David Charles Stove (15 september 1927 - 2 juni 1994) was een Australische filosoof. Zijn werk in de wetenschapsfilosofie omvatte kritieken van het inductieve scepticisme van David Hume, en van wat hij beschouwde als het irrationalisme van Karl Popper, Thomas Kuhn, Imre Lakatos en Paul Feyerabend. Hij bood een positief antwoord op het probleem van inductie in The Rationality of Induction, een werk uit 1986. Stove was ook een criticus van het idealisme en de sociobiologie, en hij omschreef het laatste als een nieuwe religie waarin genen de rol spelen van goden.The Royal Institute of Philosophy

Leven David Stove werd geboren in Morée (een klein plattelandsstadje in het noorden van New South Wales), en was het jongste kind van vijf. Zijn ouders waren Robert Stove, een onderwijzer (overleden in 1971), en Ida Stove, née Hill (overleden in 1946). Later woonde David (met zijn gezin) in Newcastle, New South Wales, totdat hij naar het zuiden vertrok om van 1945 tot 1948 filosofie te studeren aan de Universiteit van Sydney. Tijdens zijn jeugd associeerde hij zich met het Presbyterianisme, maar in zijn tienerjaren werd hij atheïst. Hij zou echter een levenslange interesse in patristische theologie behouden.

Aan de universiteit kwam Stove, zoals veel intellectuelen uit Sydney van zijn generatie, onder de invloed van de realistische professor John Anderson. Vroeg in zijn carrière maakte de student Stove deel uit van een bohemiengroep aan de Universiteit van Sydney (waarvan sommigen later deel uitmaakten van de “Sydney Push”) en hij flirtte met het marxisme. In “A Farewell to Arts”, gepubliceerd in het tijdschrift Quadrant (mei 1986), stelt hij dat hij het Marxisme had verlaten toen hij ontdekte “wat echt intellectueel werk was”. Hij werd uiteindelijk een politieke conservatief, en botste later met enkele van zijn vroegere kameraden.

In 1952 kreeg hij een docentschap aan de universiteit van New South Wales (in de voorstad van Sydney Kensington) en in 1960 werd hij docent aan de Universiteit van Sydney, waar hij uiteindelijk universitair hoofddocent werd. Tijdens de jaren 70 werd zijn afdeling berucht om de gevechten tussen marxisten en conservatieven die er plaatsvonden; deze strijd werd door de nationale pers verslagen. Zowel Stove als David Malet Armstrong verzetten zich tegen wat zij beschouwden als pogingen van Marxisten om de afdeling over te nemen, en het resultaat was dat het departement moest worden opgesplitst in twee nieuwe afdelingen. Stove sprak (met name in het tijdschrift Quadrant) over wat hij aanvoelde als misbruiken door marxisten en feministen aan de universiteit, en hij werd gewaarschuwd dat een tuchtprocedure ingesteld zou worden indien hij niet stilhield. Voormalig senator en minister Susan Ryan sprak in het federale parlement tegen hem uit. Hij ging met vervroegd pensioen in 1987.

Stove verhuisde vanuit het centrum naar de rand van het Sydneybekken, nabij Mulgoa. Hij wijdde zich aan tuinieren en het behoud van de woestijn, hoewel hij soms kritisch stond tegenover milieuactivisten. Zijn andere grote liefdes waren Händel, Purcell, oude boeken, en cricket.

In 1959 was hij getrouwd met Jessie Leahy (1926-2001), die in Queensland had gewoond voordat ze als patholoog begon te werken, en die net als hij een atheïst was uit een presbyteriaanse achtergrond. Het echtpaar kreeg twee kinderen, Robert en Judith.

David Stove was zijn hele leven een fervent roker en kreeg in 1993 slopende slokdarmkanker. Zijn vrouw kreeg, ook in 1993, een zware beroerte (hoewel ze hem zeven jaar overleefde). Na een pijnlijke worsteling met de ziekte pleegde hij op 2 juni 1994 zelfmoord, op de leeftijd van 66 jaar.Against the Idols of the Age (David Stove, red. Roger Kimball), Transaction Publishers, New Brunswick, USA, 1999; . p. x of Roger Kimball's prefatory essay.

Reputatie Stove is het bekendst voor zijn vernietigende aanvallen, vooral op het Popperiaanse falsifieerbaarheid, het marxisme, het feminisme en het postmodernisme. Sommigen beschouwen hem als een geestige verdediger van het gezond verstand, die het inductieve scepticisme versloeg. Anderen echter verwerpen zijn argumenten voor inductie en zijn kritiek op de filosofieën van zijn tijdgenoten Karl Popper, Thomas Kuhn, Imre Lakatos en Paul Feyerabend. Sommige tegenstanders hebben geprobeerd om Stove te schilderen als een reactionaire controversialist.

Stove schreef ook artikelen voor niet – filosofische tijdschriften over een verscheidenheid aan onderwerpen. Hij raakte in de vroege jaren 2000 bekend in Noord-Amerika als kunstcriticus, en conservatieve pundit Roger Kimball publiceerde een verzameling van zijn essays. Sinds zijn dood in 1994 zijn vier collecties van zijn geschriften gepubliceerd.

Wetenschapsfilosofie, inductie en waarschijnlijkheid Stove's uitgangspunt in de wetenschapsfilosofie was het Humeaanse argument voor inductief scepticisme. Stove was een groot bewonderaar van David Hume, maar dacht dat dit argument (waarvan sommige hedendaagse Hume-kenners aarzelen om het aan Hume toe te schrijven) niet alleen misleidend, maar ook schadelijk in zijn uitwerking was, en een van de oorzaken (maar niet de enige) van de “moderne nervositeit” vormde. Stove beschouwde het als zijn belangrijkste taak om het inductieve scepticisme van Hume weerleggen. Deze taak had twee aspecten. Het eerste was negatief - aantonen dat Hume's argument vals was. Het tweede was positief - een rechtvaardiging voor inductie te bieden.

Het argument van Stove voor de negatieve taak luidde als volgt. Beschouw een bewering zoals “Alle raven zijn zwart”. Hume stelde dat we dit niet a priori weten en dat het niet kan worden afgeleid uit noodzakelijke waarheden. Evenmin kan het worden afgeleid uit de waarneming van raven. We kunnen alleen maar iets afleiden uit deze waarnemingen als we een uitgangspunt toevoegen dat zegt dat het waargenomen gelijk is aan het niet-waargenomen. Maar we hebben geen a priori rechtvaardiging voor dit uitgangspunt, en elke poging om het op empirische manier af te leiden zou een cirkelredenering worden. Dus Hume concludeerde dat inductie niet gerechtvaardigd is.

Stove betoogde dat Hume “deductivisme” veronderstelde (Stove's bekendste uitdrukking van dit punt was in een stuk getiteld “Hume, Probability and Induction”). Dit is de mening, expliciet of impliciet door veel moderne filosofen aanvaard, dat de enige geldige en goede argumenten degene zijn die de conclusies van de argumenten in zich dragen. Maar als we accepteren dat premissen in mindere of meerdere mate een conclusie kunnen ondersteunen, zonder die in zich te dragen, dan hebben we er geen behoefte aan een premisse toe te voegen die zegt dat het niet-waargenoten hetzelfde is als het waargenomen – de premissen van de observatie kunnen zelf genoeg degelijke steun bieden voor de conclusie, en het waarschijnlijk maken dat die conclusie waar is. Stove betoogde dat uit niets in Hume's argument blijkt dat dit niet het geval kan zijn, en daarom kan het niet kloppen tenzij men deductivisme kan verdedigen. Stove was niet de eerste om dit argument in te voeren, maar het was voor hem nog nooit zo goed gearticuleerd geweest. Sinds Stove zijn argument naar voren bracht hebben sommige filosofen aanvaard dat het Hume's argument verslaat.

De positieve taak werd door Stove ondernomen in “Probability and Hume's Inductive Scepticism” (1973) en later in de “The Rationality of Induction” (1986). Het belangrijkste positieve argument van Stove voor inductie werd gepresenteerd in het tweede boek en was gebaseerd op een betoog van een van de helden van Stove, wijlen Donald Cary Williams, (voorheen hoogleraar aan Harvard-universiteit) in zijn boek “The Ground of Induction”. Stove betoogde dat het een statistische waarheid is dat de grote meerderheid van de mogelijke deelverzamelingen van een gegeven formaat (zolang deze omvang niet te klein is) vergelijkbaar zijn met de grotere bevolking waartoe ze behoren. Bijvoorbeeld, de meeste deelverzamelingen van 3000 Raven die men kan vormen van de ravenpopulatie zijn vergelijkbaar met de bevolking zelf (en het maakt niet uit hoe groot de populatie is, zolang ze niet oneindig is). Bijgevolg betoogt Stove dat als men over zo'n deelverzameling beschikt, de kans groot is dat deze subgroep vergelijkbaar is met de bevolking, en dat men dus rechtvaardiging heeft te concluderen dat het waarschijnlijk is dat deze subgroep redelijk nauwkeurig overeenkomt met de bevolking. De situatie zou analoog zijn aan het tekenen van een bal uit een vat van ballen waarvan 99% rood is. In dat geval heeft men 99 % kans op het kiezen van een rode bal. Ook wanneer het om een monster van raven gaat is de kans zeer groot dat het monster overeenkomstig of “representatief” is. Dus zolang je geen enkele reden hebt om te denken dat je steekproef niet representatief is, ben je gerechtvaardigd te denken dat die waarschijnlijk (maar niet zeker) representatief is.

Stove werkte ook aan falsifieerbaarheid, de ravenparadox, de paradox van Goodman en inductieve logica.

Polemieken tegen Popper en andere “irrationalisten” Stove werd in de bredere intellectuele gemeenschap het bekendst voor zijn aanvallen op Popper en diens falsificationistische wetenschapsfilosofie, en op de invloedrijke filosofieën van Thomas Kuhn en Paul Feyerabend. Zijn boek Popper and After: Four Modern Irrationalists (1982) is in de afgelopen jaren in twee nieuwe edities herdrukt geweest (onder de titels Scientific Irrationalism: Origins of a Postmodern Cult en Anything Goes: Origins of the Cult of Scientific Irrationalism) . Daarin beweerde Stove dat hij de methoden waarmee Popper, Kuhn, Lakatos en Feyerabend erin slaagden om hun ogenschijnlijk onhoudbare filosofieën respectabel te doen lijken, had blootgelegd.

Een van die methodes, beweerde Stove, was het “neutraliseren van succeswoorden”. Stove betoogde dat in de filosofieën van deze auteurs zaken als vooruitgang, ontdekking, bewijs en kennis niet bestaan, en dat indien zij deze opvatting openlijk verdedigd en consequent gehandhaafd hadden, niemand zulke filosofieën ooit serieus genomen zou hebben. Stove opperde dat deze auteurs het probleem oplosten door deze succeswoorden weliswaar te gebruiken, maar ze steeds tussen aanhalingstekens te plaatsen, bijvoorbeeld “kennis”. Het feit dat deze woorden regelmatig gebruikt werden, zelfs tussen angstaanjagende aanhalingstekens, gaf de indruk dat de opinie die naar voren werd gebracht, deze begrippen niet echt verwierp.

Een andere methode die Stove toeschreef aan Popper, Kuhn, Lakatos en Feyerabend was wat hij noemde het “saboteren van logische uitdrukkingen”. Dit was de praktijk waarbij logische stellingen van hun logische kracht beroofd werden door ze in epistemische context te plaatsen, bijvoorbeeld: in plaats van te zeggen “P is een bewijs voor Q” zou men dan zeggen: “Het wordt algemeen door wetenschappers aangenomen dat P een bewijs is voor Q”. Dit levert wat Stove een “spook van een logische verklaring” noemt op : het geeft de indruk dat er ernstige logische stellingen worden gedaan wanneer dat niet het geval is – het enige wat gemaakt wordt zijn sociologische of historische aanspraken die immuun zijn voor kritiek op logische gronden.

Stove beschuldigde Popper ervan een enfant terrible te spelen, en beweerde dat zijn werk werd ingegeven door lichtzinnigheid - het niet serieus nemen van de waarheid over de onderwerpen die ter discussie stonden. Dat Feyerabend schuldig is aan deze zonde is zelfs duidelijk voor zijn aanhangers (en evenmin ontkende hij het zelf) - maar de aanklacht tegen de schijnbaar uiterst serieuze Popper lijkt op het eerste gezicht verrassend. Stove was niettemin van oordeel dat Popper een product van de “jazz age” was, waar, in de woorden van Cole Porter, “Day's Night today”, en vice versa - alleen speelde Popper's “jazz age” zich af in de intellectuele wereld in plaats van op bohemienfeestjes.

De geschriften van Kuhn daarentegen zijn vrij van lichtzinnigheid. Stove zei dat dit komt omdat Kuhn