Wittewierum is een dorp in de Nederlandse gemeente Groningen in de Nederlandse provincie Groningen. Er wonen volgens het CBS 55 mensen (2018). In het postcodegebied van Wittewierum wonen verspreid over ruim 50 huizen ongeveer 140 mensen (gemeente Ten Boer, z.j.). Wittewierum wordt doorsneden door de provinciale weg N865 van Ten Post naar Schildwolde. Het dorp is voor zijn voorzieningen vooral aangewezen op Ten Post en Ten Boer.

De naam Wittewierum verwijst naar het premonstratenzer klooster Bloemhof dat hier vroeger heeft gestaan. Dit klooster is vooral bekend geworden door de Kroniek van Bloemhof. Oorspronkelijk heette het dorp Wierum of Werum ("bij de hoogten"). Omdat er in Groningen meer plaatsen Wierum heetten (Wierum, Oosterwierum en Onderwierum), werd dit rond de 15e eeuw veranderd in Wittewierum, een verwijzing naar de witte kleding van de premonstratenzers. Het aanzicht van Wittewierum wordt gedomineerd door de wierde met de kerk en pastorie.

Geografie Indeling In 1722 bestond het kerspel Wittewierum uit de buurtschappen Wittewierum, Grouwe Dijk, Ten Post, Kroddebouren en Oldersum (met Winneweer en de borg Tammingahuizen). Kröddeburen wordt tegenwoordig tot Ten Post gerekend.

Het laaggelegen gebied ten zuiden van het Wittewierum werd De Meeden genoemd. Bij Wittewierum bevonden zich verder de boerderijen 'Kloosterbosch', 'Veldlust', 't Waschhuis' en het kloostervoorwerk Witte Munckhuijs aan de Graauwedijk, dat eigendom was van het nonnenklooster Mariagenade te Schildwolde en later bekend kwam te staan als 't Susterhuis (de boerderij 'Klein Transvaal', Graauwedijk 14).

Op het grondgebied van het kerspel Wittewierum ontstonden de waterschappen Hoeksmeersterpolder (1801/02), Garrelsweerster Kloostermolenpolder (1816), Huisbuursterpolder (1863), Noorderhoeksmeersterpolder (1868), Overschildjerpolder (1870), de voorlopers van Ons Belang (vanaf 1855) en Tammingahuizen (1941).

Bebouwing, wierde en kloosterterrein Wittewierum bestaat uit een wierde met een kerk en pastorie en enkele huizen en boerderijen. Daarnaast is er enige bebouwing aan de Bloemhofweg naar het noordnoordwesten, de Kloosterlaan naar het westzuidwesten en, op enkele honderden meters van de wierde, een strook bebouwing aan de Woldjerweg naar het zuidoosten. In dit laatste deel bevinden zich ook twee bedrijven.

De wierde wordt aan west-, noord- en oostzijde omsloten door een sloot, een restant van de vroegere kloostergracht. Volgens het schoolmeesterrapport van 1828 mat de wierde toen 'vier bunders' (hectares) en was deze '5 ellen en 6 palm hoog'.Een el is 68 à 69 cm en een palm volgens de standaardmaat van die tijd 10 cm, wat betekent dat de wierde destijds tussen de 3 en 4 meter hoog zou zijn. Het is niet duidelijk ten opzichte van wat de hoogte gemeten werd. In de 19e of begin 20e eeuw is de wierde aan de zuidkant afgegraven, maar de noordzijde is nog intact. Volgens Miedema is de wierde in het centrum 1,87 meter hoog.

thumb|Huizen langs de Kloosterlaan Het vroegere vijfhoekige kloosterterrein omvat naast de wierde ook de drie boerderijen aan westzijde en twee graslandpercelen achter kerk en pastorie.Zie ook deze 18e-eeuwse plattegrond met 'de gracht om het klooster van Wittewierum'. De beide graslandpercelen achter de pastorie verraden door hun geaccidenteerdheid de locaties van de vroegere kloostergebouwen.Volgens de website wittewierum.nl, die Reint Wobbes (Stichting Oude Groninger Kerken) aanhaalt. Er zijn echter nooit opgravingen in dit terrein verricht. Het oude kloosterterrein wordt grotendeels omsloten door sloten, maar die zijn deels gedempt met puin."Wittewierum: Centrum", Archeologische MonumentenKaart nr. 318, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed De breedte bedraagt 200 meter van west naar oost en 250 meter van noord naar zuid.

Omgeving Tegenwoordig is Wittewierum een klein dorpje, maar het vroegere kerspel omvatte het hele grondgebied van Ten Post (waar Wittewierum nu zelf onder valt) en ook een stukje ten oosten van het Eemskanaal, dat nu onder Overschild valt. Politiek gezien was Wittewierum vroeger onderdeel van het onderkwartier Westerambt van de landstreek Fivelingo. In de middeleeuwen vormde Wittewierum samen met Ten Post en Garrelsweer het rechtsgebied Eesterrecht van Ten Post (onderdeel van de rechtstoel Eesterrecht), wat volgens Ter Laan het oude gebied van het klooster Bloemhof zou kunnen zijn geweest. Rond 1600 kwamen de beide Easterrechten in handen van de familie Rengers van Tuwinga. Waterstaatkundig vormde Wittewierum een zijleed onder de schepperij Oldersum/Ten Post van het Dorpster Zijlvest, dat weer onderdeel vormde van het Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen, dat werd voorgezeten door de abt van Bloemhof. Van begin 19e eeuw tot 2019 was het dorp onderdeel van de gemeente Ten Boer, daarna werd het onderdeel van de gemeente Groningen.

In het achterland van Wittewierum lagen de boerderijen langs de Graauwedijk en vermoedelijk ook de verdwenen buurtschap Ickingeburen. In 1611 bevonden zich bij de Graauwedijk nog elf huizen.

Waterhuishouding De wierde van Wittewierum ligt aan de vroegere loop van de Fivel, die vanaf het Foxholstermeer via de Scharmer Ae en Slochter Ae, Luddeweer en Woltersum langs de westzijde van de wierde van Wittewierum stroomde en verder via de Bloemhofweg, Ten Post en Winneweer naar Westeremden. De Kollerijweg (Kolde IJ = 'koude, verlaten Ae') van Wittewierum naar Woltersum ligt op een vroegere oeverwal van de Fivel of Slochter Ae, die later werd opgehoogd tot een dijk.Vgl. Loes H. Maas, 'De toponymische elementen koud en warm', in: Naamkunde 21 (1989), pp. 15-45, hier 17, 25, 28, 33. H.J. Moerman, Nederlandse plaatsnamen: een overzicht, Leiden 1956, p. 132-133. Het klooster van Wittewierum werd gebouwd in de tijd dat de Fivel bezig was dicht te slibben; bij de nieuwbouw van de kerk moest men vele metersdiep heien om de bodem van de vroegere rivier te bereiken. Ten westen van de wierde, in de richting van Ten Post, stroomt de Ten Poster Ae (ook kortweg Ae of Ei), een restant van de Fivel. Naar het noorden toe, aan oostzijde van de Meedenerweg, stroomt de Vismaar (vroeger Visc(h)umermaar of Viskumermaar) in de richting van Garrelsweer. Hierover lag vroeger de brug naar de kerk van Wittewierum. Ten noordoosten van het dorp lag vroeger het Hoeksmeer, waarmee het dorp verbonden was via het Katerhalstermaar.

Bij Wittewierum lagen vroeger meerdere kleigaten, zoals in het perceel ten noorden van de Kloosterlaan. Deze kleigaten ontstonden door het steken van klei om de bodemvruchtbaarheid te verbeteren. Deze kleigaten zijn in de loop der 20e eeuw gedempt.

Ten oosten van Wittewierum stroomt het Eemskanaal, waarover ten zuidoosten van Wittewierum de Bloemhofbrug ligt, die vernoemd is naar het klooster. Vroeger was dit een draaibrug, maar in de jaren 1960, toen het kanaal werd verbreed, werd hier een ophaalbrug geplaatst.

Geschiedenis Wierde

De wierde van Wittewierum werd net als de wierden van Ten Post, Oldersum, Loppersum, Oosterwijtwerd en Spijk rond het begin van de jaartelling opgeworpen op de rechterkwelderwal van de Fivel. Na een aantal eeuwen verlaten te zijn geweest, werd de wierde rond het jaar 600 opnieuw als woonplaats in gebruik genomen. Miedema vermoedt dat Wittewierum in die tijd net als Stedum en Woltersum een handelsnederzetting vormde. Volgens de kroniek van Bloemhof was er vroeger ook een haven aan de Fivel bij Wittewierum.Jansen & Janse, p. 336/337: "Bovendien stroomde in het westen, waar het grootste deel van [de kloosterkerk] zou komen, vroeger een rivier, die de Fivel heette, en op die plaats was een haven voor de schepen geweest". Eind 12e eeuw werd de Fivel afgedamd bij Westeremden, waardoor de oude loop verzandde.

De eerste kerk van het dorp zal dateren uit de elfde of twaalfde eeuw. De keuze van de patroonheilige Vitus, vereerd in de rijksabdij Abdij van Corvey aan de Wezer, en de locatie in dezelfde rechtstoel als de koninklijke muntplaats Garrelsweer doet vermoeden dat het om een complex van ouder koningsgoed gaat. Het dorp werd rond 1200 eenvoudigweg Wierum ('wierde') genoemd, nadat de oudere naam kennelijk in vergetelheid was geraakt. Mogelijk gaat het om het kerkdorp Henricaskiricun of Æcclesia Henrici dat rond het jaar 1000 in de omgeving van Stedum wordt vermeld.KNOTTNERUS, O.S., 'Reclamations and submerged lands in the Ems River Estuary (900-1500)', in: E. THOEN et al. (red.), Landscapes or seascapes? The history of the coastal environment in the North Sea area reconsidered, Turnhout, Brepols, 2013, pp. 241-266, hier 252; KNOTTNERUS, O.S., Natte voeten, vette klei. Oostelijk FIvelingo en het water, Bedum 2008, p. 37, 41.

Begin 13e eeuw werd het Klooster Bloemhof gebouwd op de wierde en in de oude bedding van de Fivel. In de 16e en 17e eeuw werd het klooster afgebroken. In 1837 werd een stuk land 'omgespit of omgehakt', waarin zich resten van het klooster zouden bevinden. Mogelijk gaat het om de kap van een deel van de appelhof achter de pastorie. Eind 19e eeuw werd ook een deel van de wierde afgegraven.Mogelijk rond 1900. Miedema meldt namelijk archeologische vondsten in 1884, 1897 en 1901. Bron: Miedema, pp. 380, 387, 424 Sinds 1973 vormen de wierde en het terrein van het vroegere klooster een archeologisch (rijks)monument."Wittewierum: Centrum", Archeologische MonumentenKaart nr. 318, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Klooster

In 1204 werd door Emo van Romerswerf op zijn land het benedictijnenklooster Romerswerf (Nijenklooster) gesticht. In 1208 trad zijn neef Emo van Huizinge, die gestudeerd had in Parijs, Orléans en Oxford en vervolgens pastoor van Huizinge was geweest, in dit klooster in. Op 23 juni 1211 werd de bestaande (waarschijnlijk houten) kerk van Wierum (het latere Wittewierum) door een meerderheid van de kerkvoogden (patroons) geschonken aan het klooster van Romerswerf met als doel er ook een klooster te stichten. Tussen 1213 en 1214 vertrokken de aanwezige monniken uit Romerswerf naar Wierum om te beginnen met de bouw van het nieuwe klooster, dat deels werd aangelegd in de drooggevallen bedding van de dichtgeslibde Fivel en de naam Bloemhof (Floridus Hortus) kreeg. De nonnen bleven achter in Romerswerf, dat voortaan Rozenkamp (Campus Rosarum) werd genoemd. In 1217 sloot het klooster zich formeel aan bij de premonstratenzers. De monniken ondervonden tegenwerking van de dorpsheer Ernestus, die er op uit was zijn zoon tot pastoor te laten kiezen. Later zette hij zijn zinnen op de proosdij Loppersum, waarvoor hij een complete oorlog ontketende.

Tussen 1238 en 1259 werd gebouwd aan de stenen kloosterabdij. Het klooster omvatte naast de kerk met sacristie en kruisgang een refter, keuken, kapittelzaal, hospitium (voor pelgrims en andere gasten), dormitorium, scriptorium (schrijfatelier), boekerij (bibliotheek), werkvertrekken (voor bijvoorbeeld timmerwerk en smeedwerk) en een school. De boekerij werd tijdens de Saksische Vete in 1515 door plunderende Saksische benden in brand gestoken, maar de kroniek bleef daarbij behouden. De abdijschool werd in 1276 verplaatst naar Westeremden, waar zich al een parochieschool bevond.

In 1290 werd een visitatie uitgevoerd waaruit naar voren kwam dat er 'duizend kloosterlingen' zouden wonen in Bloemhof en Rozenkamp, maar dit aantal wordt vaak onrealistisch hoog genoemd en moet waarschijnlijk met een korreltje zout worden genomen.