Titus Anno Sjoerd Maria (T.A.S.M.) Panhuysen (Maastricht, 1949) is een Nederlands archeoloog en kunsthistoricus. Van 1979 tot 2014 was hij stadsarcheoloog in Maastricht. Van 2004 tot 2014 was hij verbonden aan het 'Saint Servatius Project' van de Universiteit van Amsterdam, waar hij tevens gastdocent was. Panhuysen geldt in Nederland als specialist op het gebied van provinciaal-Romeinse beeldhouwkunst. Tevens publiceerde hij uitgebreid over de laat-Romeinse en vroegmiddeleeuwse ontwikkeling van Maastricht.Zie 'Titus Panhuysen' op linkedin.com.
Biografische schets Titus Panhuysen werd in 1949 geboren als jongste zoon in het kinderrijke gezin van de historicus en rijksarchivaris dr. Gerard Panhuysen (1903-1991) en de docente klassieke talen Marietje Panhuysen-Oomen (1903-2001).Mededelingen dr. T. Panhuysen per email, 5 en 25 april 2022. Hij groeide op in het bij Maastricht behorende dorp Sint Pieter (Huis De Torentjes). Al vroeg toonde hij interesse in geschiedenis en archeologie. De opgravingen eind jaren 1950/begin jaren 1960 door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) bij de sanering van het Stokstraatkwartier, de ontdekking van de Romeinse Maasbrug in 1963 (met een groot aantal gebeeldhouwde fragmenten van monumentale graftekens en godenstenen) en de ontdekking van een unieke Romeinse graftombe in de nieuwbouwwijk Belfort, volgde hij als schooljongen op de voet. Van 1963 tot 1965 hielp hij als veertien-, vijftienjarige onder leiding van professor Jules Bogaers mee bij de (her)opgraving van het uitgestrekte Romeinse thermencomplex in het Stokstraatkwartier (het huidige plein Op de Thermen).Lichtenberg (1997), p. 11.
Na het doorlopen van het gymnasium in Maastricht (Henric van Veldekecollege, 1961-68), studeerde hij van 1968 tot 1974 kunstgeschiedenis en archeologie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, onder anderen bij de hoogleraren Frits van der Meer, Bernhard Stolte, Wim Peters en Jules Bogaers. Van maart 1974 tot 1978 deed hij met een beurs van de Nederlandse Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek (ZWO) veldonderzoek in geheel West-Europa om zich te specialiseren in de kennis van de provinciaal-Romeinse beeldhouwkunst. Dat leverde hem een internationaal netwerk op van vakgenoten aan musea en onderzoeksinstituten.Lichtenberg (1997), p. 12.
Vanaf juni 1979 was Panhuysen als stadsarcheoloog werkzaam binnen de gemeente Maastricht. In 1996 promoveerde hij cum laude aan de Nijmeegse Universiteit op het proefschrift Romeins Maastricht en zijn beelden (promotor J.E. Bogaers). Na 2004 wijdde Panhuysen zich in toenemende mate aan het Saint Servatius Project, geïnitieerd door de Amsterdamse hoogleraar Frans Theuws. Dit was gericht op het publiceren van het in de jaren 1950 tot 1990 verrichte veldwerk in en rondom de Maastrichtse Sint-Servaaskerk.
Buiten zijn eigenlijke werk lag zijn deelname aan de Maastrichtse gemeentelijke Commissie voor Straatnaamgeving in de periode 1990-2014, een van zijn meest geliefde hobby's. Daarnaast is hij een verwoed amateurfotograaf. Sinds 2016 is hij lid van de Probusclub Maastricht III.
Dr. Panhuysen is gehuwd en heeft samen met zijn echtgenote drie kinderen, een zoon (1974) en twee dochters (1977 en 1979).
Loopbaan Stadsarcheoloog in Maastricht thumb|Opgraving Céramique, 1991 In 1979, nog tijdens zijn promotieonderzoek in Nijmegen, werd Panhuysen gevraagd om als eerste de functie van stadsarcheoloog van Maastricht te gaan invullen. In de binnenstad van Maastricht waren in de jaren 1960 en 1970 talloze bouwprojecten gerealiseerd, waarbij geen enkele vorm van archeologisch bodemonderzoek had plaatsgevonden (Vroom & Dreesmann, Entre Deux, Boschstraatkwartier, enz.). Een van zijn eerste opdrachten was om een einde te maken aan de 'bodemjutterij', het plunderen van historisch interessante bouwplaatsen door 'amateurarcheologen', in werkelijkheid schatgravers, verzamelaars en handelaren. Hij begon met lege handen, zonder medewerkers in vaste dienst en zonder budget. In enkele jaren wist hij met kunst- en vliegwerk een afdeling op te bouwen met een kern van vaste medewerkers (Piet Boyens, Wim Dijkman, Wim Veldman), een goed geoutilleerde restauratieafdeling (met Paul Rossèl) en een wisselend aantal toegevoegde, tijdelijke krachten en vrijwilligers. In de jaren 1980 zorgden Panhuysen en zijn team voor een reeks spraakmakende opgravingen in de binnenstad, die op open dagen duizenden bezoekers trokken, onder andere op het Onze-Lieve-Vrouweplein (op het plein zelf, de Derlon-opgraving en de opgraving Mabro), in de Sint-Servaaskerk, in het Boschstraatkwartier en achter het Generaalshuis (voorafgaand aan de bouw van het Theater aan het Vrijthof). In de jaren 1990 kregen de opgravingen bij de bouw van de archiefkelders van het Rijksarchief en de Céramique-opgravingen (blootlegging van het zuidelijke vestingfront van Wyck, met onder meer de ontdekking van een reeks Merovingische pottenbakkersovens), veel aandacht. Een belangrijk project uit deze periode was ook de opgraving van de Pandtuin van de Onze Lieve Vrouwekerk in 1996.
thumb|Romeins heiligdom, Museumkelder Derlon Door de aanwezigheid van een eigen archeologische dienst genoot de Maastrichtse archeologie in het laatste kwart van de twintigste eeuw een grote populariteit. In weerwil van de magere budgetten, te weinig gekwalificeerd personeel, het ontbreken van een duidelijke wetgeving en regelmatige tegenwerking van het bedrijfsleven en de eigen stedelijke overheid (vanuit het oogpunt van de economische belangen), vonden er in deze periode vele grote en kleine onderzoeken en waarnemingen plaats. Panhuysen zette vooral in op kwaliteit van documentatie en verslaggeving van resultaten in (korte) artikelen en lezingen, voor eigen publiek, op studiedagen en tijdens (internationale) congressen. Het grootste manco van de toenmalige stadsarcheologie was het gebrek aan menskracht om de onderzoeksresultaten uit te werken en te publiceren. Voor zover Panhuysen ertoe in staat was, deed hij dat wel ten aanzien van de Romeinse periode en ten dele met betrekking tot de Sint-Servaaskerk.
De ondertekening door Nederland van het Verdrag van Malta (1992) en de neoliberale houding van de gemeente in de jaren 1990 leidden tot, volgens Panhuysen, nutteloze organisatieonderzoeken om de stadsarcheologie meer selfsupporting te maken, en uiteindelijk tot de uitbesteding van opgravingsprojecten aan externe bedrijven met een grotere afstand tot het publiek.Afscheidstoespraak dr. Titus Panhuysen als stadsarcheoloog in Maastricht, 21 februari 2014. Ook het verdwijnen van de afdeling archeologie uit het provinciale Bonnefantenmuseum in 1999 en het mislukken van het initiatief om in de naastgelegen Wiebengahal een Archeologisch Centrum in te richten, droegen bij aan de verkleining van het draagvlak voor de Maastrichtse archeologie. Wel werd in zijn periode het verleden meer zichtbaar gemaakt in de stad, zoals de opgravingen in de Museumkelder Derlon en in het souterrain van een nabij gelegen winkel aan de Havenstraat, op het Onze Lieve Vrouweplein met de moderne, naar de Romeinse oorsprong van de stad verwijzende Jupiterzuil van Fons Bemelmans, in de Sint-Servaaskerk met de geconserveerde opgraving in de kelder van de schatkamer en het lapidarium in de oostcrypte van de kerk, en aan de Maasboulevard met een bordes en zuil ter plekke van het tracé van de Romeinse brug (de Romeinse Maasoever lag 80 m verderop onder de trappen van de Eksterstraat). In Wyck werden rondom het Centre Céramique en de Bordenhal van de vroegere Société Céramique (ook wel bekend als Derlontheater) door architect Jo Coenen delen van de opgegraven stadmuren geïntegreerd. Verder zijn vitrines gerealiseerd in gebouwen waar archeologisch onderzoek had plaatsgevonden (AZM, Lenculenhof, Hotel en Museumkelder Derlon). Enkele educatieve publiekstentoonstellingen als ‘Maastricht staat op zijn verleden’ in 1984 in het Bonnefantenmuseum en ‘Over.Bruggen’ in 2000-2001 in de Wiebengahal, beide met begeleidende publicaties, trokken veel aandacht.
Opgravingen Stokstraatkwartier
Een van de eerste archeologische opgravingen waaraan Titus Panhuysen leiding gaf, vond in het voorjaar van 1980 plaats in de Havenstraat in het Stokstraatkwartier, vlak bij het Onze Lieve Vrouweplein. Op het voormalige brouwerijterrein van Marres werden delen opgegraven van de westmuur en de gracht van het laat-Romeinse castrum van Maastricht en op grotere diepte de vroeg-Romeinse heerweg van Tongeren naar Keulen, de weg die tegenwoordig Via Belgica wordt genoemd.Panhuysen (1984), pp. 29-36.
Aan de zuidzijde van het plein, waar ooit de broodfabriek Mabro stond (nu: Hondertmarck), werden in 1981-82 een stroomgeul van de Jeker en vlak daarbij de zuidwestbocht van de zes meter brede gracht gevonden, die om de laat-Romeinse vesting liep en tot in de zesde eeuw in gebruik was gebleven. Iets ten noorden van het terrein, vlak bij de zuidgevel van de kerk, was in het begin van de twintigste eeuw al de zuidwestelijke hoektoren van het laat-Romeinse castrum opgegraven. Een van de mooie vondsten op het Mabro-terrein was een stuk van een Jupiterzuil, namelijk een fragmentarische viergodensteen met de voorstelling van de godin Juno, als spolium hergebruikt in een vroegmiddeleeuwse muur. Bij deze opgraving werden tevens belangrijke Merovingische nederzettingsvondsten gedaan. Deze en andere opgravingen (Hondstraat, Lantaarnstraat, Derlon) toonden aan dat dit gebied op de noordoever van de Jeker ook na de Romeinse bewoningsfase intensief bewoond bleef.Panhuysen (1984), pp. 70-73.
Aansluitend op deze opgraving werd in 1982 aan de Houtmaas, aan de op de Maasoever gelegen oostzijde van het Stokstraatkwartier, een muurtoren van het castrum gevonden, waarmee nu ook de oostelijke begrenzing van de laat-Romeinse versterking bekend was. Panhuysen liet een zevental dikke eiken heipalen vanonder de aansluitende muurdelen dendrochronologisch dateren bij het Rheinisches Landesmuseum Trier (dr. E. Hollstein & dr. M. Neyses). Hier bleek dat de verwerkte eiken waarschijnlijk waren gekapt in het voorjaar van 333 na Chr.Panhuysen (1996), pp. 57-58 noot 204. Dit castrum uit de laatste regeringsperiode van Constantijn de Grote besloeg ongeveer een rechthoek van 170 × 90 meter met 1,5 meter dikke muren, twee massieve poorten en tien torens. Deze en andere opgravingen maakten tevens duidelijk, dat de laat-Romeinse versterking pas heel laat in de Karolingische periode, in de tiende eeuw, is opgegeven, nadat de resterende muren geheel verzonken waren in de ophogingen van de bewoning. Op sommige plekken zijn de opgaande muren tot wel twee meter hoog in de bodemlagen bewaard gebleven.Panhuysen (1984), pp. 53-66.