De KV-2 (Russisch: КВ-2) was een zware tank gebaseerd op de KV-1. De tank had vergeleken met de KV-1 een nieuwe, grotere, geschutskoepel met een M-10 152mm M1938 houwitser. De KV-2 werd in de Tweede Wereldoorlog gebruikt door de Sovjet-Unie.

Ontwikkeling Eind 1939, in de beginfase van de Winteroorlog tussen de Sovjet-Unie en Finland, liep het Rode Leger op de Karelische Landengte vast tegen de Mannerheimlinie waarvan de kazematten en bunkers lastig uit te schakelen waren. De veldtroepen, vooral de commandant van de 7e Leger generaal Kirill Meretskov, drongen aan op een snelle ontwikkeling van een pantservoertuig uitgerust met een kanon van voldoende kaliber om dergelijke versterkingen uit te schakelen. Daarvoor besloot men het chassis te gebruiken van twee zware tank-projecten. Een daarvan was de T-100. Het OKMO-ontwerpteam bouwde een prototype van een gemechaniseerd geschut waarbij op het chassis daarvan in een kazematopbouw een 130mm B-13 marinekanon geplaatst werd. Dit type noemde men de T-100U. Een tweede type was de T-100Z dat gebruik zou moeten maken van een 152 mm houwitser in een toren. Geen van beide typen voldeed. De marine weigerde voldoende 130 mm kanons af te staan omdat men die zelf nodig had voor een geplande uitbreiding van de vloot. Het prototype van de T-100U, voltooid in het voorjaar van 1940, zou eind 1941 nog ingezet worden voor de verdediging van Moskou. In de literatuur noemt men het een SU-100Y of SU-130Y Igrek. Die laatste was een naam achteraf om verwarring met de latere SU-100 te voorkomen. left|thumb|De SU-100Y De tweede zware tank was de KV-1. Het ontwerpteam van Zjozef Kotin bouwde onder leiding van Nikolai L. Doechov het Obiekt 212 teneinde in een kazematopbouw op het chassis van de KV-1 een 152mm BR-2 of 203mm B-4 houwitser onder te brengen. Al snel werd duidelijk dat de romp daartoe verlengd moest worden. De aanpassingen daarvoor zouden veel tijd vergen. Eerst overwoog men dan maar een 122mm M1938 L/22,7 houwitser in een normale KV-1 toren te plaatsen. De koepelring bleek daarvoor echter een te geringe diameter te hebben. Toen kwam men op de gedachte een zeer hoge toren te gebruiken zodat het hele kanon boven het rompniveau geheven kon worden. De tijd drong en onder het stalinistische bewind was falen geen optie. Binnen twee weken construeerde men, dag en nacht doorwerkend, een toren die de 152mm Model 1909/1930 houwitser kon bevatten, het standaard zware geschut van het leger. Op 10 februari 1940 werd het prototype getest van de большой башни, KV s bolsjoi basjni, "KV met grote koepel". De eerste twee voertuigen werden daarna in Finland beproefd door de 20e Pantserbrigade. Deze voertuigen werden nog uitgerust met het 122 mm kanon. Finse bunkers bleken eenvoudig te vernietigen. Het is overigens onzeker of de prototypen echt aan oorlogshandelingen hebben meegedaan: men beschoot wellicht kazematten van de al midden februari gebroken Mannerheimlinie. Een verslag meldt echter dat een voertuig achtenveertig keer door antitankkanonnen van de vijand werd geraakt zonder doorslagen te worden.

Hoewel de Winteroorlog in maart 1940 beëindigd werd, nam men het type toch in een beperkte productie, als een KV-2, een naam die overigens pas begin 1941 gegeven werd ter onderscheiding van een KV-1. Indirect was de tank zo vernoemd naar Kliment Worosjilov. Hoewel deze naam suggereert dat de KV-2 de opvolger was van de KV-1, is dat incorrect. De KV-2 was een tegelijk lopend project; de KV-1 werd in 1942 opgevolgd door een lichtere KV-1S en later in 1943 door de KV-85 die aanleiding gaf tot de IS-serie. De bemanningen zelf noemden hun voertuig de Dreadnought omdat het een waar "landschip" was. left|thumb|Het U-3 prototype van de KV-2 met het vroege model toren In februari 1940 werd besloten naast de vier bestelde prototypen, de U-0 tot U-3, nog eens een voorserie van twintig te fabriceren uitgerust met de modernere 152 mm M-10 houwitser. Het vierde prototype, de U-3, werd echter wellicht afgebouwd als eerste van de voorserie. Deze voertuigen werden in juni en juli geproduceerd en in augustus 1940 afgeleverd. In juni 1940 werd besloten tot massaproductie van een verbeterde versie. Daarvan werd een eerste bestelling gedaan van tachtig. De eerste voertuigen daarvan waren in november 1940 klaar. In 1940 werden, inclusief prototypen en voorserie, een kleine honderd KV-2s geproduceerd. Een tiental voertuigen van de eerste bestelling werd geleverd in januari 1941. Daarna werd een tweede bestelling gedaan van honderd. Daarvan werden de eerste in mei geleverd. De productie liep tot eind juni 1941, toen er 180 van de tweede versie geleverd waren. Daarvan werden er in 1941 110 geleverd zodat er minstens 93 in 1940 gefabriceerd moeten zijn, zeventig daarvan van de tweede versie. Het totaal beliep zo vermoedelijk rond de 203. Oudere bronnen stellen in plaats daarvan het productietotaal op 334: 102 in 1940 en 232 in 1941. De discrepantie voor 1940 kan verklaard worden door een verschil tussen productie en het moment dat door het leger de tanks als geleverd op de inventarislijsten werden bijgeschreven. In de zomer van 1941 werden rond de 130 onderstellen, waarvan de productie oorspronkelijk bestemd was voor een derde bestelling van de KV-2, in feite afgebouwd als KV-1's waaraan een veel grotere behoefte bestond. Bronnen geschreven rond 2010 gaan uit van een eerste bestelling van zesentachtig en komen uit op een totaal van 210: vier prototypen, twintig voertuigen van de voorserie en zesentachtig plus honderd voertuigen van de hoofdbestellingen. thumb|Een replica van de toren van de eerste versie, op een echte KV-1 romp Er bestaat veel verwarring over het bestaan en de benaming van subtypen. Het Rode Leger zelf onderscheidde die indertijd niet. De Duitsers kwamen de twee varianten tegen en noemden die de KW-2A en KW-2B. Na de oorlog kenden militaire historici van de Sovjet-Unie modelnummers toe met een jaaraanduiding. De eerste vier, of drieëntwintig, voertuigen werden zo wel de KV-2 "Model 1939" genoemd, hoewel ze pas in 1940 zijn ontworpen en gebouwd. Ze hadden een toren met een in bovenaanzicht wigvormige achterplaat en een trapeziumvormige voorplaat die naar achteren helde. In die plaat bevond zich een grote opening voor het kanon, welke weer grotendeels afgesloten was met een kleinere rechthoekige plaat, met bouten aan de hoofdplaat bevestigd. Dit wordt ook wel de MT-1-toren genoemd naar het type ophanging van het kanon, maar ook dat is geen contemporaine aanduiding. De KV-2 "Model 1940", het type van de twee hoofdbestellingen, gebruikte de wat bredere en kortere "MT-2-toren" met een verticale gelaste voorplaat en een rechte achterplaat met groot toegangsluik en een machinegeweer. Verder waren er verbeterde periscopen aangebracht. Indertijd werd dit de пониженная башня genoemd, ponizjennaja basjnja, "met verkleinde toren" — in feite was het volume overigens groter, alleen de horizontale lengte was minder. Uiteindelijk werd de romp gebruikt van de KV-1 Model 1941. De Duitse aanduidingen KW-2A en KW-2B weerspiegelen het torentype en werden na de oorlog meestal vermeld in de westerse literatuur, verengelst tot KV-2A en KV-2B, totdat in de jaren zeventig de Sovjetbronnen bekend werden.

Het voertuig werd geproduceerd in de Kirovfabriek van Leningrad, dezelfde faciliteit die de prototypen ontworpen had. Toen die wegens de Duitse opmars in oktober 1941 naar "Tankograd" in de Oeral geëvacueerd moest worden, werd de productie van de KV-2 daar niet meer opgevat, hoewel er in de zomer wel voorbereidingen voor getroffen waren. Het type werd als verouderd beschouwd.

Beschrijving thumb|De hoge toren gaf de KV-2 een onmiskenbaar profiel. Dit voertuig met serienummer B-4744 is een van de laatste die gemaakt werden in juni 1941. De loopwielen zijn van een latere KV-1 en de rupsband is van een T-10 Het belangrijkste verschil tussen KV-2 en KV-1 bestond uit de toren; de voertuigen gebruikten dezelfde romp. De toren van de KV-2 was een unieke constructie. Hoewel het voertuig een houwitser in zijn geschutskoepel had, was deze bedoeld voor direct vuur. Er zijn pantservoertuigen geweest met grotere gevechtstorens maar dat betrof pantserhouwitsers met krombaangeschut en licht pantser dat alleen geschikt was om kogels en granaatscherven tegen te houden. De toren van de KV-2 daarentegen was zwaar bepantserd om al het standaardantitankgeschut van 1940 te kunnen weerstaan. De voorplaat had een dikte van 110 millimeter, de zijkanten van 75 millimeter. De toren was een meter hoger dan die van de KV-1. Dit bracht de totale hoogte van de tank op 3,9 meter. Dit had ook nadelen: het hoge silhouet maakte de tank een eenvoudig te raken doelwit en het voertuig was topzwaar. Het sloeg snel om bij hellingen en de toren viel nauwelijks te roteren als de romp niet vlak stond. De elektromotor van het draaimechaniek dreigde dan door te branden waarna de koepel traag met handzwengels bewogen moest worden. De toren woog 12,9 ton en dat bracht het beladen gewicht van de tank op 57,9 ton. Omdat de oorspronkelijke motor van 500 pk behouden bleef, daalde de maximumsnelheid naar 25 km/h. Het hogere gewicht verergerde de mechanische problemen waarmee de KV-1 toch al te kampen had. De koppeling begaf het vaak. Daarnaast dreigde de tank steeds vast te lopen in drassige grond omdat de bodemdruk verhoogd was. left|thumb|Een blik op het dak van de toren toont de twee periscopen, twee ventilatoren en drie episcopen Uniek was ook dat het een viermanstoren betrof terwijl andere sovjettanks een tweemanstoren bezaten en de Duitse tanks driemanstorens hadden. Vaak wordt aangenomen dat ten opzichte van die laatste een extra lader toegevoegd werd vanwege de zware granaten. De vierde man was echter nodig omdat de grote 152 mm houwitser door twee man bediend moest worden, een voor de elevatie en de ander voor de traverse, en verder ter verbetering van de vuurwaarneming vanuit het lange torendak. De Sovjets hadden nog geen dure commandokoepels in productie genomen. In zo'n koepel heeft de commandant een richtvizier waarmee hij de hoek van het doel met de voertuigas kan bepalen en doorgeven aan de schutter. Bij de KV-2 had de commandant weliswaar een PT-K periscoop maar daarmee kon hij de omgeving niet in één blik overzien, daartoe had hij alleen een opklapbaar luik en dat lag nog vrij achteraan ook en aan de rechterzijde. Hij moest zowat op het dak klimmen om het doel onbelemmerd waar te nemen. Daarom was er een aparte geschutscommandant met PT-9 periscoop (eerst PT-5), rechts van het kanon, die de verticale elevatie instelde. De schutter bevond zich links van het kanon, met een TOD-9 telescoopvizier (eerst T-5-152 Model 1938) en bepaalde de horizontale traverse. De commandant bevond zich normaliter achter de geschutscommandant en de lader, meteen fungerend als assistentgeschutscommandant, stond links van hem om met de rechterarm de zware granaat in de vuurkamer te schuiven. Overigens was dit een wijziging ten opzichte van de indeling bij de eerste versie waarin de commandant links achter de schutter zat, het luik zich aan de linkerzijde bevond en de lader rechts stond. Er waren zes bemanningsleden. De twee overige zaten in de romp. De chauffeur, die meteen fungeerde als mecanicien, bevond zich in het midden, achter een centraal kijkgat. Links van hem zat de bediener van de radio die meteen het machinegeweer van de voorste romp kon afvuren, aangebracht in de linkervoorplaat.