Benjamin Franklin Butler (Deerfield, 5 november 1818 – Washington, 11 januari 1893) was een generaal-majoor in het Noordelijke leger, politicus, advocaat en zakenman uit Massachusetts. Hij werd geboren in New Hampshire en opgevoed in Lowell Massachusetts. Butler was voornamelijk bekend als generaal tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog en voor zijn rol in de impeachment tegen president Andrew Johnson. Hij was een kleurrijk en vaak controversieel politiek figuur. Na verschillende pogingen werd hij gouverneur van Massachusetts in 1883. Bulter, een succesvolle advocaat, was verbonden aan de Massachusetts General Court. Hij was een democraat die tegen oorlog was en diende als officier in de militie van Massachusetts. In het begin van de Amerikaanse Burgeroorlog nam hij dienst in het Noordelijke leger. Hij viel op door zijn gebrek aan militaire ervaring en zijn controversieel bestuur van New Orleans. Waardoor zijn reputatie in het Zuiden nog verslechterde. Hij lag mee aan de basis om gevluchte slaven als contrabande of smokkelwaar aan te slaan. Dit zou de emancipatie van de slaven en het einde van slavernij als officiële oorlogsdoeleinden in het Noorden versnellen. Zijn commando's werden ontsierd door financiële en logistieke transacties over de vijandelijke linies, waarvan sommige waarschijnlijk plaatsvonden met zijn medeweten en in zijn financieel voordeel.
Butler werd ontslagen uit het leger na zijn mislukkingen tijdens de Eerste Slag om Fort Fisher in 1864. Enkele jaren later werd hij verkozen in het Huis van afgevaardigden voor Massachusetts. Als radicale republikein was hij sterk gekant tegen de naoorlogse reconstructieplannen van president Johnson. Bulter speelde een cruciale rol in de poging tot impeachment tegen president Andrew Johnson. Als voorzitter van het comité voor de reconstructie was hij auteur van de Ku Klux Klan Act of 1871 en de mede-auteur van de Civil Rights Act of 1875.
In Massachusetts botste het regelmatig tussen Butler en meer conservatieve elementen binnen de Republikeinen. Hierdoor liep hij verschillende nominaties mis tussen 1858 en 1880 om gouverneur te worden van zijn thuisstaat. Hij liep opnieuw over naar de Democraten en kon in 1882 toch nog de verkiezingen winnen voor het gouverneurschap. In 1884 deed hij een gooi naar het presidentschap.
Vroege jaren Benjamin Franklin Bulter werd geboren in Deerfield New Hampshire op 5 november 1818 als zesde en jongste kind van John Butler en Charlotte Ellison Butler. Zijn vader diende onder generaal Andrew Jackson in de Slag bij New Orleans tijdens de Oorlog van 1812. Kort na de geboorte van Benjamin stierf zijn vader aan de gevolgen van Gele koorts toen hij als kaapvaarder werkzaam was in West-Indië.West (1965), pp. 8–9 Benjamin werd vernoemd naar een van de Founding Fathers van de Verenigde Staten, namelijk Benjamin Franklin. Zijn oudere broer, Andrew Jackson Butler (1815-1864) diende als kolonel in het Noordelijke leger tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog.LAW REPORTS.; The Will of Col. A. J. Butler. Surrogate's Court--May 31..., New York Times, 1 June 1864 Zijn moeder was een overtuigde baptist die Benjamin aanmoedigde om de Bijbel te lezen. Zij had graag gezien dat hij dominee zou worden. In 1827, toen Benjamin negen jaar oud was, kreeg hij een studiebeurs voor de Phillips Exeter Academy waar hij één semester verbleef. Hij werd getypeerd als roekeloos, onstuimig en koppig en een jongen die regelmatig in gevechten betrokken was.West (1965), pp. 9–10
In 1828 verhuisden de Butlers naar Lowell in Massachusetts. Daar opende ze een pension voor arbeiders van de nabijgelegen textielfabrieken. Benjamin volgde les in de publieke school. Hij werd bijna van school gestuurd na een vechtpartij. De director beschreef hem als iemand die ‘moeilijk aan te sturen was’.West (1965), pp. 10–13 Het was de wens van zijn moeder dat Benjamin dominee zou worden. Daarom volgde hij lessen aan Wateville College (nu Colby College) in voorbereiding op deze studies. In 1836 wou Butler echter een militaire carrière uitbouwen en schreef een brief om toegelaten te worden tot West Point. Hij werd echter niet toegelaten. Hij studeerde verder in Waterville waar hij zijn retorische vaardigheden aanscherpte. Hij kreeg ook interesse in de politiek en voornamelijk in de Democratische standpunten. Hij voltooide zijn studies in augustus 1838.West (1965), pp. 13–16 Butler keerde terug naar Lowell waar hij aan de slag ging als klerk bij een lokale advocaat. In 1840 werd hij toegelaten tot balie van Massachusetts en startte zijn eigen kantoor.West (1965), pp. 17–23
Na een lange verkering huwde Butler met Sarah Hildreth op 16 mei 1844. Ze was een actrice en dochter van dokter Israel Hildreth uit Lowell. Ze zouden samen vier kinderen krijgen. Paul (1845-1850), Blanche (1847-1939), Paul (1852-1918) en Ben-Israel (1855-1881).Hearn (2000), p. 13 De Zakenpartners van Butler waren Sarahs broer, Fisher en haar schoonbroer W.P. Webster.West (1965), pp. 25, 27 In 1844 werd Butler verkozen tot lid van de American Philosophical Society.
Vroege zakencarrière Bulter kreeg al snel een reputatie als een hardnekkige strafrechtadvocaat die iedere opportuniteit gebruikte om zijn tegenstanders te slim af te zijn. Hij specialiseerde zich ook in wetgeving rond faillissementen. Ook in de media werden zijn zaken regelmatig beschreven zodat hij zijn advocatenkantoor kon uitbreidden naar Boston.West (1965), p. 27
Dankzij zijn successen als advocaat kon hij de Middlesex Mill Company kopen in Lowell.Hearn (2000), p. 19 Hoewel hij meestal werknemers vertegenwoordigde, had hij ook goede contacten met bedrijfseigenaars. Dit zou in zijn latere politieke carrière een belangrijke rol spelen. Hij kwam in de nationale belangstelling te staan als voorstander van achturige werkdag voor werknemers.Hearn (2000), p. 14 Van stakingen om dit te bekomen wou hij niets weten. Hij voerde in zijn eigen Middlesex Mills de tienurige werkdag in.Quarstein (2011), p. 29
Begin van zijn politieke loopbaan Tijdens de debatten omtrent de tienurige werkdag werd in de Whig Partykrant van Lowell gesuggereerd dat Butlers vader opgehangen werd wegens piraterij. Butler klaagde de krant aan wegens laster en eerroof. De redacteur werd veroordeeld tot een boete van 50 dollar. De verantwoordelijke uitgever werd vrijgesproken door een procedurefout. Butler gaf hiervoor de schuld aan de Whig-rechter Ebeneze Rockwood Hoar. Dit zou uitgroeien tot een vete tussen beide heren voor de komende decennia en zou een blijvende invloed zijn op de reputatie van Butler in zijn thuisstaat.West (1965), pp. 32–35
Butlers, als democraat, was een voorstaander van het Compromis van 1850 en sprak zich regelmatig uit tegen de afschaffing van de slavernij. In zijn thuisstaat steunde hij een coalitie van democraten en de Free Soil Party waardoor George S. Boutwell tot gouverneur verkozen werd in 1851. Hierdoor kreeg Butler zelf genoeg steun om verkozen te worden tot het Massachusetts House of Representatives in 1852. Het volgende jaar zou zijn steun voor Franklin Pierce voor de presidentsverkiezingen hem zijn zitje kosten. In 1853 zetelde hij in de Massaschusetts Constitutional Convention dankzij sterke katholieke ondersteuning. In 1858 veroverde hij een zetel in de senaat.Hearn (2000), p. 18 Butler werd genomineerd voor het gouverneurschap in 1859 met een programma pro-slavernij en verloor nipt aan de zittende republikeinse gouverneur Nathaniel P. Banks.Dupree (2008), p. 11
Tijdens de Democratische conventie van 1860 in Charleston, South Carolina steunde Butler aanvankelijk John C. Brekinridge als kandidaat voor de presidentsverkiezingen. Hij veranderde zijn steun echter ten voordele van Jefferson Davis omdat hij hoopte dat deze zuiderling de partij zou samen houden.Hearn (2000), p. 20
De Amerikaanse Burgeroorlog Hoewel Butler sympathiseerde met de Zuiden zei hij:” ik was altijd een vriend van de Zuidelijke rechten (rights), maar ik ben een vijand van hun verkeerde standpunten (wrongs). Daarom nam hij dienst in het Noordelijke leger. Voor de burgeroorlog had Butler als soldaat gediend in de militie van Lowell in 1840.West (1965), p. 20 Hij zou uiteindelijk kolonel worden van een regiment die voornamelijk uit Amerikanen van Ierse afkomst bestond. In 1855 werd de militie ontbonden door gouverneur Henry J. Gardner. Toen de militie opnieuw opgericht werd, kreeg Butler de rang van brigadegeneraal. In 1857 benoemde minister van oorlog Jefferson Davis hem tot de raad van bestuur van West Point.West (1965), pp. 41–42 Deze functies gaven Butler geen extra militaire bagage mee.Wells (2011), p. 40
1860 Na de verkiezingsoverwinning van Abraham Lincoln in november 1860 reisde Butler af naar Washington D.C.. Toen een delegatie uit South Carolina, die zich wou afscheuren van de unie, arriveerde; stelde Butler voor aan president James Buchanan om de delegatieleden te arresteren voor verraad. Buchanan volgde dit voorstel niet. Butler ontmoette ook nog Jefferson Davis die hem over zijn Zuidelijke sympathieën vertelde. Een ontgoochelde Butler keerde terug naar zijn thuisstaat MassachusettsHearn (2000), p. 23. Hij waarschuwde gouverneur John A. Andrew dat er onvermijdelijk vijandelijkheden zouden uitbreken en dat de militie van de staat diende gemobiliseerd te worden. Ondertussen kon hij een lucratief contract afsluiten met de staat om stoffen te leveren aan de militie via zijn fabrieken. Deze contracten zouden zeer lucratief blijven tijdens het conflict.Hearn (2000), p. 24
Pogingen om een militaire functie te kunnen uitoefenen Butler probeerde een militaire benoeming te bekomen indien de militie zou ingezet worden in de komende strijd. Hij bood zijn diensten aan in maart 1861 aan gouverneur Andrew. Toen de mobilisatiebevelen uitgevaardigd werden in april, diende Massachusetts in eerste instantie slechts drie regimenten te leveren. Toch slaagde Butler erin om hierbij ook een brigadegeneraal te laten benoemen. Hij stuurde een telegram naar zijn kennis, de minister van oorlog Simon Cameron, met de vraag om aan Massachusetts eveneens een brigadegeneraal en bijhorende stafofficieren te vorderen. Cameron ging hierop in. Daarna sprak Butler zijn zakencontacten in de bankwereld aan om alle leningen voor de militie op zijn naam te laten zetten. Ondanks de poging van de gouverneur om Ebener W. Peirce te benoemen tot brigadegeneraal, stonden de banken erop om Butler aan te stellen. Hij werd naar het zuiden gestuurd om de bevoorradingsroutes naar Washington D. C. te beveiligen. Hearn (2000), p. 25Quarstein (2011), p. 31 De hoofdstad van de unie kon geïsoleerd geraken van de andere bevriende staten omdat Maryland, een slavenstaat, op dit moment nog geen kant gekozen had.Wells (2011), p. 34
1861: Operaties in Baltimore en Virginia thumb|right|Gravure over de Pratt Street-oproer in april 1861 Er werden twee regimenten uit Massachusetts naar Maryland gestuurd. De 6th Regiment Massachusetts Volunteer Militia vertrok op 6 april 1861 en kwam in de Pratt Street-oproer terecht op 19 april in Baltimore. De volgende dag vertrok Butler met de 8th Regiment Massachusetts Volunteer Militia uit Philadelphia toen het nieuws bekend raakte dat verschillende spoorwegen rond Baltimore onderbroken waren.West (1965), pp. 51–53 Butler en het 8th regiment reisden per trein en boot naar Annapolis, de hoofdstad van Maryland. Gouverneur Thomas H. Hicks probeerde Butler te overtuigen om niet in Annapolis aan land te gaan.West (1965), p. 54 Butler liet zijn troepen toch aan land gaan omdat ze eten en drinken nodig hadden. Ze namen hun intrek in de Naval Academy. Toen Hicks Butler vertelde dat niemand voorraden aan zijn troepen zou verkopen, antwoordde Butler dat soldaten niet noodzakelijk dienden te betalen voor voorraden en dat hij alle middelen zou toepassen om de orde te handhaven.West (1965), p. 57