thumb|Hesperosaurus mjosi
Hesperosaurus mjosi is een plantenetende ornithischische dinosauriër, behorend tot de Stegosauria, die tijdens het late Jura leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.
Vondst en naamgeving In juni 1985 vond Patrick McSherry op de ranch van S.B. Smith in Johnson County, Wyoming, het skelet van een stegosauriër. Omdat de rots te hard was voor hem om te bewerken haalde hij Ronald G. Mjos van het commerciële Western Paleontological Laboratories Inc. erbij met diens zakenpartner Jeff Parker. Die kregen weer assistentie van de paleontoloog Dee Hall van de Brigham Young University. In eerste instantie werd het aangezien voor een exemplaar van Stegosaurus. Enkele jaren later werd het preparateur Clifford Miles duidelijk dat het om een nog onbekende soort ging.
In 2001 werd de typesoort Hesperosaurus mjosi benoemd en beschreven door Kenneth Carpenter, Clifford Miles en Karen Cloward. De geslachtsnaam is afgeleid van het Oudgriekse ἕσπερος, hesperos, "westelijk", als verwijzing naar de westelijke vindplaats. De soortaanduiding eert Mjos.
Het holotype, HMNH 001 (later HMNS 14), is gevonden in een laag van de Windy Hill Member van onderste Morrisonformatie welke dateert uit het vroege Kimmeridgien, ongeveer 156 miljoen jaar oud. Het was in 2001 de oudste bekende Amerikaanse stegosauriër. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet met schedel. Bewaard zijn gebleven: een uit elkaar gevallen schedel, de achterste onderkaken, een tongbeen, dertien halswervels, dertien ruggenwervels, drie sacrale wervels, vierenveertig staartwervels, nekribben, ribben en chevrons, een linkerschouderblad, beide bekkenhelften, verbeende pezen en tien rugplaten. Het skelet lag gedeeltelijk in verband en is van een oud individu, met veel geheelde breuken. Het maakt deel uit van de collectie van het Japanse Hayashibara Museum of Natural History te Okayama. Het Denver Museum of Natural History heeft een door Mjos geschonken afgietsel, met als inventarisnummer DMNH 29431.
Van 1995 af zijn andere specimina aan de soort toegewezen, soms onder voorbehoud. In de Howe-Stephens Quarry in Big Horn County, Wyoming, genoemd naar de historische locatie van de Howe Ranch die nog door Barnum Brown geëxploiteerd was en de nieuwe grondeigenaar Press Stephens, werden in dat jaar door de Zwitser Hans Jacob Siber fossielen van stegosauriërs opgegraven. Het eerste was SMA 3074-FV01 (ook wel SMA M04), een gedeeltelijk skelet bijgenaamd "Moritz" in verwijzing naar Max und Moritz omdat eerder een sauropode skelet al "Max" genaamd was — later werd dit toegewezen aan Galeamopus. In september 1995 werd specimen SMA 0018 (ook wel abusievelijk met SMA M03 aangeduid) ontdekt, "Victoria", genoemd naar de overwinning die het team boekte omdat het ook de allosaurus Big Al Two gevonden had nadat men de oorspronkelijke Big Al als federaal eigendom had moeten afstaan. Het gaat om een erg volledig skelet met schedel dat ook huidafdrukken bewaart. Een derde specimen werd in 2002 gevonden: SMA 0092 (eerder SMA L02), "Lilly" genoemd naar de zusters Nicola en Rabea Lillich die als vrijwilligers aan de opgravingen deelnamen. Deze drie latere exemplaren maken deel uit van de collectie van het Zwitserse Sauriermuseum Aathal. Oorspronkelijk werden alleen "Moritz" en "Lilly" na 2001 als een cf. Hesperosaurus mjosi aangeduid nadat ze eerst als exemplaren van Stegosaurus waren gezien. In 2010 werd "Victoria" waarover het museum het oordeel opschortte, door Nicolai Christiansen aan Hesperosaurus mjosi toegewezen.
Carpenter ging sterk uit van het vooropgezette idee dat Hesperosaurus wegens zijn hoge leeftijd een zeer basale of "primitieve" stegosauriër zou zijn. In 2008 echter vond Susannah Maidment in een exacte analyse dat het dier juist een hoge positie in de stamboom had en samen met de Chinese Wuerhosaurus nauw verwant was aan Stegosaurus. Hierop voegde ze alle drie de geslachten samen onder de naam Stegosaurus, zodat Hesperosaurus mjosi een Stegosaurus mjosi werd. Dat was toen al erg ouderwets: omdat het begrip "geslacht" geen empirische inhoud heeft maar berust op een willekeurige, zonder gedefinieerde mate van verwantschap, samenvoeging van soorten is het in de paleontologie in toenemende mate de gewoonte geworden iedere soort maar een eigen geslacht te geven. Veel onderzoekers blijven daarom van "Hesperosaurus" spreken. Maidment zelf sloot zich hier in 2017 bij aan.
Een groot probleem is dat er geen omvattende beschrijving bestaat van al het mogelijke materiaal. Carpenter zag zijn eigen beschrijving uit 2001 als "voorlopig" en de Howe-Stephens Quarry-exemplaren zijn wel uitstekend gedocumenteerd en geïllustreerd maar grotendeels nog onbeschreven. Een dergelijke beschrijving is sinds 2010 in voorbereiding door de Portugese paleontoloog Octávio Mateus.
In 2015 werden nieuwe vondsten gemeld. Deze bestaan uit minstens vijf individuen waarvan de botten door elkaar zijn gevonden in de JRDI 5ES Quarry nabij Grass Range, Montana, en twee individuen gevonden in de Meilyn Quarry in Como Bluff, Wyoming. De schattingen over het aantal zijn gebaseerd op de gevonden bekkens. De vondsten zijn aan Hesperosaurus toegewezen op grond van het druppelvormig uiteinde van de doornuitsteeksels van de voorste staartwervels.
In 2018 werd een nieuw specimen beschreven, MOR 9728, in 2015 gevonden in de O'Hair Quarry in Montana. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet met een vrijwel complete schedel van een jongvolwassen individu.
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken
Hesperosaurus is een vrij grote stegosauriër. In 2010 schatte Gregory S. Paul de lichaamslengte op zesenhalve meter, het gewicht op drieënhalve ton. De gevonden exemplaren verschillen in lengte; zo is "Moritz" ongeveer 4,5 meter lang. thumb|left|Voorpoten van "Lilly"; de pijl wijst naar de deltopectorale kam van het opperarmbeen Carpenter gaf in 2001 een diagnose met een lange reeks onderscheidende eigenschappen. Die was echter gebaseerd op het uitgangspunt dat Hesperosaurus een erg basale soort was. Hierdoor werden grotendeels verschillen met de basale stegosauriër Huayangosaurus aangegeven. Gezien de in feite meer afgeleide positie, waren die niet in staat Hesperosaurus van zijn echte directe verwanten te onderscheiden. Eén eigenschap was duidelijk uniek: een gewelfd frontopariëtale, de voorkant van het schedeldak.
Peter Malcolm Galton gaf in 2004 vijf autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen: een breed beenplateau bij het bovenkaaksbeen; nekribben met verbrede onderste uiteinden; de doornuitsteeksels van de voorste staartwervels hebben in bovenaanzicht een druppelvormig profiel; in de rug bevinden zich verbeende pezen; de nekplaten zijn van voor naar achter lang en ovaal. Maidment kon daarvan in 2008 geen enkele als uniek bevestigen maar gaf drie andere autapomorfieën: het bezit van elf ruggenwervels; de vierde sacrale wervel is niet vergroeid met het heiligbeen; de rugplaten zijn van voor naar achter langer dan hoog. Maidment gaf daarnaast een lijst kenmerken waarin Hesperosaurus basaler zou zijn dan Stegosaurus armatus. In de atlas is de wervelboog zelfs bij volwassen exemplaren niet met het intercentrum vergroeid. Bij de achterste halswervels steken de achterste gewrichtsuitsteeksels niet in belangrijke mate naar boven uit. Bij de ruggenwervels is er geen opwaartse verlenging van de wervelbogen boven het niveau van het ruggenmergkanaal. Er zijn verbeende pezen op de achterste wervelkolom. De ribben zijn aan hun onderste uiteinden verbreed. De doornuitsteeksels van de staartwervels zijn niet gevorkt. Het onderste uiteinde van het schaambeen is verbreed.
Carpenter aanvaardde het onderbrengen van Hesperosaurus bij Stegosaurus niet. Hij wees er samen met Galton op dat het holotype van Stegosaurus armatus van erg slechte kwaliteit was, zonder duidelijke onderscheidende kenmerken. In de analyse van Maidment was de nauwe verwantschap tussen Hesperosaurus en Stegosaurus armatus het gevolg van het combineren in die laatste soort van het grootste deel van het bekende stegosauriërmateriaal uit Noord-Amerika waardoor zij erg variabel werd en dus de kans op overeenkomsten sterk toenam. Galton stelde voor om Stegosaurus armatus als een niet verder dan stegosauride te determineren nomen dubium te beschouwen en diende een verzoek in bij het ICZN om de als een aparte soort te beschouwen Stegosaurus stenops tot nieuwe typesoort van Stegosaurus te maken. Carpenter sloot zich daarbij aan en wees erop dat er tussen Hesperosaurus en Stegosaurus stenops meer en duidelijker verschillen waren. In 2010 gaf hij een verbeterde diagnose van Hesperosaurus die alleen bestond uit kenmerken waarin Hesperosaurus van Stegosaurus stenops afweek. De fenestra antorbitalis is groot in plaats van heel klein. Het bovenkaaksbeen is kort en hoog met een hoogte die de helft bedraagt van de lengte in plaats van een derde. Het basisfenoïde is kort in plaats van lang. Er zijn dertien halswervels in plaats van tien. Er zijn dertien ruggenwervels in plaats van zeventien. De middelste ruggenwervels hebben een basale vorm door een lage wervelboog, in plaats van een hoge. De nekribben hebben verbrede uiteinden. Bij de voorste staartwervels is de bovenkant van de doornuitsteeksels afgerond in plaats van gevorkt. De voorrand van het schouderblad is in het midden ingesprongen in plaats van evenwijdig te lopen aan de achterrand. Het voorblad van het darmbeen is sterk naar bezijden gericht in plaats van matig. Het achterblad van het darmbeen is knopvormig gezwollen aan het achterste uiteinde. Het uiteinde van de processus praepubicus is naar boven toe verbreed. De platen op de heup en de staartbasis zijn ovaal en laag in plaats van hoger en driehoekig.
Carpenter concludeerde dat Hesperosaurus een apart geslacht was waarbij hij beklemtoonde dat dit meer een "filosofisch" dan een wetenschappelijk vraagstuk was. Het onderscheid maken met Stegosaurus stenops verheldert de zaak maar ten dele omdat Galton, die overigens Hesperosaurus ook als een geldig genus zag, meerdere stegosaurussoorten als geldig erkende en Carpenter niet aangaf hoe het stegosauride materiaal nu precies gegroepeerd moest worden.
Maitland erkende in 2018 maar twee autapomorfieën: behalve de lage rugplaten het holle profiel van de onderkant van de draaier in zijaanzicht.
Skelet thumb|380px|Een skeletmodel van Hesperosaurus In het algemeen lijkt het skelet van Hesperosaurus sterk op dat van Stegosaurus armatus of Stegosaurus stenops. In de oorspronkelijke beschrijving door Carpenter uit 2001 is vooral de schedel verschillend. Die werd in stukken gevonden terwijl de snuitpunt ontbrak wat volop ruimte bood voor allerlei mogelijke interpretaties. Carpenter kwam tot een "basale" reconstructie waarbij het cranium kort was en bol, net als bij Huayangosaurus, een duidelijke tegenstelling met de zeer platte schedel van Stegosaurus stenops. In latere reconstructies echter kwam men voor Hesperosaurus tot een langwerpiger en plattere schedel, terwijl die van Stegosaurus boller bleek zodat het verschil maar zeer relatief was. Het bovenkaaksbeen van Hesperosaurus lijkt hoger, vooral achteraan en meer gedrongen. Dit weerspiegelt zich in een kleiner aantal maxillaire tanden: twintig tegen vierentwintig tot vijfentwintig bij Stegosaurus. Deze verschillen worden bevestigd door de Aathalexemplaren. Deze tonen ook dat de snuit erg spits is in zijaanzicht. Het vermeende afhangen van het achterhoofd en de grote fenestra antorbitalis lijken echter niet op werkelijkheid te berusten. Het basisfenoïde, de zone aan de onderkant van de hersenpan, is korter dan bij Stegosaurus stenops maar dit kenmerk wordt gedeeld door Stegosaurus ungulatus.