thumb|Orakelbotten uit de Shang-dynastie De prehistorie in China begint volgens de gangbare betekenis van het begrip prehistorie met de eerste menselijke bewoning en duurt tot het moment dat schriftelijke bronnen uit die tijd beschikbaar zijn.
Het begrip 'Chinese prehistorie' Vloeiende periodebegrenzing De gangbare betekenis van het begrip prehistorie leidt voor China tot een vloeiende periodebegrenzing. De oudste Chinese schriftelijke bronnen dateren van de 13e eeuw v.Chr. Zij bestrijken slechts het laatste gedeelte van de periode die traditioneel geldt voor de Shang-dynastie en zijn geografisch beperkt tot Yinxu, het gebied rond het huidige Anyang. Dat was het religieuze en mogelijk ook politieke centrum van de laatste drie eeuwen van de Shang-dynastie. De inhoud van de gevonden schriftelijke bronnen is beperkt tot korte mededelingen op bronzen vaten en op orakelbotten in de vorm van schouderbladen van runderen en buikschilden van zoetwaterschildpadden. Nog steeds zijn niet alle karakters ontcijferd. Dit geldt met name voor geografische benamingen of namen van stammen en volkeren. Zo blijft men, ondanks de vondst van schriftelijke bronnen, ook voor de periode na 1300 v.Chr., afhankelijk van archeologisch onderzoek. Dit geldt zeker voor die gebieden waar geen schriftelijke bronnen zijn gevonden, maar blijft door de aard van de schriftelijke bronnen ook gelden voor Yinxu zelf. Alleen zo kan een historisch beeld worden opgebouwd dat niet wordt beïnvloed door de kijk op de geschiedenis uit de tientallen eeuwen later samengestelde historische bronnen. Deze situatie loopt door tot ongeveer 200 v.Chr. Pas vanaf dat moment kunnen contemporaine schriftelijke bronnen en archeologische vondsten met zekerheid aan elkaar worden gekoppeld.
Wisselwerking tussen archeologie en traditie Er bestaat een wisselwerking tussen (Chinese) archeologie en de Chinese historische traditie. Hoewel er geen schriftelijke bronnen uit de tijd voor 1300 v.Chr. beschikbaar zijn, werd er in China wel voortdurend over de betreffende periode geschreven. Tijdens de late Zhoutijd en onder de Handynastie werden die werken gecodificeerd. Zo ontstonden historische werken over de oudste geschiedenis die bestonden uit overgeleverde gebeurtenissen (die al dan niet werkelijk hadden plaatsgevonden) en causaal met elkaar verbonden werden. Die historische werken werden voortdurend van commentaar voorzien, zodat ze konden blijven dienen als voorbeeld voor functionarissen van dat moment. Zij werden zo bepalend voor het beeld dat men in China over de eigen oudste geschiedenis had.
Na de val van het Keizerrijk in 1912 raakte men binnen China verdeeld over de betrouwbaarheid van die bronnen voor de oudste Chinese geschiedenis. Onder invloed van het aan het begin van de 20e eeuw met behulp van westerse technieken begonnen archeologisch onderzoek ontstond er in China een richtingenstrijd tussen een "School van het Geloof in de Oudheid" (xingupai, 信古派) en een veel sceptischer "School van de Twijfel aan de Oudheid" (yigupai, 疑古派), begonnen door Gu Jiegang. De opgravingen van Yinxu bevestigden het bestaan van de Shang-dynastie. De overgeleverde lijst van koningen werd tot dat moment als een mythe beschouwd, zowel door westerse wetenschappers als door de groep historici rond Gu Jiegang. Wat volgde was een omslag over het denken over de Chinese tradities. Binnen China werd het 'Geloof in de Oudheid' weer sterker. Ook westerse historici sloten de mogelijkheid niet meer uit dat, net als bij de Shang, ook het bestaan van de Xia archeologisch kon worden aangetoond. Men bleef echter twijfelen aan de historiciteit van de periode van de Drie Verhevenen en de Vijf Keizers, die vooraf zou zijn gegaan aan de Xia-dynastie. Chinese historici daarentegen blijven ook wat betreft die periode uitgaan van een primaat van de traditionele schriftelijke bronnen. Zij leggen die periode uit als een geschiedenis van clanleiders en de periode van de 'tienduizend staten' (萬國, wan guo). Deze term werd in de traditionele geschiedschrijving gebruikt als omschrijving van de in (ommuurde) dorpen geordende agrarische gemeenschappen van centraal China gedurende de periode van de Vijf Oerkeizers en zou archeologisch gezien samenvallen met de Longshancultuur. Hier lagen volgens hen dan ook de wortels van de Xia-, Shang- en Zhoudynastie.
Unieke positie van de Centrale Vlakte Alle gebeurtenissen uit de mythische tijd hadden volgens de traditionele Chinese historiografie plaatsgevonden in de Centrale Vlakte, de Zhongyuan. Dit was de vallei van de Gele Rivier in noordwest Henan en zuidwest Shanxi en het dal van de Weirivier in Shaanxi. Volgens de traditionele visie had de Chinese beschaving zich vanuit dit gebied verspreid naar de andere delen van China, die tot dat moment geen noemenswaardige beschaving hadden (center-to-periphery diffusion). De ontdekking van de Yangshaocultuur rond 1920 leek dit de unieke rol van de 'Centrale Vlakte' te bevestigen. Toen begin jaren dertig de Longshancultuur in het oostelijk kustgebied van Shandong werd ontdekt, werd deze opvatting enigszins aangepast. De historicus Fu Sinian (傅斯年, 1896-1950) ontwikkelde "de hypothese van de Yi in het oosten en de Xia in het westen" (Yi Xia dongxi shuo, 夷夏東西說). Hierin werd de oudste Chinese bevolking verdeeld in twee groepen, de oostelijke (Dong)Yi groep en de westelijke Huaxia. Deze theorie werd verder uitgewerkt door Liang Siyong (梁思永, 1904-1954). De Yangshaocultuur zou zijn ontwikkeld door de westelijke Xia en de Longshancultuur door de oostelijke (Dong)Yi. Dit bleef tot in de jaren 1950 het geldende model voor de Chinese prehistorie en werd gevolgd door zowel Chinese als westerse historici.
Rond 1960 kwam uit onderzoek naar voren dat de Longshancultuur niet naast de Yangshaocultuur had bestaan, maar daaruit was voortgekomen. Toen werd door K.C. Chang, auteur van het (nog steeds) invloedrijke handboek The Archaeology of Ancient China, de "theorie van het kerngebied" (nuclear area hypothesis) ontwikkeld. De Yangshaocultuur was de oudste Chinese cultuur en was ontstaan in de Centrale Vlakte. Uit die cultuur ontwikkelde zich de Longshancultuur, die zich vervolgens naar het oostelijk kustgebied verspreidde. De 'Centrale Vlakte' behield ook binnen deze theorie haar unieke positie.
Regionale systemen en culturele categorieën Toen vanaf de jaren 1970 (vaak toevallig) steeds meer artefacten werden gevonden in gebieden buiten de 'Centrale Vlakte', bleek de unieke positie van de 'Centrale Vlakte' onhoudbaar. Zo waren veel gevonden voorwerpen ouder dan die afkomstig van de 'Centrale Vlakte'. Verder waren zij vaak kwalitatief beter of weken artistiek volledig af van de vondsten uit de Vlakte. Dit geldt bijvoorbeeld voor de jaden voorwerpen van de Hongshancultuur in het huidige Binnen-Mongolië en zeker voor de bronzen artefacten van Sanxingdui in het huidige Sichuan. In 1981 werd de theorie van het kerngebied dan ook verlaten. Toen publiceerde Su Bingqi (蘇秉琦, 1909-1997) de hypothese van de "de regionale systemen en de culturele categorieën" (quxi leixing, 區系類型). Hij onderscheidde daarbij zes regionale systemen: de 'Centrale Vlakte' (centraal Shaanxi, zuidelijk Shanxi en westelijk Henan), een noordelijke regio (het Yangebergte en het gebied rond de Chinese Muur), een oostelijke regio (Shandong), een zuidoostelijke regio (rond het Taimeer), een zuidwestelijke regio (rond het Dongtingmeer) en een zuidelijke regio (tussen het Dongtingmeer en de Parelrivier). Elke regio werd weer onderverdeeld in een aantal culturele subsystemen, de leixing. Weliswaar bleef de 'Centrale Vlakte' voor de ontwikkeling van de Chinese cultuur belangrijk, maar in de nieuwe theorie werd niet meer gesproken van een uitsluitende, eenzijdige beïnvloeding richting randgebieden. Regionale culturen hadden zich langs eigen wegen ontwikkeld, met specifiek voor die culturen geldende kenmerken. Wel bleef er sprake van beïnvloeding, maar die was wederzijds. Daarbij waren de contacten tussen de regionale culturen onderling zeker zo belangrijk als die met de Centrale Vlakte. Su Bingqi vergeleek zijn theorie in 1999 met "een met sterren bezaaide hemel" (mantian xingdou, 满天星斗). De latere Chinese beschaving was het resultaat van een voortdurende wisselwerking tussen een aantal gelijkwaardige regionale culturen. K.C. Chang bouwde hierop voort door in 1986 het begrip Chinese interaction sphere te introduceren. Volgens hem hadden de belangrijkste regionale culturen elkaar dusdanig beïnvloed dat er rond 3000 v.Chr. een culturele eenheid was ontstaan. Die eenheid vormde het begin van wat hij de Chinese cultuur noemde.
Sinocentrisme Binnen de Chinese archeologie is nog steeds een sterke vorm van sinocentrisme aanwezig. Zo blijft men culturele beïnvloeding afkomstig van buiten China zien als "niet-relevant". Met China wordt dan het gebied binnen de landsgrenzen van de Qing-dynastie bedoeld, toen China zijn grootste omvang had. Hoewel bijvoorbeeld Charles Higham aangetoond heeft dat de prehistorische culturen van Zuid-China en die van het vasteland van Zuidoost-Azië een geheel vormden, blijft men in China de neolithische en bronstijdculturen van Zuid-China nog steeds geïsoleerd bestuderen. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van de strijdwagen of voor culturen gedragen door sprekers van Indo-Europese talen in Sinkiang, het uiterste westen van het huidige China.
Voor deze nationalistische houding kunnen twee oorzaken worden aangegeven. Het was allereerst een reactie op een opvatting die tussen 16e en de eerste helft van de 20e eeuw bij veel westerse geleerden had bestaan. Zij waren van mening dat de belangrijkste elementen van de Chinese beschaving eenvoudigweg niet uit China zelf afkomstig konden zijn. Landbouw, metaalbewerking, aardewerk, astronomie of het schrift waren ontstaan in het oude Egypte, Mesopotamië of het oude India. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd dit standpunt verlaten. Dit kwam door ideologische factoren zoals de ingezette dekolonisatie, maar vooral doordat de visie zelf door feitelijke archeologische vondsten volledig werd achterhaald. De tweede oorzaak is een probleem waar de archeologie als wetenschap in veel landen mee wordt geconfronteerd. Bijna overal wordt de archeologie met staatsmiddelen gefinancierd. Omdat de archeologie veel ruimte laat voor interpretaties, kunnen er onder die staatsinvloed binnen de archeologie opvattingen ontstaan met een nationalistische ondertoon. Zo kreeg in de Volksrepubliek de archeologie impliciet opdracht de met de huidige staat verbonden cultuur te verklaren, waarbij sinds 1949 als extra randvoorwaarde het schema van het historisch materialisme gold.
Pas in de jaren 1990 ontstond voorzichtig een nuancering. Zo schreef An Zhimin (安治敏, *1924), archeoloog uit de Chinese Volksrepubliek en specialist op het terrein van de prehistorie van Sinkiang in 1993 dat kennis van het koper en brons China had bereikt via het Tarimbekken vanuit een "verder weg gelegen westen" (远西, Yuanxi, further west, zie in dit verband ook de Xemirxekcultuur). Dit was een eerste erkenning vanuit de Volksrepubliek dat elementen van de Chinese cultuur weleens afkomstig konden zijn van buiten China.
Vroege mensapen Lufengpithecus De oudste in China gevonden fossielen van hominiden stammen uit het Mioceen en zijn zeven tot acht miljoen jaar oud. Het gaat om een gedeeltelijke onderkaak met enkele zwaarbeschadigde tanden en kiezen van een mensaap, in 1947-1948 gevonden bij het dorp Longjiagou in het district Wudu van de huidige provincie Gansu. Dit fossiel werd echter pas voor het eerst beschreven in 1988 en is toen geclassificeerd als Dryopithecus wuduensis, een nieuwe soort binnen het geslacht Dryopithecus.