De vroege Europese integratie was de periode van 1945 tot 1959 waarin de eerste stappen tot Europese integratie werden gezet en de eerste Europese instellingen werden opgericht. Het idee van een verenigd Europa ontstond in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog. In 1951 werd de eerste gemeenschap een feit, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Binnen aanzienlijke tijd volgden andere instituten. Het duurde tot 1957 voordat de lidstaten op het politieke en economische vlak gingen samenwerken toen met het Verdrag van Rome de Europese Economische Gemeenschap (EEG) werd opgericht.

Voorgeschiedenis

Van in de achttiende eeuw werden er plannen gemaakt voor vrede en meer samenwerking tussen Europese staten onderling, maar pas na de Tweede Wereldoorlog leidde dat effectief tot nieuwe instellingen.

Het "Duitse probleem" In de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) had het Europese continent grootschalig de nadelige gevolgen ondervonden van moderne oorlogsvoering en de toepassing van massavernietigingswapens en - systemen tegen mensen, waar de Holocaust het meest schrijnende voorbeeld van is. De economische en humanitaire kosten van de oorlog waren immens en het probleem van een mogelijke Duitse herbewapening speelde daarom een belangrijke rol in het vroege politieke beleid na de Tweede Wereldoorlog. De Verenigde Staten besloten het plan zoals uiteengezet in Germany Is Our Problem door Henry Morgenthau jr. als leidraad te gaan gebruiken voor het Duitslandbeleid. Het plan betekende ontmanteling van grote delen van de Duitse industrie. Voor de Amerikaanse bezettingszone gaf de Joint Chiefs of Staff-richtlijn JCS 1067 hier uitvoering aan.

Ook Frankrijk pleitte vlak na de Tweede Wereldoorlog, net als bij het einde van de Eerste Wereldoorlog, voor een militaire en economische verzwakking van Duitsland. Volgens het gaullistische beleid moest Duitsland permanent zwak en afhankelijk blijven en moesten de grensregio's worden bezet door andere soevereine Staten, om in en uitvoer te kunnen controleren. Ook de Fransen wilden de zware industrie in Duitsland ontmantelen, verder wilden ze het Ruhrgebied en het Rijnland bij Frankrijk trekken, met zijn steenkool- en ijzermijnen en staalindustrie, ook om te voorkomen dat de Duitsers weer een oorlogsindustrie op konden bouwen. Beide gebieden waren economisch sterk en vormden belangrijke krachtbronnen voor de oorlogsvoering. De Fransen wilden het Saarland verenigen met Lotharingen, een gebied dat de Duitsers in 1944 op Frankrijk hadden veroverd. In 1946 kwam het met de toestemming van de Verenigde Staten als het Protectoraat Saarland onder bestuur van Frankrijk.

Honger en Koude Oorlog Terwijl de andere Europese landen waren begonnen aan hun wederopbouw, bleef Duitsland sterk achter. Bij de Amerikanen was een verschuiving te zien doordat de coalitie met de Sovjet-Unie na de oorlog langzaam uiteenviel en er figuurlijk een ijzeren gordijn begon neer te dalen tussen het grondgebied dat binnen de invloedssfeer van de Sovjet-Unie viel en dat van de zogenaamde Westerse mogendheden. Op 6 september 1946 hield de Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken, James Byrnes, in Stuttgart een rede die bekend werd als speech of hope waarin hij aangaf dat er gewerkt zou moeten gaan worden aan economisch herstel van Duitsland. Oud-president Herbert Hoover pleitte ook voor een aanpassing van het beleid aangaande bezetting van de Duitse gebieden: Er heerst de illusie dat het overgebleven Nieuwe Duitsland, na alle annexaties, kan worden gereduceerd tot een 'pastorale staat'. Dit kan niet worden bewerkstelligd, tenzij we 25 miljoen mensen uitroeien of ze uit het gebied verwijderen.

De armoede en strenge winter droegen daarnaast bij aan de Hungerwinter van 1946/47. Het begin van de Koude Oorlog vanaf 1947 maakte het onwenselijk om vast te houden aan de strategie van een zwak Duitsland, en ook het grote Amerikaanse plan voor hulp aan Europa, het Marshallplan, was gebaseerd op een sterker wordend Duitsland. Het trage herstel van de Europese economie en de groeiende invloed van de Sovjet-Unie in Duitsland was aanleiding voor politieke bedachtzaamheid van de Verenigde Staten. De economie van Europa hing voor de oorlog voor een groot gedeelte af van de Duitse industrie. Door de Duitse bevolking bloot te stellen aan hongersnood en economische misère zou er steeds meer een voedingsbodem voor het communisme ontstaan, was de gedachte. De generaals George Marshall en Lucius Clay begonnen te lobbyen bij president Truman voor een verandering van het beleid. Generaal Clay vatte het bondig samen als volgt:

Er bestaat geen keuze tussen een communist zijn met 1500 calorieën per dag of een aanhanger van democratie met 1000 calorieën per dag.

In juli 1947 ontbond president Harry Truman richtlijn JCS 1067 op grond van nationale veiligheid. Deze richtlijn bepaalde dat de Amerikaanse troepen op Duitse bodem geen stappen mochten ondernemen tot de wederopbouw of de versterking van de Duitse economie. De richtlijn werd vervangen door richtlijn JCS 1779. Deze richtlijn schreef voor dat Europees herstel niet mogelijk zou zijn zonder de bijdrage van een stabiel en productief Duitsland. Het duurde twee maanden voordat Clay de critici aan zijn kant wist te krijgen voor JCS 1779. Op 10 juli 1947 werd de richtlijn officieel goedgekeurd gedurende een bijeenkomst van de SWNCC. De uiteindelijke versie bevatte nauwelijks nog onderdelen van het Morgenthau-plan.

Raad van Europa Net als bij het einde van de Eerste Wereldoorlog in 1918, toen de Volkenbond werd opgericht, ontstond er een wens onder Europese leiders tot samenwerking. Deze samenwerking moest voorkomen dat een zo vernietigende oorlog opnieuw zou kunnen gebeuren. Het feit dat de wereld de beschikking had gekregen over nucleaire wapens en dat Europa het middelpunt was geworden in de strijd tussen twee ideologieën versterkten de wens om samen te werken in Europa.

In 1946 hield de voormalige Britse minister-president Winston Churchill een college aan de Universiteit Zürich met als onderwerp de Tragedie van Europa. Churchill pleitte hierin voor een Verenigde Staten van Europa. Volgens Churchill was de eerste stap de oprichting van de Raad van Europa. In 1948 werd in Den Haag het Congres van Europa gehouden. Voor het eerst sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog bevonden alle politici die zich in een Europees samenwerkingsverband wilden verenigen, onder één dak. Tijdens het Congres overlegde men over de formatie van een Raad van Europa. Dat mondde uit in een gezamenlijke overeenkomst die in 1949 door de deelnemende partijen werd ondertekend: het Verdrag van Londen, waarmee de Raad van Europa officieel werd opgericht. Naast de oprichting van de Raad werden ook de Europese Beweging en het College van Europa opgericht. Gedurende het congres tekende zich echter wel een scheiding van de belangen en meningen af. Aan de ene kant bevonden zich staten die weigerden soevereiniteit in te leveren, als nationalisten bestempeld, en aan de andere kant bevonden zich staten die een federaal Europa prefereren, de federalisten. Deze scheiding kwam tot uitdrukking bij de oprichting van de Raad van Europa. Deze raad werd ontworpen met twee bestuurlijke organen. De ene instelling bestond uit afgevaardigden namens de regeringen en de andere uit nationale leden van de parlementen. Beide instellingen werden gevestigd in Straatsburg. De Raad is verantwoordelijk voor de democratie en de mensenrechten in de lidstaten.

Militaire samenwerking Het Verdrag van Brussel werd getekend in 1948 als reactie op de start van de Koude Oorlog. Het was een uitbreiding van het Verdrag van Duinkerke (1947), dat een militair pact tussen Frankrijk en het Verenigde Koninkrijk was. Beide landen hadden zowel in de Eerste als Tweede Wereldoorlog al samengewerkt in de productie, aankoop en distributie van oorlogsgoederen.Hier speelde onder meer de Franse zakenman en bankier Jean Monnet, vice secretaris-generaal van de Volkenbond, strategisch regeringsadviseur en sterk bepleiter van Europese economische samenwerking, een belangrijke rol Door de communistische overname via de Praagse Coup in 1948 in Tsjecho-Slowakije waren de partijen bezorgd over de dreiging van de Sovjet-Unie. Het nieuwe verdrag voegde de Benelux-landen toe aan het militaire pact en moest naast militaire samenwerken ook economische, sociale en culture samenwerking promoten. Deze rol werd echter al snel overgenomen door andere organisaties. In 1954 zou het verdrag worden aangepast met het Verdrag van Parijs. Dit verdrag leidde tot de oprichting van de West-Europese Unie. Deze unie was verantwoordelijk voor defensie in de aangesloten lidstaten en zou enkele decennia later opgaan in de Europese Unie. De lidstaten kwamen echter tot het besef dat het verdrag van Brussel niet genoeg was om de dreiging van de Sovjet-Unie te bezweren. De blokkade van Berlijn tussen 1948 en 1949 leidde tot de oprichting van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO). Naast de deelnemers aan het Verdrag van Brussel werd het oprichtingsdocument ook ondertekend door Denemarken, IJsland, Italië, Noorwegen, Portugal, Canada en Verenigde Staten. De militaire samenwerking werd sterker nadat de eerste atoombom van de Sovjet-Unie werd getest. Het begin van de Korea-oorlog in 1950 leidde tot de wens om de Bondsrepubliek Duitsland bij de NAVO te betrekken.

In hetzelfde jaar waarin het Verdrag van Brussel werd ondertekend, presenteerde Zweden plannen voor de oprichting van de Scandinavische Defensie Unie. De voorstellen waren een samenwerkingsverband tussen Denemarken, Noorwegen, Finland en Zweden. De unie beloofde zich neutraal te zullen opstellen tegenover de voorgestelde NAVO. Onder druk van de Verenigde Staten besloten Noorwegen en Denemarken echter alsnog deel te nemen aan de NAVO. Met deze deelnames waren de plannen voor een militaire unie in Scandinavië van de baan. Ondanks het falen van de militaire samenwerking werd de Noordse Raad opgericht, die zijn eerste vergadering hield in 1953. Eenzelfde economische samenwerking ontstond tussen Nederland, België en Luxemburg in de vorm van de Benelux Douane-Unie. Tijdens hun ballingschap gedurende de Tweede Wereldoorlog hadden de regeringen een verdrag ondertekend tot de oprichting van de douane-unie. De oprichting leidde tot een monetaire overeenstemming, die de valuta's van de landen ten opzichte van elkaar vaststelde. De douane-unie van de Benelux kan worden gezien als een voorloper van de latere Europese Economische Gemeenschap.

Controle over industrie kolen en staal thumb|De landen die deelnamen bij de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal Tijdens de Zesmogendhedenconferentie in 1948 werd besloten tot de oprichting van West-Duitsland en op voorstel van Frankrijk tot de oprichting van het internationaal Gezagsorgaan voor de Ruhr. Dit gezagsorgaan zou toezicht moeten gaan houden op de Duitse delving, productie en distributie van kolen, ijzererts en staal. In Duitsland stond met hier huiverig tegenover, het vooraanstaande weekblad Der Zeit schreef in januari 1949 op de voorpagina, dat via controle over de grondstoffen kolen en ijzererts feitelijk de hele economie van het land gestuurd kon worden. Tegelijkertijd zag men echter ook dat het een kiemcel kon zijn voor een nieuw ontwerp voor europese economische samenwerking.Die Zeit, 6 januari 1949, Marion Gräfin Dönhoff (Das Ruhrstatut In: Die Zeit, Nr. 1/1949, voorpagina).

In november 1949 stemde de nieuwe Duitse regering onder kanselier Konrad Adenauer in met het gezagsorgaan en sloot het Akkoord van Petersberg af. Daar stond tegenover dat er een einde kwam aan de ontmanteling van de industrie. Tussen 1949 en 1951 werden alleen nog kleine bedrijven ontmanteld.