieve taalkunde en generatieve grammatica bestuderen linguïstische cognitie met het oog op het blootleggen van de biologische onderbouwing van taal. In generatieve grammatica wordt deze onderbouwing begrepen als aangeboren domeinspecifieke grammaticale kennis. Een van de centrale aandachtspunten van de benadering is dus om te ontdekken welke aspecten van taalkundige kennis genetisch zijn.