De Yamaha 250cc-racers 1960-1972 vormen een serie 250 cc wegrace-motorfietsen die door het merk Yamaha in de jaren zestig en -zeventig werden ingezet in wegraces.
Voorgeschiedenis thumb|left|200px|Adler MB 250 S: Zoals alle Japanse fabrikanten kopieerde Yamaha het liefst bestaande motorfietsen. Om de 250 cc tweecilinders te maken kocht men in 1954 een Adler MB 250 SCok van de Heuvel: Succesvolle wisselwerking, Yamaha-produktieracers en -wegmotoren, Weekblad Motor nr. 25 1994, een motorfiets van hoge kwaliteit die 14 pk leverde maar kon worden opgevoerd tot 20 pk. Maar anders dan bij de Yamaha YA 1, die bijna identiek was aan de DKW RT 125, ging men nu de motor eerst bestuderen om te zien waarom dingen gemaakt waren zoals ze waren. Dat resulteerde in het toermodel Yamaha YD 1, dat al veel eenvoudiger en moderner was dan de Adler. Dat moest ook wel, want de Adler was veel te ingewikkeld en daardoor te duur, zodat de fabriek er geen geld aan verdiende. Zo moest bij de Yamaha het hele motorblok worden uitgebouwd om aan de versnellingsbak te werken. Bij de Adler kon de versnellingsbak afzonderlijk gedemonteerd worden, maar dat was een dure constructie. De Yamaha kreeg ook grotere koelribben en een heel ander frame, terwijl de plunjervering was vervangen door een moderne swingarm. Toch waren er een aantal typische Adler-kenmerken die de productieracers van Yamaha parten speelden: de koppeling was op de krukas gemonteerd en spatte bij hoge toerentallen uit elkaar, het lagerblok van de gescheiden krukassen vertoonde speling en het verticaal deelbare carter was ouderwets. In 1968 stapte Yamaha van het Adler-ontwerp af met de 350 cc Yamaha YR 1 Grand Prix toermotor en de 250 cc Yamaha TD 2 productieracer, gedwongen door de concurrentie van de Suzuki T 20 en de Kawasaki A 1 Samurai. Yamaha was pas in 1954 begonnen met de productie van motorfietsen. Het eerste model was de Yamaha YA 1, een kopie van de vooroorlogse DKW RT 125, die in 1955 op de markt kwam. De standaard YA 1 leverde slechts 5½ pk, maar nog in hetzelfde jaar verscheen een 10 pk raceversie. Er werd toen nog vooral deelgenomen aan nationale wegraces en heuvelklimwedstrijden op onverharde wegen. In 1957 verscheen de Yamaha YA-A met 14 pk die een afwijkende boring-slagverhouding had. Nog in hetzelfde jaar werd die boring-slagverhouding opnieuw veranderd bij de Yamaha YA-B. In de 250cc-klasse bracht men tweecilinders uit met dezelfde cilinderinhoud: de Yamaha YD-A en de Yamaha YD-B, die ongeveer 20 pk leverden en waren afgeleid van de Adler MB 250 S. Yamaha had toen al een aantal fabrieksrijders in dienst, waaronder de beroemde Fumio Ito. Men concentreerde zich toen vooral op de 250cc-klasse, waardoor de ontwikkeling van de 125cc-machines op een laag pitje kwam te staan. In april 1960 nam Yamaha het kleine Showa Works Ltd over. Daardoor kreeg het de vooruitstrevende tweetakttechniek met roterende inlaten van Showa in handen.
1961: Yamaha RD 48 De Yamaha RD 48 was de eerste 250cc-motorfiets waarmee Yamaha deelnam aan het wereldkampioenschap wegrace. Op 21 mei 1961 verschenen Fumio Ito en Tanahara Noguchi voor het eerst op Clermont-Ferrand met de RD 48. In Clermond-Ferrand werd Ito achtste en Noguchi tiende. Ito scoorde in vier GP's punten met als beste prestatie de vierde plaats in de Grand Prix van Argentinië en werd negende in het kampioenschap, waardoor men van een geslaagd debuut kon spreken. Toch was er nog een lange weg te gaan: concurrent Honda, dat al in 1959 de oversteek naar Europa had gemaakt, bezette de eerste vijf plaatsen in de 250cc-klasse.
RD 48 De lijnen van het motorblok van de Adler MB 250 waren nog goed te herkennen, maar de machine had roterende inlaten en leverde ongeveer 35 pk. Er was gebruikgemaakt van een droge drieplaatskoppeling, een zgn. "Oldham coupler".
1962: Yamaha RD 48 en RD 56 Yamaha gebruikte het jaar 1962 om de 125- en 250cc-machines verder te ontwikkelen. In dat jaar leverde het 250cc-blok al 42 pk, maar er werd alleen in Singapore gestart, een Grand Prix die niet meetelde voor het wereldkampioenschap. De machine had nog steeds mengsmering, maar daarnaast zorgden een oliepomp en een extra olietank voor de smering van de Big-endlagers en de krukaslagers. Dit eenmalige optreden kwam doordat men al volop werkte aan de opvolger van de RD 48, de RD 56.
De RD 56 kwam in de laatste Grand Prix van 1962, in Japan, pas aan de start. De Grand Prix van Japan telde in 1962 nog niet mee voor het wereldkampioenschap, maar werd georganiseerd om de opening van de Suzuka International Racing Course te vieren.
1963: Yamaha RD 56, TD 1 en TD 1 A In het voorjaar van 1963 was de RD 56 klaar voor een eerste confrontatie met de concurrentie, die echter alleen nog maar van de Honda RC 163 viercilinder kwam. De hele wegrace was toen nog vrijwel uitsluitend een aangelegenheid voor viertaktmotoren. Yamaha stuurde Fumio Ito, Hiroshi Hasegawa en Yoshikazu Sunako naar drie Grands Prix: de TT van Man, de TT van Assen en de Belgische Grand Prix in Spa-Francorchamps. Honda had al te maken gehad met Tarquinio Provini, die met zijn Moto Morini de eerste twee wedstrijden gewonnen had. In Man en Assen won Jim Redman met de Honda RC 163 viercilinder, maar Ito werd in beide wedstrijden tweede. Hij won zelfs de Belgische Grand Prix en Sunako werd daar tweede. Gelukkig voor Honda werden de Yamaha's daarna teruggeroepen en Redman kon ternauwernood de titel veiligstellen met slechts twee punten voorsprong op Provini. In de Japanse GP was Yamaha opeens weer terug, dit keer met Phil Read als rijder. Read had tijd omdat zijn werk bij Scuderia Duke Gilera erop zat. Redman won de race vóór de Yamaha-coureurs Ito en Read en Provini werd slechts vierde. Daardoor was de wereldtitel voor Redman, met Provini op de tweede plaats en Ito op de derde.
RD 56 De RD 56 had aanvankelijk een boring-slagverhouding van 54 x 54 mm, maar later viel men terug op de oorspronkelijke 56 x 50,7 mm van de laatste RD 48. Gedurende de jaren dat de machine werd ingezet werd het vermogen steeds groter. Uiteindelijk bedroeg het ca. 55 pk. Er waren nu twee Mikuni 34 mm carburateurs gebruikt. Vergeleken met andere merken had de machine vrij kleine koelribben, maar de koeling werd geholpen omdat er ook koelribben op het carter zaten. De mengsmering werd aangevuld met een olietank en oliepomp voor de smering. De oliepomp zat op de versnellingsbak en werd door de primaire tandwielen aangedreven.
TD 1 en TD 1 A In 1963 kwam Yamaha voor het eerst met 250 cc productieracers op de markt. Ze waren afgeleid van de standaard Yamaha YDS 2. Technisch waren beide modellen identiek: het waren luchtgekoelde, zuigergestuurde tweecilinder tweetakten met een boring-slagverhouding van 56 x 50 mm, waardoor de cilinderinhoud 246,3 cc bedroeg. Ze hadden een dubbel wiegframe dat verstevigd was om het extra vermogen aan te kunnen. De TD 1 was "streetlegal", met een luchtfilter en verlichting en leverde ongeveer 32 pk. De TD 1 A was een kant en klare racer, zonder luchtfilter en verlichting en met 27 mm carburateurs. Deze machine leverde 35 pk. Bijzonder was de toerenteller, die geen cijfers bevatte maar een alfabetische aanduiding met de letters A t/m G. De koppeling, die op de krukas was gemonteerd, was een zwak punt van deze racer.
1964: Yamaha RD 56 en TD 1 A In 1964 sloeg Yamaha hard toe. Phil Read was nu fabrieksrijder voor Yamaha in de 250cc-klasse maar startte soms ook in andere klassen. Yamaha huurde ook Mike Duff in en ook Tommy Robb ging na zijn ontslag bij Honda gedurende het seizoen naar Yamaha. In het begin van het seizoen werden de meeste races gewonnen door de Honda van Jim Redman, maar Phil Read won vanaf de Duitse GP vier races op rij. Mike Duff pakte in de laatste races belangrijke punten af van Redman, en uiteindelijk eindigde Read als wereldkampioen.
1965: Yamaha RD 56, RD 05, TD 1 en TD 1 B In 1965 was de overmacht van Yamaha nog veel groter: Read won de eerste vier races. Redman werd gehinderd doordat hij in het seizoen tot twee keer toe een sleutelbeen brak, en Honda had geen tweede coureur die zijn taak kon overnemen. Bij Yamaha wachtte men op het verschijnen van de viercilinder RD 05, maar die kwam pas aan de start in Monza, toen de wereldtitel voor Read al zeker was. Voor Yamaha was het een zeer succesvol seizoen: Phil Read werd wereldkampioen en Mike Duff werd tweede.
RD 05 In juli 1965 werden tussen de Grand Prix van België en die van de DDR tests uitgevoerd op het Snetterton Motor Racing Circuit. Phil Read en Mike Duff reden er met lucht- en watergekoelde 250 cc viercilinders, terwijl soms ook enkele ronden met de tweecilinder RD 56 gereden werden om als referentie te dienen. De luchtgekoelde versie werd al snel afgewezen, men testte vooral de watergekoelde viercilinder. Yamaha had een aantal redenen om voor tests in het Verenigd Koninkrijk te kiezen. Op de eerste plaats had men geen eigen testbaan, en de Suzuka International Racing Course was eigendom van Honda. Bovendien was het makkelijker om de coureurs in Europa te laten blijven, in plaats van ze op en neer naar Japan te laten vliegen. Men had wel te maken met het "Britse weer". Daardoor kon men niet op volle snelheid testen, en bovendien vereiste de hoog gebouwde RD 05 een aangepaste rijstijl. De machine was zo hoog om voldoende grondspeling te garanderen voor de uitlaten en de carburateurs, die vanwege de roterende inlaten aan de zijkanten zaten. Na de Grand Prix van Monza in 1965 duurde het bijna twee maanden tot de Grand Prix van Japan zou worden gereden, en zoals gebruikelijk planden de coureurs enkele nationale races in Engeland. Ze moesten echter met spoed naar Japan om nieuwe tests met de RD 05 te doen. Men had ontdekt dat de motor inhield bij hard remmen, wat niet eerder was ontdekt door het natte weer in Snetterton en Monza. Doordat er veel machines beschikbaar waren kon men veel testen; elke stukgedraaide motor werd onmiddellijk vervangen. Tijdens een van deze tests viel Mike Duff waardoor hij een heup brak en zes maanden was uitgeschakeld.
Yamaha had al waterkoeling toegepast op de 125 cc tweecilinder RA 97. De RD 05 was eigenlijk opgebouwd uit twee van deze twins, die onder een hoek van 70° boven elkaar waren gebouwd. Er waren vier afzonderlijke krukastandwielen, die door een centraal tandwiel werden samengevoegd. Hoewel de motor nog steeds mengsmering had, werden de krukaslagers door een pomp verzorgd met extra olie uit de olietank. Het aantal versnellingen was in het begin nog onzeker, zeven of acht, en ook het vermogen werd nog geschat, 60 à 65 pk.
1966: Yamaha RD 05 en TD 1 B De RD 05 kende in zijn debuutjaar de nodige problemen. De wegligging was niet optimaal, de verbindingstandwielen van de krukassen gingen soms stuk en de machine was ook veel te zwaar. Bovendien had Honda Mike Hailwood ingehuurd. Die won alle races waarin hij met zijn Honda RC 166 aan de start kwam. Read werd kansloos tweede in het wereldkampioenschap en Mike Duff, die nog met de "oude" RD 56 had gereden, werd negende.
TD 1 B