Max Friedrich "Fritz" Scheidegger was een Zwitsers motorcoureur. Met zijn bakkenist John Robinson werd hij wereldkampioen in de zijspanklasse in de seizoenen 1965 en 1966.

Privéleven Fritz Scheidegger was zoals de meeste van zijn mede-zijspancoureurs automonteur. Zijn leermeester Anton Weber steunde hem ook bij zijn eerste stappen in de grasbaanrace, heuvelklimwedstrijden en circuitraces.

Fritz Scheidegger vestigde zich in 1947 als motorhandelaar in Langenthal. In 1963 verkocht hij de zaak om naar Courtelary te verhuizen. Hij deed dat om zijn vrouw een plezier te doen. Zij was afkomstig uit de Jura en voelde zich in het vlakke Oberaargau niet thuis. In Courtelary begon Fritz een tankstation annex koffiebar. Hij had een zoon en een dochter die bij zijn overlijden in 1967 elf en twaalf jaar oud waren.

Racecarrière In 1950 debuteerde Fritz Scheidegger als grasbaanracer. Hij won zijn eerste grasbaanrace met een Norton in Belp, vlak bij Bern. Drie jaar later ging hij met zijspancombinaties racen, met zijn vrouwVolgens het "In memoriam" in het blad "Motor" van 1967 trad Scheidegger's echtgenote drie jaar lang als bakkeniste op, tot de kinderen geboren werden. als bakkeniste. Toen de kinderen geboren werden stopte zijn vrouw met racen en toen Fritz in 1957 in het wereldkampioenschap wegrace ging rijden moest zij ook de motorzaak beheren.

Toen hij meer interesse kreeg in de zijspansport ontmoette hij bij toeval Horst Burkhardt, die bakkenist bij Edgar Strub kon worden, maar niet gelukkig was met zijn beloning in de vorm van "kost en inwoning". Scheidegger en Burkhardt begonnen met de Norton deel te nemen aan grasbaanraces in de zijspanklasse, maar het doel was om uiteindelijk in de wegrace te kunnen aantreden.

Wereldkampioenschap wegrace 1957 In 1957 werd Fritz Scheidegger eerst nog Zwitsers kampioen in de grasbaanrace, door het zijspan van zijn Norton af te halen en in de 500 cc soloklasse te starten. Daarna kocht hij een BMW om in de zijspanrace aan te treden. Het lukte in dit seizoen aanvankelijk nog niet om een startplaats in de GP's te krijgen, behalve in de GP des Nations, die zoals altijd op Monza verreden werd. Met veertig aanmeldingen en slechts dertig startplaatsen leek het uitgesloten dat ze zelfs maar mochten kwalificeren, maar door tussenkomst van Florian Camathias en Hans Haldemann lukte dat toch. Ze kwalificeerden zich onder Oostenrijkse licentie (volgens de Italianen was het Zwitserse "quotum" al gevuld) als veertiende. In de race eindigden ze echter als vierde, en met deze drie punten in de laatste Grand Prix van het seizoen eindigden ze op de tiende plaats in het wereldkampioenschap.

1958 De punten in Monza garandeerden in elk geval meer startmogelijkheden in 1958, maar Scheidegger en Burkhardt beseften wel dat ze ook veel geluk hadden gehad. Hun BMW was eigenlijk niet sterk genoeg om goed te presteren, en in 1958 scoorden ze dan ook geen enkel WK-punt. De verre reis naar het eiland Man zat er ook nog niet in. Ze wonnen echter wel internationale wedstrijden, zoals de GP van Boedapest. In dit jaar begon Fritz Scheidegger ook na te denken over de oplossing van het nadeel dat hij ten opzichte van zijn collega-coureurs had: zijn lengte van 1,80 meter. Die zorgde voor extra luchtweerstand door de hoge zitpositie. Hij bedacht de "kneeler" en bij de constructie werd hij geholpen door Rudi Kurth, een gedurfde technicus die later zou gaan experimenteren met de tweetakt-buitenboordmotoren van Crescent, die hij in zijn eigen "CAT"-zijspancombinatie bouwde. Ze begonnen te werken aan de machine, maar voorlopig werd die nog niet ingezet.

1959 Ook zonder de Kneeler werd 1959 een goed jaar, eigenlijk voor het hele Zwitserse zijspancontingent. Scheidegger/Burkhardt wonnen de openingsrace, de GP van Frankrijk, vóór de latere wereldkampioenen Walter Schneider/Hans Strauß. Ze werden derde in de Sidecar TT en in de Grand Prix van België en eindigden als derde in het wereldkampioenschap. Hoe sterk de Zwitsers waren bleek uit de tweede plaats van Camathias en de vierde plaats van Edgar Strub.

1960 Na het terugtreden van Walter Schneider, het uiteenvallen van de combinatie Camathias/Cecco en het wisselvallige presteren van Helmut Fath in 1959 werden Scheidegger/Burkhardt tot de favorieten van 1960 gerekend. Fath was echter een begaafd sleutelaar en zijn BMW was in dit jaar vreselijk snel. Camathias won vier van de vijf GP's, Scheidegger/Burkhardt werden twee keer tweede, twee keer derde en slechts elfde in de Sidecar TT, die in dit jaar was verhuisd van de kortere Clypse Course naar de 60 km lange Mountain Course. Ze werden wel tweede in het wereldkampioenschap van 1961, in elk geval weer een verbetering ten opzichte van het jaar ervoor.

1961 In 1961 was de "kneeler" racerijp en hij werd dan ook ingezet. Helmut Fath en Alfred Wohlgemut wonnen de eerste race in Montjuïc Park, waar Scheidegger/Burkhardt tweede werden. Wohlgemut verloor op 30 april het leven tijdens de Eifelrennen, en Helmut Fath moest jaren herstellen van zijn verwondingen. De tweede race in Duitsland leverde voor Scheidegger weer een tweede plaats op, dit keer achter het duo Max Deubel/Emil Hörner, maar de overwinning in Frankrijk bracht hem aan de leiding in de tussenstand voor het WK. Deubel won echter ook op Man en in Assen, waar Scheidegger uitviel door een gebroken zijspanwiel. Voor deze race had hij van BMW wel een korte slag-fabrieksmotor gekregen. Scheidegger won in België, maar Max Deubel had aan de tweede plaats genoeg om zijn wereldtitel veilig te stellen. Scheidegger/Burkhardt werden opnieuw tweede. In de herfst van 1961 deelde BMW mee dat alleen Deubel/Hörner nog fabriekssteun zouden krijgen. Voor de fabriek was dat logisch: de motorfietsenafdeling verkeerde al jaren in zwaar weer en bovendien was fabriekssteun feitelijk helemaal niet nodig. Geen enkel ander merk kon in de zijspanklasse zelfs maar in de buurt van de BMW's van privérijders blijven. Fritz Scheidegger en Horst Burkhardt besloten hun racecarrière te beëindigen en zich te gaan wijden aan werk en gezin. Scheidegger had een motorzaak in Langenthal en Burkhardt wilde gaan studeren.

1962 Horst Burkhardt kreeg echter de vraag om ten minste voor één race in het zijspan van Florian Camathias plaats te nemen. Na de dood van Alfred Wohlgemut had die zich door het seizoen 1961 geworsteld met drie verschillende bakkenisten, en Burkhardt behoorde tot de top in de sport. Fritz Scheidegger kreeg het aanbod van Otto Kölle om met een korte slag BMW te gaan rijden en besloot dat te doen. Hij moest echter op zoek naar een andere bakkenist, de Brit John Robinson. Die vond hij echter pas toen er al drie GP's gereden waren en pas in Assen kwamen ze aan de start om meteen te winnen. Een tweede plaats in België en een derde plaats in Duitsland leverden genoeg punten op om derde te worden in het wereldkampioenschap.

1963 In 1963 ging Scheidegger verder met John Robinson. Horst Burkhardt, die uiteindelijk in dienst van Camathias was gebleven, had tijdens de Sidecar TT van 1962 een ernstig ongeluk gehad dat een einde aan zijn carrière maakte. Pas in de Sidecar TT van 1963 haalden Scheidegger/Robinson hun eerste podiumplaats. Ze werden tweede en dat gebeurde ook in Assen. Ze wonnen de laatste GP, in België, maar eindigden in het wereldkampioenschap op de derde plaats.

1964 In 1964 keerden de kansen voor Fritz Scheidegger. Tot dat moment was hij vooral verslagen door fabrieksmachines en de technische voorsprong van andere privérijders, zoals Helmut Fath en Florian Camathias, die in 1963 met een door Fath snel gemaakte BMW, de "Fath Camathias Special" tweede was geworden. In 1964 kreeg Ludwig Hahn een ongeluk dat een einde aan zijn carrière maakte en Scheidegger kon diens door Dieter Busch snel gemaakte BMW overnemen. Bovendien kwam Busch als monteur met de machine mee. Max Deubel werd echter opnieuw wereldkampioen, maar dankzij twee overwinningen, een tweede en een derde plaats werden Scheidegger/Robinson tweede in het wereldkampioenschap.

1965 De openingsrace van 1965 werd gereden op de Nürburgring in ijzig koude en natte omstandigheden. Daardoor waren er veel uitvallers, waaronder ook veel prominenten. Fritz Scheidegger/John Robinson wonnen de race, maar op de tweede plaats eindigde een (nog) onbekende coureur, Siegfried Schauzu met een simpele stoterstangen-BMW, waarschijnlijk een R 50/2. Arsenius Butscher en Wolfgang Kalauch werden derde. In Spanje wonnen Max Deubel en Emil Hörner, maar Scheidegger/Robinson deden het toch weer goed met een tweede plaats en Butscher/Kalauch werden weer derde. Florian Camathias had een nieuwe bakkenist, landgenoot Franz Ducret. Zij wonnen de Grand Prix van Frankrijk vóór Scheidegger/Robinson en Deubel/Hörner. Op het Eiland Man vochten Deubel en Scheidegger een hard gevecht uit. Scheidegger nam de leiding, maar Deubel nam die in de tweede ronde over en won met een voorsprong van 14 seconden. Nog vóór de race in Assen hadden twee rijders een klein gelukje: Scheidegger/Robinson en Harris/Campbell kregen de vraag of ze een rondje achter de camera-auto van de NTS wilden rijden. Daarbij ontdekte Harris een lekke voorband en Scheidegger had nog meer geluk: zijn linker zuiger brak en dat was hem anders tijdens de wedstrijd overkomen. Nu kon hij de wedstrijd winnen en (zoals iedereen dacht) zelfs de wereldtitel al veilig stellen. Scheidegger/Robinson dachten na Assen al wereldkampioen te zijn, maar de FIM had het reglement veranderd: bij een gelijk aantal punten telde men aanvankelijk een extra race, maar nu werd het aantal eerste-, tweede- en derde plaatsen geteld. Daardoor kon Deubel ook nog wereldkampioen worden in Spa-Francorchamps. Florian Camathias/Franz Ducret gingen aanvankelijk aan de leiding, maar zij vielen terug en er ontstond een fel gevecht tussen Scheidegger en Deubel dat door Scheidegger met 3 seconden voorsprong gewonnen werd. De eveneens natte race op Monza kwam enigszins als een verrassing: De organisatie had de zijspanklasse pas laat aan het programma toegevoegd en aanvankelijk werd gedacht dat deze race niet zou meetellen voor het wereldkampioenschap. Dat bleek toch zo te zijn, maar omdat Deubel maximaal op drie overwinningen kon komen had dit geen gevolgen voor de eerste drie plaatsen in het WK. Scheidegger/Robinson wonnen overtuigend. De wereldtitel was al zeker gesteld, en Deubel/Hörner werden tweede in het WK.

1966