thumb|Kaart van Romeins Dacië, en omliggende volken in 125 n.Chr. De Bastarnen (Latijn: Bastarni, of Basternae; Grieks: Βαστάρναι, of Βαστέρναι) waren een Oost-Germaans volk dat tussen 200 v.Chr. en 300 n.Chr. in de regio tussen de Karpaten en de Dnjepr woonde, ten noordoosten van het oude Dacië. De Peucini waren volgens Grieks-Romeinse schrijvers een tak binnen de Bastarnen, die ten noorden van de Donaudelta woonden.

Rond 200 v.Chr. migreerden deze stammen naar het zuidoosten, in de regio ten noorden van de Zwarte Zee. Sommige stammen lijken rond de 3e eeuw te zijn geassimileerd binnen de Sarmaten. Hoewel ze voornamelijk op een vaste woonplaats verbleven, leidden sommige stammen een semi-nomadische leven.

De Bastarnen worden geassocieerd met de Poienești-Lukașevkacultuur in Moldavië en de aangrenzende gebieden van Roemenië en Oekraïne.

Geschiedenis De Bastarnen kwamen voor het eerst met de Romeinen in conflict tijdens de 1e eeuw v.Chr., toen ze een Romeinse invasie in Moesia en Pannonië wilden tegenhouden, samen met de Daciërs en de Sarmaten, wat uiteindelijk mislukte. Later onderhielden ze tot de 2e eeuw n.Chr. vriendschappelijke relaties met het Romeinse Rijk. Dat veranderde weer in 180 n.Chr., toen de Bastarnen samen met de Sarmaten en de Daciërs Romeins grondgebied binnenvielen. In het midden van de 3e eeuw, waren de Bastarnen onderdeel van een grote coalitie van de Donau-stammen, geleid door de Goten, die herhaaldelijk de Balkanprovincies van het Romeinse Keizerrijk binnenvielen. Uiteindelijk vestigden de Bastarnen zich binnen de grenzen van het Romeinse rijk, tegen het eind van de 3e eeuw.

Periode van de Romeinse Republiek (tot 30 v.Chr.) Bondgenoten van Philippus van Macedonië (179-8 v.Chr.) thumb|Zilveren tetradrachme van Philippus V van Macedondië. De Bastarnen worden pas voor het eerst genoemd door de geschiedschrijving toen ze in 179 v.Chr. de Donau met een groot leger overstaken. Ze gingen in op een uitnodiging van een oude bondgenoot, koning Philippus V van Macedonië, een directe nakomeling van Antigonus I Monophthalmus, een van de diadochen, de generaals van Alexander de Grote, die diens rijk in vieren deelden toen Alexander in 323 v.Chr. stierf. De Macedonische koning had grote verliezen geleden tegen de Romeinen in de Tweede Macedonische Oorlog (200-197 v.Chr.), waardoor hij van machtige Hellenistische heerser naar de status van een onbeduidende satrapie met een klein grondgebied en leger was gedegradeerd. 20 jaar later voelde Philippus zich vernederd door Rome’s decreten, en hij raakte ook zeer geagiteerd door de vernietigende plunderingen van de Dardani, een Thraco-Illyrische stam aan zijn noordgrens, waar zijn kleine leger niet tegenop kon. Hij steunde daarom op de Bastarnen, die samen met hem niet alleen de Dardani moesten verjagen, maar ook zijn gebieden in Griekenland weer terug winnen. Nadat de Dardani verslagen waren, was Philippus van plan om de Bastarnenfamilies in Dardania te laten wonen. Daarna vatte hij het plan op om de Bastarnen Italië te laten binnenvallen via de Adriatische kust. Hij wist dat de Bastarnen het waarschijnlijk niet zo goed zouden doen als Hannibal het 40 jaar eerder deed. Maar ondertussen zou hij van de verwarring gebruikmaken om Griekenland te heroveren.

Maar Philippus, die nu 60 jaar oud was, stierf voordat de Bastarnen aangekomen waren. Die waren nog steeds op weg door Thracië, waar het in conflict kwam met de lokale bevolking, die hen niet genoeg voedsel voor een betaalbare prijs wilden aanbieden. Waarschijnlijk in de nabijheid van Philippopolis, verlieten de Bastarnen hun colonne en plunderden ze het land. De lokale Thraciërs vluchtten naar de hellingen van Mons Donuca, de hoogste berg van Thracië. De Bastarnen achtervolgden ze omhoog, maar ze werden teruggedreven en raakten verspreid door een hevige hagelstorm. De Thraciërs legden dit keer een hinderlaag voor hen, en de afdaling werd nu een paniekerige en verwarde aftocht. De gedemoraliseerde Bastarnen besloten om terug naar huis te gaan, en stuurden 30.000 troepen om op te rukken naar Macedonië.

Philippus’ zoon en opvolger Perseus van Macedonië liet de Bastarnen in een vallei van Dardania wonen. Waarschijnlijk was dat een voorbereiding op zijn campagne tegen de Dardani, in de volgende zomer. Maar tijdens hartje winter vielen de Dardani het kamp aan. De Bastarnen wisten hun aanval gemakkelijk af te slaan, en achtervolgden hen naar hun hoofddorp, dat ze belegerden. Maar ze werden verrast door een tweede Dardani-leger dat hen vanuit de bergen beslopen had, en hun kamp nu van achteren aanviel. De Bastarnen moesten zich nu terugtrekken uit Dardania, en werden gedwongen terug te keren naar hun thuisland. Op hun terugtocht over de bevroren Donau stierven velen van de kou, als ze al niet door het ijs zakten. Hoewel het plan van Philippus met de Bastarnen mislukt was, wisten de Dardani met waarschuwingen over de Bastarneninvasie in hun land de senaat te alarmeren, die ervoor zorgden dat de macht en onafhankelijkheid van Macedonië geleidelijk afnam. In 171 v.Chr. verklaarden de Romeinen de oorlog aan Macedonië, en nadat het Macedonische leger bij de Slag bij Pydna vernietigd was, werd Macedonië opgesplitst in vier Romeinse marionettenstaten. 21 jaar later werden die weer afgeschaft en werd Macedonië geannexeerd in de Romeinse Republiek als Macedonia.

Bondgenoten van de Getische koning Burebista (62 v.Chr.) thumb|Kaart van Scythia Minor, die de Griekse kustplaatsen Histria, Tomis, Callatis en Dionysopolis laat zien (Istria, Constanta, Mangalia en Balchik) thumb|Munt van de Griekse kuststad Histria De Bastarnen kwamen voor het eerst direct in conflict met Rome door een Romeinse expansie in de Donauregio door de proconsuls (gouverneurs) van Macedonia rond 75-72 v.Chr. Gaius Scrbonius Curio (proconsul 75-3 v.Chr.) leidde een succesvolle veldtocht tegen de Dardani en de Moesi, waardoor hij de eerste Romeinse generaal werd die met zijn leger de Donau bereikte. Zijn opvolger, Marcus Licinius Lucullus leidde een campagne tegen de Thracische ‘Bessi’-stam en de Moesi, waarbij heel Moesia vernietigd werd. In 72 v.Chr. bezetten zijn troepen de kuststeden van Scythia Minor, omdat die de kant van Rome’s aartsvijand, koning Mithridates VI van Pontus hadden gekozen tijdens de Derde Mithridatische Oorlog (73-63).

De aanwezigheid van Romeinse troepen in de Donaudelta werd gezien als een voorname bedreiging door alle naburige Donaustammen: de Bastarnen, de Sarmaten en voornamelijk, koning Burebista, die van 82-44 v.Chr. regeerde over de Getae. De Getae leefden in het huidige Wallachije, maar ook in Scythia Minor. Ze spraken ofwel een Dacische taal of een Thracische taal. Burebista had de Getae verenigd in één koninkrijk, waarvoor de Griekse polissen (steden) een belangrijke handelspartner waren. Burebista sloot een verbond met de naburige Bastarnen en Sarmatische stammen. Op het toppunt van zijn macht zouden de Geten een leger van 200.000 strijders kunnen mobiliseren. Burebista leidde deze Trans-Donau coalitie tegen de Romeinen, waarbij hij herhaaldelijk Romeinse bondgenoten in Moesia en Thracia plunderde, en tot in Macedonia en Illyria kwam.

De coalitie kreeg een grote kans in 62 v.Chr., toen de Griekse steden tegen de Romeinse heerschappij in opstand kwamen. De proconsul van Macedonia, Gaius Antonius Hybrida (Hybrida = Monster), die militair incompetent was en voornamelijk onderdrukkend, leidde een leger tegen de Griekse steden. In 61 v.Chr. naderde zijn leger Histria, maar onderweg liet hij zijn gehele cavalerie terug marcheren, weg van de colonne. Cassius Dio schrijft dat hij dat deed omdat hij een lafaard was, die de op handen zijnde veldslag tegen zijn vijanden wilden voorkomen. Het is waarschijnlijker dat Gaius Antonius dit deed omdat hij een cavalerieleger, waarschijnlijk van de Sarmaten achternazat. Maar de Bastarnen, die de Donau overgestoken waren om Histria te helpen, vielen de Romeinen aan, en slachtten de Romeinse infanterie af. Daarbij maakten ze verscheidene vexilla (militaire standaarden) buit. De slag betekende een ineenstorting van de Romeinse positie in de Donaudelta. Burebista nam daarna zelf de Griekse steden in. Uiteindelijk had de Romeinse keizer Augustus de taak om de gebieden van hun voormalige bondgenoten, Moesia en Thracia, weer te heroveren, nadat deze de afspraken met Rome hadden verbroken.

Rond 44 v.Chr. was de dictator voor het leven, Julius Caesar, van plan om Burebista eens en voor altijd te verslaan. Maar dat was niet meer nodig; Burebista werd vermoord, en het Getische rijk werd in vier, later vijf, onbelangrijke rijkjes opgedeeld. Deze waren militair gezien veel minder sterk, samen met hooguit 40.000 troepen. De militaire macht nam verder af door onderlinge oorlogen. Deze Geto-Daciërs zouden nooit meer een bedreiging voor de Romeinse positie in de Donau vormen, tot de opkomst van Decebal 130 jaar later (86 n.Chr.).

Romeins Principaat (30 v.Chr. – 284 n.Chr.) Periode van Augustus (30 v.Chr. – 14 n.Chr.) thumb|Standbeeld van Augustus. Tegen het eind van zijn regeringsperiode (14 n.Chr.) had Augustus het rijk tot de rivier de Donau uitgebreid, dat de grens van het Rijk zou blijven (op de verovering van Dacia na) Nadat hij zich als alleenheerser in 30 v.Chr. had ontplooid, begon Augustus met het plan om de zuidoostelijke Europese grens tot de Donau te verleggen. Daardoor zou de bewegingsruimte van Italië naar Griekenland breder worden, en zouden legers sneller van de een naar de ander kunnen reizen.

De benedenloop van de Donau, die prioriteit had boven de bovenloop van de Donau, moest worden veroverd en dat betekende een campagne en de verovering van Moesia. Hierbij waren de stammen die in Moesia woonden (van west naar oost): de Triballi, de Moesi, en de Geten die nog over waren het doelwit. De Bastarnen waren ook een doelwit, omdat ze recentelijk de Triballi hadden onderworpen. Augustus wilde ook de nederlaag van Gaius Antonius Hybrida wreken, 32 jaar daarvoor, en de militaire standaarden die verloren waren geraakt, terug veroveren. Deze waren namelijk naar een sterk fort gebracht dat Genucla werd genoemd, dat geregeerd werd door Zyraxes, de lokale Getische koning. Marcus Licinius Crassus (consul in 30 v.Chr.), ook een kleinzoon van de triumvir Crassus, was degene die als proconsul van Macedonia in 29 v.Chr. werd aangesteld, en dus de taak op zich zo krijgen.