thumb|Het veronderstelde woongebied van de Germaanse volkeren omstreeks 150 n.Chr., hier geprojecteerd op een kaart uit 2011De Frisii waren een volk dat ten tijde van de Romeinen ten noorden van de Rijnmonding (Latijn: Rhenus) moet hebben geleefd.Tacitus: Annales IV. Gearchiveerd op 3 maart 2023.

De taal van dit volk was vermoedelijk een vorm van Protogermaans, misschien met Protokeltische invloeden.

Etymologie

De meningen over de oorsprong van de naam Frisii zijn verdeeld.Jan de Vries, Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden 1997, p. 176 (trefwoord: Fries).P.A.F. van Veen en N. van der Sijs, Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Utrecht/Antwerpen 1997, trefwoord Fries.

Een van de verklaringen gaat uit van de Proto-Germaanse wortel *frisaz ('gekruld. gekroesd'). Het zou dan een verwijzing naar krullige haren kunnen zijn. Etymologisch moet dit dan samenhangen met het Oudfriese frisle en frēsle (‘haarlok’) en met het Engelse frizzle dat eveneens naar krullen verwijst.

Andere duidingen gaan uit van *fraisō- 'gevaar', zodat het dan om de stam der 'vreeslozen' zou gaan, dan wel van Proto-Italiaans *priisemo- ‘wat vooraan, aan een uithoek ligt’ of van een Gothische en Oud-Hoogduitse wortel fēra, Proto-Indoeuropees *preis- 'rand', dus 'mensen die aan de rand, aan de kust wonen’. Volgens Menno Dijkstra was ‘Fries’ daarom een geografisch begrip, gaandeweg kreeg het ook etnische connotaties.Menno Dijkstra: Rondom de mondingen van Rijn & Maas: landschap en bewoning tussen de 3e en 9e eeuw in Zuid-Holland, in het bijzonder de Oude Rijnstreek, Sidestone Press, 2011, pp. 377.

Een andere duiding verbindt de naam met de Proto-Germaanse wortel *frī- ‘eigen, zelf’. Een voorname afleiding hiervan was *frijaz ‘eigen’, waarvan de betekenis zich enerzijds ontwikkelde tot ‘zijn eigen, zelf-beslissend’ (vanwaar ‘ongebonden’ zoals in Nederlands 'vrij').Namen van Nederlandse stammen: Frisii. Gearchiveerd op 3 juni 2023. De naam van de Franken voert terug op het zelfde begrip 'vrij'.FRANK - (BN. VRIJ; ZN. VOLKSNAAM) Het verdwijnen van de oude Friezen einde derde eeuw uit het terpengebied valt samen met de eerste vermeldingen van de Franken. De classicus Willem J. de Boone heeft in 1954 geprobeerd aan te tonen dat de Friezen een tijdlang deel uitmaakten van het stamverband der Franken.Willem Jan de Boone, De Franken van hun eerste optreden tot de dood van Childerik, dissertatie, Groningen 1954 (zie de Inleiding, p. 7-11).

Een weinig plausibele verklaring gaat uit van laat-Latijn frēsare, klassiek Latijn frendere ‘verbrijzelen’, dat op het graven van greppels zou kunnen wijzen. Hiervan zijn ook het Nederlands werkwoord frezen (1906) en naam van het werktuig frees (1849) afgeleid. De Romeinen zouden deze naam aan de kwelderbewoners hebben gegeven vanwege het gecultiveerde landschap met de vele sloten en greppels. Problematisch aan deze redenering is echter dat de vulgair Latijnse betekenis van het woord zich pas in de loop der middeleeuwen heeft ontwikkeld.

In de Beowulf worden de termen Friezen, Franken en Hūgas (een andere benaming voor de Franken) min of meer uitwisselbaar gebruikt. De term Hugas (Latijn Hugones, 'de hogen') wordt ook wel verbonden met de naam van de landstreek Humsterland (Hugomarchi) in Groningen, die op zijn beurt verband zou houden met de oudere stamnaam Chauken die etymologisch eenzelfde betekenis heeft. Het stamland van de Franken wordt in Oudnoorse sagen en in de Edda ook wel aangeduid als Hunaland. Duitse ridderromans noemen dit het land der Hunen. De sagen en ridderromans verstonden daaronder soms Westfalen, maar lokaliseerden het gebied ook wel heel ergens anders.

Oudste vermeldingen De Romeinse geschiedschrijver Tacitus onderscheidde twee verwante groepen: de maiores Frisii (Grote Friezen) en minores Frisii (Kleine Friezen). Volgens Tacitus rekenden de Frisii zichzelf tot de Germanen.

Plinius de Oudere onderscheidt van zijn kant de Frisii van Frisiavones, waarbij die laatste groep (die door Tacitus nergens wordt genoemd) wat meer landinwaarts zou hebben gewoond. Het wordt echter ook wel als mogelijkheid gezien dat hun woongebied het mondingsgebied van de Schelde en de Maas was. Plinius beschouwt hen als onderling verwante stammen,

Geschiedenis Onderwerping In het jaar 12 v.Chr. versloeg Romeins veldheer Nero Claudius Drusus de Frisii en lijfde hen in bij het Romeinse Rijk. Hij legde hun een tribuut op, grotendeels in de vorm van huiden van oerossen, en verplichtte hen tot het leveren van manschappen voor de Romeinse hulptroepen. Het castellum Flevum werd vermoedelijk gebouwd om de Romeinen een veilige doortocht over het Vlie te bieden.

Opstanden In 28 n.Chr. kwamen de Frisii in opstand tegen de Romeinen., Annales boek IV, 72-73. Ook digitaal beschikbaar op www.thelatinlibrary.org. Gearchiveerd op 3 maart 2023. Volgens Tacitus begon deze opstand omdat de Romeinen onder hun landvoogd Olennius als belasting huiden van de oeros eisten, in plaats van de veel kleinere huiden van het vee van de Frisii. De Romeinen namen als represaille onder andere akkers in en maakten vrouwen en kinderen tot slaaf. Dit leidde tot een opstand. De Frisii en hun bondgenoten hingen een aantal belastinginners op en brachten 900 Romeinen om het leven tijdens de Slag in het Baduhenna-woud.

In 47 n.Chr werden de Frisii opnieuw onderworpen door een strijdmacht die onder leiding stond van de Romeinse generaal Gnaius Domitius Corbulo. Doel was het gebied van de Chauken en de Frisii (tussen Rijn en EemsEncarta-encyclopedie Winkler Prins (1993-2002) s.v. Corbulo, Gnaeus Domitius. Microsoft Corporation/Het Spectrum.) te veroveren en hier een civitas Frisionum (hoofdstad van de Frisii, onder Romeinse invloed) in te richten., Medieval Frontier: culture and ecology in Rijnland, 1985, p. 96-97. Het gebied zou daarmee onderdeel van het militaire grensgewest Germania Inferior worden. Hij bouwde naar alle waarschijnlijkheid een militaire vestingplaats (vermoedelijk een castellum, waarvan de locatie onbekend is) om de Frisii in de gaten te houden. Hij had hiervoor de beschikking over twee legioenen, Legio V Alaudae en Legio XV Primigenia. In hetzelfde jaar besloot de Romeinse keizer Claudius I dat de Rijn de grens (Limes) van het Romeinse Rijk zou worden, en de militaire inzet zich moest concentreren op de verovering van Brittannië.

In 54 n.Chr. namen Frisii, op initiatief van Verritus en Malorix, gebied in langs de Rijn. Toen Dubius Avitus hierop dreigde de legioenen in te zetten, stuurde men hen als een delegatie naar Nero om toestemming te vragen dit gebied in bezit te nemen. Die weigerde en beval de Frisii de Rijnstreek te ontruimen, maar de Frisii legden dit bevel naast zich neer. Kort daarop werden ze echter door een plotselinge aanval van ruiterij en hulptroepen verdreven.

In 69/70 n.Chr namen de Frisii deel aan de mislukte Bataafse Opstand, als ondergeschikte partij aan de kant van de Bataafse opstandelingen. Na de voornoemde opstand raakten de Lage Landen opgedeeld in drie zones. Het zuiden werd geromaniseerd en de inheemse taal werd hier deels verdrongen door het Latijn. Latijnse leenwoorden slopen de Germaanse en Keltische talen binnen. De lokale bevolking zag zichzelf nu als bondgenoot van de Romeinen en handelde actief met hen (ze leverden soldaten, voedsel, etc.). Het gebied ten noorden van de rivieren, werd gedemilitariseerd en ontvolkt gehouden. In het gebied ten noorden van het ontvolkte gebied woonden de vrije stammen, waaronder de Frisii. Hier was de Romeinse invloed op de taal betrekkelijk gering, de belastingplicht voor de Frisii ging echter onverminderd door. De romanisatie deed hier slechts minimaal haar intrede.

Ondergang van de oude Frisii Nadat de Romeinse keizer Constantius Chlorus aan het eind van de derde eeuw met succes campagne had gevoerd tegen verschillende Germaanse volkeren, in het Nederrijnse gebied, waaronder de Frisii en Chamaven, beschrijft de Panegyrici Latini (manuscript VIII) dat de Frisii onder Romeinse dwang werden gedwongen om zich als laeti (dat wil zeggen half-vrijen met militaire verplichtingen) op Romeins grondgebied te vestigen. De laatste verwijzing naar de oude Frisii in de bewaard gebleven geschiedschrijving dateert van 297 n.Chr.

De Frisii zijn in de vierde eeuw echter nog wel zichtbaar in archeologische bodemvondsten. De ontdekking van het zogenaamde Tritzum-aardewerk, uniek voor het gebied van de oude Frisii, toont aan dat een aantal Frisii opnieuw werd gehuisvest in Vlaanderen en het Engelse graafschap Kent.Danny Gerrets, 'The Anglo-Frisian Relationship Seen from an Archaeological Point of View', in: Volkert F. Faltings, Alistair G.H. Walker en Ommo Wilts (red.), Friesische Studien II: Beiträge des Föhrer Symposiums zur Friesischen Philologie vom 7. 8. April 1994, Odense 1995, p 119-128. Het lijkt erop dat zij deel uitmaakten van de Litus Saxonicum, de Romeinse verdedigingslinie aan beide zijden van het Kanaal die was opgericht tegen de Saksische piraten. Hier waren huursoldaten van verschillende naties (waaronder ook Saksen) gelegerd.

Muur van Hadrianus Ruitereenheden van de Frisii waren eveneens gestationeerd langs de Muur van Hadrianus in Noordoost-Engeland, namelijk te Burgh by Sands en in het fort Housesteads bij Bardon Mill; zij waren gerekruteerd de Romeins noordgrens in Brittannië te beschermen tegen de Schotten en de Picten. In het laatstgenoemde fort was in de 3e eeuw een heiligdom ingericht voor de twee Alaisiagae,L. Alcock, Arthur's Britain, 1971, p. 94 namelijk hun voorouderlijke godinnen van de overwinning Beda en Fimmilena. Mogelijk dezelfde godinnen werden onder de namen Boudihillia en Friagabis vereerd door een andere Friese eenheid die de eenheid van Hnaudifridus werd genoemd. Het rekruteren van Germaanse hulptroepen voor de verdediging van Brittannië had een lange voorgeschiedenis en begon niet pas met de legendarische Angelsaksen Hengest en Horsa.

In de Notitia Dignitatum van omstreeks 425 staat de naam van een legeronderdeel Cohors I frixagorum vermeld, dat was gelegerd in het Romeinse fort Vindebala langs de Muur van Hadrianus. Over de betekenis van deze naam bestaat echter discussie, mogelijk werd een Zuid-Duitse stam bedoeld. Daarnaast is was omstreeks 400 sprake van de uitmuntende paarden van de Frigiscos, die samen met de paarden van de rondtrekkende Hunen, Thüringers en Bourgondiërs werden genoemd.Norbert Wagner, 'Zum 'g' in Frigones 'Friesen' beim Geographus Ravennas und ähnlichen Fällen', in: Historische Sprachforschung / Historical Linguistics 121 (2008), p. 229-223.

Geleerde auteurs verwarden de Friezen dikwijls met de Frygiërs uit Klein-Azië. Ook is er verwarring mogelijk met de Frexes, een stam in Tunesië.

Oude en nieuwe Friezen Naar huidige inzichten stammen de tegenwoordige Friezen voornamelijk af van landverhuizers uit de 5e en 6e eeuw die de grotendeels verlaten kuststrook van Noord-Nederland en Noordwest-Duitsland opnieuw bevolkten. Archeologisch onderzoek toont aan dat er een zekere mate van continuïteit in de bewoningsgeschiedenis in het Fries-Groningse terpengebied is geweest.Annet Nieuwhof, , 'Anglo-Saxon Immigration or Continuity? Ezinge and the Coastal Area of the Northern Netherlands in the Migration Period', Journal of Archaeology in the Low Countries 5 (2013), p. 53–83. Dez., ‘De lege vierde eeuw’, in: Dez. (red.), Van Wierhuizen tot Achlum. Honderd jaar archeologisch onderzoek in terpen en wierden, Groningen 2018, p. 83–98 (= Jaarverslagen van de Vereniging voor Terpenonderzoek, 98) The Frisians and their Pottery Social Relations before and after, by Annet Nieuwhof RUG 2021. Het Hollandse duinengebied en de mondingsgebieden van de Maas en de Oude Rijn, waar later het zwaartepunt van het Friese koninkrijk zou komen te liggen waren ook grotendeels verlaten.