De vedische tijd is de periode in de geschiedenis van Zuid-Azië waarin de Veda's ontstonden. De Veda's werden aanvankelijk mondeling overgedragen door de barden en priesters van stammen die aan het begin van de vedische periode het noordwesten van het Indisch subcontinent bewoonden en vedisch Sanskriet, een Indo-Arische taal, spraken. Hun cultuur kenmerkte zich door een sterk belang van offerrituelen, een duidelijke sociale hiërarchie binnen de stam en het gebruik van het Sanskriet in riten.

De Veda's vormen zowel de belangrijkste bronnen over de Indo-Ariërs als hun grootste culturele verrichting en hebben tot op heden grote invloed op de religie en cultuur van India. Hoewel het lastig is historische feiten van mythologie te scheiden, geven de teksten een duidelijk beeld van de vedische maatschappij en ontwikkelingen. De Indo-Ariërs waren mogelijk semi-nomadische veehouders die door het bezit van paarden en strijdwagens een militair overwicht op de oorspronkelijke bevolking hadden. De Veda's geven de indruk van conflicten om vee, zowel tussen Indo-Arische stammen onderling als met anderen. In deze Samhitaperiode lag de nadruk op de deva's of goden waaraan lofverzen werden opgedragen uit de Samhita's, de oudste delen uit de Veda's. De drie doelen van het vedische leven (trivarga) waren dharma (normen), artha (rijkdom) en kama (plezier).

Rond 1000 v.Chr. vestigden de Indo-Ariërs zich in vaste nederzettingen om landbouw te bedrijven en zo vond een overgang plaats van een semi-nomadische krijgerssamenleving naar een agrarische samenleving. De focus verschoof van de Samhita's naar de Brahmana's met de brahmanistische rituele offers (yajna's) waarmee de goden in toom gehouden konden worden. Daarmee verkregen de brahmana's meer macht ten opzichte van de kshattriya's, de krijgers en heersers, overigens zonder wereldlijke macht naar zich toe te trekken. In deze periode ontwikkelde zich het Indische kastenstelsel.

De vedische cultuur verspreidde zich in deze periode verder oostwaarts over de Gangesvlakte en zuidwaarts naar Malwa en Gujarat. Met name in de Gangesvlakte ontstonden steden, waar omheen in de latere vedische periode rond 700-500 v.Chr. de eerste proto-staatjes ontstonden, de janapada's. Deze overgang van een landbouwsamenleving naar een meer stedelijke samenleving ging gepaard met sociale en religieuze veranderingen. De brahmanen konden hier maar een beperkt antwoord op vinden. Zo ontstond een mystieke tegenbeweging van wereldverzaking op zoek naar het innerlijk en de verlossing van deze cyclus. Dat betekende overigens niet dat er sprake was van een volledige overgang. Buiten de stedelijke gebieden waar de nieuwe onzekerheden geen rol speelden, bleef er behoefte aan de oude vormen. Dit kon spanningen veroorzaken tussen de stedelijke elite en de landelijke bevolking. Zo ontstonden de meer filosofisch getinte Upanishads. Vanaf deze tijd waren samsara, karma en moksa centrale begrippen in de Indische filosofie en religie. De uitbreiding van de doelen van het leven met moksa maakte van de trivarga de caturvarga of purusartha. Bestudering van de Veda's leidde tot het ontstaan van de Indische filosofie en de antieke Indische wetenschap.

Gedurende de klassieke periode groeide de kritiek tegen de geheime rituelen met de offers en werden de Veda's verworpen door sceptische, maar vooral materialistische bewegingen. Dit werden de nee-zeggers of nastika's, charvaka, het boeddhisme en het jaïnisme. Dit alles had een brahmanistische tegenreactie tot gevolg waarbij de kritiek van de nastika's gepareerd werd door de astika's, de zes darsana's, nyaya, vaisheshika, samkhya, yoga, mimamsa en vedanta, waarmee dit een rijke filosofische periode was.

Inleiding Bevolkingssamenstelling + Een superieur ras? Moreel berustte de Britse koloniale heerschappij over India onder meer op de gedachte dat de Britten superieur in cultuur, techniek en beschaving waren. Dat India al zeer vroeg diepgaande beschaving, wetenschap en filosofie bezat, was daarom enigszins verontrustend en ondergroef de legitimiteit van het Britse gezag. De idee dat de beschaving vanuit het westen naar India was gebracht stelde gerust en werd dus snel omarmd. Paradoxaal genoeg konden de vroege Indiase nationalisten zich ook in het beeld van een superieure Arische cultuur vinden, omdat het de anciënniteit en grote waarde van de Indiase beschaving bevestigde. (2010) Sommige inheemse historici gingen zelfs zover te stellen dat de Ariërs geen migranten waren, maar een inheemse Indiase groep moesten zijn geweest.; (2004)

De illusie van een Arisch superras raakte in diskrediet door de propaganda van de nazi's in de jaren 1930 en de catastrofale politieke gebeurtenissen die volgden. Bovendien werden tijdens het Interbellum de ruïnes van de Harappabeschaving opgegraven; een cultuur die ouder en geavanceerder leek dan die van de vedische periode. De periode raakte vanwege de associatie met de nazi's en racisme taboe, zodat er relatief weinig onderzoek naar werd verricht in de tweede helft van de 20e eeuw.

De bevolkingssamenstelling van India is een controversieel onderwerp. Allereerst beïnvloedde koloniaal racisme de geschiedschrijving door westerse wetenschappers die uitgingen van de westerse superioriteit en uiteindelijk werd het onderwerp zelfs gekaapt door het nationaalsocialisme. Het heeft ook een politieke dimensie in India onder invloed van het hindoenationalisme die uitgaat van inheemse Ariërs, de out-of-India-theorie.

De samenstellers van de Rigveda noemden zichzelf arya, wat op verwantschap duidt, maar ook een culturele en religieuze betekenis heeft en wel als nobele of edele is vertaald. Nadat westerse wetenschappers aan het einde van de achttiende eeuw het Sanskriet ontdekten, werd deze taal naar arya als Indo-Arische taal benoemd en de sprekers als Indo-Ariërs. Het begon dus als taalkundige term, maar zou dat niet blijven.

De overeenkomsten tussen Sanskriet en Europese talen werden onderzocht met de vergelijkende methode waarmee duidelijk werd dat er een overkoepelende taalfamilie was, het Indo-Europees. Gedacht werd dat deze talen een oorspronkelijke moedertaal hadden, wat het Proto-Indo-Europees (PIE) moest zijn. Gedacht werd dat er dan een gebied moest zijn waar dit PIE was ontstaan. Deze Urheimat, het Proto-Indo-Europees thuisland, werd aanvankelijk mede op basis van de Veda's gezocht in India en op basis van de Vendidad in Iran. Al snel volgden tientallen hypotheses die het thuisland in verschillende gebieden in Azië en Europa zochten.

Hoewel het een prehistorisch onderwerp was, duurde het een eeuw voordat ook de archeologie betrokken werd bij de zoektocht naar het thuisland van PIE. Karl Penka kwam in 1883 tot de Scandinavische hypothese. (1883): Origines Ariacae. Linguistisch-ethnologische Untersuchungen zur ältesten Geschichte der arischen Völker und Sprachen, Prochaska Het gebruik van archeologie maakte niet dat het zoekgebied kleiner werd en zo waren anderhalve eeuw na het begin van de zoektocht Zuid-India, Centraal-India, Noord-India, Tibet, Bactrië, Iran, de Aralzee, de Kaspische Zee, de Zwarte Zee, Litouwen, de Kaukasus, de Oeral, het Wolgagebergte, Zuid-Rusland, de steppen van Centraal-Azië, Klein-Azië, Anatolië, Scandinavië, Finland, Zweden, de Oostzee, West-Europa, Noord-Europa, Centraal-Europa, Oost-Europa en zelfs de Noordpool genoemd als het thuisland van de Indo-Ariërs. (2001): The Quest for the Origins of Vedic Culture. The Indo-Aryan Migration Debate, Oxford University Press

Tegelijkertijd werd in toenemende mate taal verbonden aan ras. Lazarus Geiger zag in 1878 Duitsland als het thuisland en stelde dat Indo-Europeanen blonde haren en blauwe ogen hadden. (1878): Zur Entwicklungsgeschichte der Menschheit, Berlag Het idee van een Arisch ras kreeg daarna ruime navolging en werd zelfs een belangrijk onderdeel van het nationaalsocialisme. Het zou tot de Tweede Wereldoorlog duren voordat deze rassentheorie in diskrediet raakte. De zoektocht naar een vermeend Arisch ras heeft echter niets opgeleverd.

Met de ontdekking van de Indusbeschaving in de jaren 1920 zag Mortimer Wheeler die migratie als een invasie waarbij de Indo-Ariërs een einde maakten aan de Indusbeschaving. In 1963 kwam Marija Gimbutas op basis van linguïstische paleontologie, etnologie, mythologie en archeologie tot de Koerganhypothese, ook wel steppetheorie. (1963): 'The Indo-Europeans: Archaeological Problems' in American Anthropologist, Volume 65, Issue 4, p. 815–836 Deze situeerde het thuisland in de Pontisch Steppe en zag de Indo-Ariërs als nomadische pastoralisten die door militaire invasies andere gebieden veroverden. Er bleken echter nauwelijks aanwijzingen voor een gewelddadige invasie die de Indusbeschaving ten einde zou kunnen hebben gebracht.

Nieuwe disciplines als archeogenetica en populatiegenetica maakten het mogelijk om migraties op een andere manier te bestuderen. Dit geeft echter ook wisselende uitkomsten. Een deel van de studies onderschrijft de mogelijkheid van een Indo-Arische migratie, een ander deel spreekt deze tegen. Onderzoek op basis van mitochondriaal DNA (mtDNA) heeft geen aanwijzingen gevonden voor een Indo-Arische migratie die rond 1500 v.Chr. zou hebben plaatsgevonden.; (2018): Ancestral DNA, Human Origins, and Migrations, Academic Press, p. 207-255 Door echter de mtDNA-data uit de vrouwelijke lijn te combineren met data van het Y-chromosomaal DNA uit de mannelijke lijn, blijken er wel aanwijzingen te zijn voor migratie vanuit Centraal-Azië, waarschijnlijk in meerdere golven. Hierbij was een duidelijk geslachtsverschil, het waren vooral mannen die migreerden. Het beeld dat hieruit naar voren komt, is niet een eenvoudig model waarbij een migratie aan het begin van het Neolithicum de landbouw bracht, millennia later gevolgd door Indo-Ariërs, maar complexe migraties sinds het Laatste Glaciale Maximum uit het noordwesten en recentere kleinere migraties uit het oosten.; ; ; ; ; ; ; ; ; ; ; ; ; ; ; (2017): 'A genetic chronology for the Indian Subcontinent points to heavily sex-biased dispersals' in BMC Evolutionary Biology, Volume 17

Er is bij de vedische bevolking enige invloed gevonden van de Jamnacultuur. Leden van deze cultuur zouden eerst richting Oost-Europa zijn getrokken waarna een deel in het tweede millennium v.Chr. in het noorden van India terechtkwam, waarschijnlijk via Centraal-Azië. Deze steppe-invloed is beperkt tot de Ancestral North Indians (ANI), bij de Ancestral South Indians (ASI) is deze verwaarloosbaar. Er is ook vooral sprake van mannelijke invloed die sterk vertegenwoordigd is bij de Brahmin en Bhumihar.; ; et al. (2019): 'The formation of human populations in South and Central Asia' in Science, Volume 365, Issue 6457 Nieuwkomers die een numerieke minderheid vormen, kunnen een taalverandering of zelfs taalvervanging in gang zetten met de oorspronkelijke bewoners zonder dat de materiële cultuur veel verandert, zodat veranderingen vrijwel niet aanwezig zijn in de teruggevonden archeologische cultuur. (1988): 'Language change and the material correlates of language and ethnic shift' in Antiquity, Volume 62, Issue 236, p. 564-574 (2005): 'Indocentrism' in ; (eds.) The Indo-Aryan Controversy. Evidence and inference in Indian history, Routledge

Chronologie