thumb|260px|Zicht op Hoogmade over de Does; links de Piestpolders De Piestpolders liggen ten zuidwesten van Hoogmade in de gemeente Kaag en Braassem (provincie Zuid-Holland).Het zijn feitelijk drie poldereilandjes op een rij, gelegen aan de Does. Zij vormden een zelfstandig waterschap tot 1978. Momenteel vallen ze onder de waterstaatkundige verantwoordelijkheid van het Hoogheemraadschap van Rijnland.
Beschrijving De Piestpolder bestaat uit drie op een rij gelegen eilandjes, die gezamenlijk de vorm van een spits trapezium hebben waarvan de 'punt' naar het centrum van Hoogmade wijst. De eilandjes worden wel -van groot naar klein- "Grote Piest", "Midden-Piest" en de "Kleine Piest" genoemd. De Kleine Piest wordt ook wel "TeelPiest" of "Tuinders-Piest" genoemd.Zie: "Meer over molens en polders", door H. Zwetsloot (bewoner van het huis in de Midden-Piest), in: De Jacobsladder, kwartaaluitgave van de Historische Vereniging "Otto Cornelis van Hemessen", 27e jaargang nr. 4, oktober, november, december 2007, blz. 6. Zie: https://www.yumpu.com/nl/document/view/13884327/2007-nr-4-historische-vereniging-otto-cornelis-van-hemessen De polders worden in het zuiden begrensd door de Does, in het noorden door de Voorwetering en in het westen (aan de 'basis' van het trapezium) door de Zuidzijdervaart. Hoewel de poldertjes tegen de dorpskern van Hoogmade aanliggen hebben ze in bestuurlijke zin nooit tot Hoogmade behoord maar tot Woubrugge. Sinds de 13e eeuw zijn Hoogmade en Woubrugge namelijk aparte heerlijkheden geweestZie de zgn. MIP gemeentebeschrijving van Hoogmade en Woubrugge op http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/documenten/MIPrapporten/gemeentebeschrijvingen/Woubrugge.pdfWoubrugge maakte toen deel uit van de Heerlijkheid Esselijckerwoude-en-Heer-Jacobswoude. Zie: Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, bijeengebragt door A.J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. Vierde Deel, E-G. 1843, blz. 261 met de Voorwetering (die in die tijd de Schey sloot heette) als grens. Ook toen begin 19e eeuw de gemeente als bestuursvorm werd ingevoerd, werden Hoogmade en Woubrugge aparte gemeenten met de Schey sloot/Voorwetering als grens. In 1855 werd Hoogmade ingelijfd in de gemeente Woubrugge en pas toen 'hoorden' de Piestpolders ook tot Hoogmade.
De Grote Piest heeft een oppervlakte van 10,4 ha; de Middenpiest van 2,1 ha en de kleine Tuinders-Piest slechts 1,0 ha. Totaal 13,5 ha."Toelichting op het Peilbesluit Hoogmadesepolder en Piestpolders". Hoogheemraadschap van Rijnland, juli 2011. rijnland.net (niet meer beschikbaar) Van het totale oppervlakte is ca. 90% grasland. Op het middelste poldertje staat één woonhuis uit 1924/25, met schuren. Beide andere poldertjes zijn onbewoond: op het grootste poldertje staan 2 loodsen; op het kleinste poldertje zijn volkstuintjes. De poldertjes liggen ongeveer anderhalve meter beneden NAP. Er staat geen molen meer. In de tabel hieronder zijn enige kerngegevens opgenomen.
Enige kerngegevens van de drie Piestpolders (met winter- en zomerpeil wordt bedoeld het waterpeil in de polders) Polder Opper- vlakte Hoogte maaiveld (NAP) Bodem- daling Winterpeil (NAP) Zomerpeil (NAP) Grondgebruik Grote Piest 10,4 ha −1,32 m 9 mm/jaar −2,12 m −2,02 m 96% grasland Midden-Piest 2,1 ha −1,60 m 9 mm/jaar −2,17 m −2,07 m 86% grasland Tuinders-Piest 1,0 ha −1,65 m 9 mm/jaar −2,17 m −2,07 m 82% gras + volkstuinen
De bodem in de twee kleinste poldertjes bestaat voor het overgrote deel uit weideveengrond. De bodem in de westelijke Grote Piest bestaat grotendeels uit liedeerdgronden (een kleiige bovengrond van circa 30 cm op een ondergrond van zware klei (30 cm) op bosveen of eutroof broekveen). De Grote Piest ligt hoger dan de twee andere poldertjes. In alle poldertjes is sprake van een vrij sterke bodemdaling door inklinking.
In de structuurvisie van de provincie Zuid-Holland (vastgesteld in 2010 en geldig tot 2020 met een doorkijk naar 2040) hebben de Piestpolders de functie "agrarisch landschap" gekregen met de kwaliteit "veenweidelandschap". Een groot deel van de Piestpolders behoort tot een “topgebied” voor het culturele erfgoed. De Piestpolders liggen in het plangebied van het 'Landschapsontwikkelingsplan Rijn- en Vechtstreek'. Op de cultuurhistorische waardekaart van de provincie Zuid-Holland zijn de randen van de Piestpolders aangemerkt als historisch landschappelijke lijnen met een hoge waarde.
thumb|260px|Grenskaart van de Piestpolders, behorende bij het bijzonder reglement voor deze polders, 1859 thumb|260px|Voorwetering en Van Klaverwijdeweg, met links de kade van de zgn. "Tuinders-Piest" thumb|260px|Volkstuintjes in het kleinste Piestpoldertje Geschiedenis Prehistorie: In de Grote Piest bevindt zich een gebiedje dat gekenmerkt wordt als geulafzetting/stroomgordel (een restant van een voormalige rivier of geul). Deze stroomgordel is op deze luchtfoto goed te zien. Zulke gordels werden wel bewoond vanaf de Bronstijd, IJzertijd of Romeinse tijd en hebben vaak een grote kans op archeologische sporen. Ontstaansgeschiedenis van de poldertjes: Hierover bestaan een aantal gegevens, die evenwel geen compleet beeld verschaffen. Vrij zeker lijkt dat de drie poldertjes onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan tussen 1593 en 1677. In dat laatste jaar werden ze samengevoegd tot één polder (één bemalingseenheid). Een overzicht: Het eerste poldertje werd gesticht in 1593.Ludy Giebels en Chris Streefkerk, Waterschapsarchieven Database (WAD), webversie 2007, zie: http://www.jvdn.nl/Downloads/WG/0000/WAD.pdf Dat voorjaar vroeg de Hoogmadese timmerman Rippert Jansz. Bos aan het Hoogheemraadschap of hij op een stuk land, genaamd de Piest, een windwatermolentje mocht zetten. Toen zowel het Hoogheemraadschap als de bevolking daarmee akkoord gingen, kreeg Bos op 2 april 1593 toestemming: "Rippert Jansz. Bos, thimmerman wonende op Hogemade is bij Dijcgrave en Hogeheemraden van Rijnland geconsenteert dat hij op een stuck lants gen. de Piest leggende in Jacobswoude een wintwatermolentgen sal mogen doen stellen om 't selven lant alsoo drooch gemalen en des te bequamer gebruijct te mogen worden. Ende dit geduyrende tot wederzeggen. Desen 2den Aprillis 1593".Zie: G.B.H. Uijttenhout, "Uit de geschiedenis van de Piestpolder". In: De Jacobs-Ladder, Orgaan van de Historische Vereniging "Otto Cornelis van Hemessen", 4e jaargang nr. 2, maart 1984, blz. 17. (Niet digitaal beschikbaar) In 1626 wilden Jan Cornelisz Ouwelant uit Hoogmade en Jan Fransz uit Leiderdorp 4 morgen land (ca. 3,5 ha), genaamd de Piest, bepolderen (dus méér dan alleen maar een molentje plaatsen). Wederom had noch het Hoogheemraadschap, noch de bevolking een bezwaar en werd op 29 juni 1626 toestemming gegeven. Het molentje kwam langs de Does. Uit geen van beide gevallen blijkt om welk van de drie eilandjes het ging. Eerst in 1677 wordt voor het eerst van drie poldertjes gesproken met een gezamenlijk oppervlakte van 19 morgen (ca. 16 ha) en vier ingelanden: Huijbert Jacobsz. van der Does, Adriaen Pietersz Doeswijck, Willem Jacobsz. Heugelenburg en Neeltgen Engelsdr. Zij willen de drie poldertjes samenvoegen tot één polder met één molen, onder meer omdat het onderhoud van drie molentjes op zo weinig land tot "onverdraegelick sware oncosten" leidt. Tussen de poldertjes komen dan twee duikers; het molentje komt op de meest westelijke (grootste) polder. Het hoogheemraadschap verleent toestemming voor de samenvoeging, als volgt: "In manieren hier naer verclaert is, bij de personen hier ondergeteyckent, alle ingelanden tusschen de Does ende de Vrije Grontheerlicheit van Hoochmade en tusschen den Hoorenwijck (nu de Zuidzijdervaart genoemd) ende Claes Joppen van Leeuwen,Bedoeld wordt hier de grens van het terrein van Claes Joppen van Leeuwen, een lokale groothandelaar in bier in die tijd. in den Ambachte van Jacobswoude geresolveert en geaccordeert omme de landen aldaar gelegen onder een corpus te brengen, offe van een molen bemaelen te werden, en dat op de navolgende conditiën." Die conditiën betroffen 17 voorwaarden in een polderreglement. Daarin werden zaken geregeld als de hoogte van de kaden, het beheer van de duikers, de eisen aan de molenaar en de bemaling, de momenten waarop de sloten geschouwd moesten worden, voorschriften voor het baggeren, het opleggen van boetes etc.Zie "De Piestpolder en het molentje" door Rie Kammeraat, in: De Jacobsladder, kwartaaluitgave van de Historische Vereniging "Otto Cornelis van Hemessen", 28e jaargang nr. 1, januari, februari, maart 2008, blz. 8 ev. Zie: https://www.yumpu.com/nl/document/view/20044495/piestpolder-historische-vereniging-otto-cornelis-van-hemessen In dit artikel geeft Kammeraat een uitgebreide beschrijving van de plaatsing van het eerste molentje in 1593; de stichting van een nieuw poldertje in 1626; de verplaatsing van de molen in 1656 en de samenvoeging van de drie poldertjes in 1677, met vermelding van vele namen van betrokken landeigenaren, ingelanden, omwonenden en anderen. Maar er blijkt niet goed uit in welk van de drie poldertjes in 1593 dit eerste molentje kwam; of wélk van de drie poldertjes in 1626 werd gesticht. Daarvoor waren de bronnen kennelijk te summier of was het tijdsverloop tussen twee opeenvolgende archiefstukken te groot om de volgorde van opeenvolgende landeigenaren of ingelanden in beeld te kunnen brengen. Interessant in het artikel is voorts het uitgebreide overzicht van de 17 voorwaarden die het Hoogheemraadschap verbond aan de samenvoeging van de drie kleine poldertjes tot één polder.
Waterbeheer Bemaling: De drie poldereilandjes waren via twee duikers met elkaar verbonden en de bemaling geschiedde door een kleine vijzelmolen van het type grondzeiler. Deze stond aan de zuidrand van het grootste, meest westelijke eilandje. Het water werd uitgeslagen op de Does. Beide duikers dateren van vóór 1900; het waren grote houten buizen van zeker 20 meter lang, onder de kades en het boezemwater door, op ongeveer 1 meter diepte en afgedekt met klei als bescherming tegen lekken en schade door schepen. In okt. 1925 werd een besluit genomen de polders op het elektriciteitsnet aan te sluiten, zodat de bemaling kon worden overgenomen door pompen."Uit de Omgeving. Woubrugge. Gemeenteraad." Nieuwe Leidsche Courant, vrijdag 16 oktober 1925, blz. 2. Zie: http://leiden.courant.nu/issue/NLC/1925-10-16/edition/0/page/2 De molen werd daarop in 1927 gesloopt. Volgens een beschrijving uit 1949 werd de bemaling echter al snel opnieuw aan een molen toevertrouwd, ditmaal de Hoogmadese molen die op meer dan een kilometer afstand in de Hoogmadesche Polder staat. Daarbij werden wederom duikers gebruikt. De eerste duiker loosde het water van het eerste (grootste) poldertje naar het tweede poldertje; het tweede poldertje liet het water aflopen naar het derde (kleinste) poldertje en vandaar stroomde het onder de Van Klaverweijdeweg door naar de dieper gelegen Hoogmadesche polder, vanwaar het werd weggepompt. In de huidige situatie zijn de twee duikers tussen de drie poldertjes afgesloten en loost elk poldertje via een stuw en een grondduiker onder de Voorwetering zijn overtollige water op de Hoogmadesche Polder. Van daaruit wordt het door een vijzelgemaal gesitueerd in de Hoogmadese molen uitgeslagen op de boezem (Noord Aa). Elk poldertje is dus nu een apart peilvak en heeft dus een individueel door het Hoogheemraadschap bepaald waterpeil. Om die reden lijkt het eigenlijk juister te spreken van Piestpolders (meervoud) dan van Piestpolder. De twee kleinste poldertjes hebben een zomerpeil van 2,07 m beneden NAP en een winterpeil van 2,17 m beneden NAP. Bij het grootste poldertje is dit 2,02 resp. 2,12 m beneden NAP. Bij een boezempeil in de Does van gemiddeld 0,60 m beneden NAP ligt het waterpeil in de poldertjes dus ca. 1,5 m lager dan dat van de Does.