Marie François Maurice Emmanuel (Bar-sur-Aube, 2 mei 1862 - Parijs, 14 december 1938) was een Frans componist van klassieke muziek en musicoloog.
Levensloop Hij kreeg aan het Conservatoire de Paris les van onder meer Théodore Dubois (harmonieleer), (muziekgeschiedenis) en Léo Delibes (compositie). Zijn theorieën over modaliteit, die hij later in zijn composities zou verwerken, vielen niet in goede aarde bij Delibes, die hem belette mee te dingen naar de Prix de Rome. Daarom stapte hij over naar de lessen van Ernest Guiraud, waardoor hij Claude Debussy goed leerde kennen, die ook aan het Conservatoire studeerde.
Emmanuel studeerde ondertussen ook aan de Sorbonne, waar hij in 1886 afstudeerde in de letteren. In 1896 verdedigde hij er zijn doctoraatsthesis over l'Orchestique grecque en l'éducation du danseur grec.
Hij was een aantal jaren leraar geschiedenis aan een meisjesschool en van 1904 tot 1907 was hij kapelmeester van de Basilique Sainte-Clotide, waar Charles Tournemire de organist-titularis was.
Van 1909 tot 1936 was hij, als opvolger van Bourgault-Ducoudray, docent in de muziekgeschiedenis aan het Conservatoire. Tot zijn studenten behoorden Olivier Messiaen, Henri Dutilleux, Georges Migot, Yvonne Lefébure en Robert Casadesus.
Componist Als componist behoorde Emmanuel niet tot een groep of stroming, maar ging hij zijn eigen weg. Wel was hij, net als Paul Dukas en Jean Roger-Ducasse, een Franse componist vol zelftwijfel die een groot deel van zijn compositorisch oeuvre vernietigde. Hij publiceerde een vrij bescheiden oeuvre met een verfijnde, transparante expressie, dat weinig bekend werd. Het omvat pianowerken waaronder zes sonatines, vocale muziek en kamermuziek. Er bestaan weinig opnamen van zijn muziek, maar de cellosonate op. 2, het strijkkwartet op. 8 en het trio op. 11 hebben de aandacht getrokken.
Tot zijn orkestrale muziek behoren een Ouverture pour un conte gai (1890) en twee symfonieën (nr. 1, opgedragen aan Gabriel Pierné in 1919 en nr. 2 "Bretonne" in 1931). Een derde symfonie, waaraan hij in 1938 bezig was, bleef onvoltooid. Zijn laatste werk, het symfonisch gedicht Le poème du Rhône (1938), werd georkestreerd door , die bij hem gestudeerd had.
Voor muziektheater schreef hij onder meer Pierrot-peintre (1886), pantomime op een libretto van , en twee tragische opera's naar Aeschylus: Prométhée enchaîné (1916-18) naar Prometheus geboeid en Salamine, naar Perzen en opgevoerd in de Parijse Opéra in 1929.
Opuslijst thumb|XXX chansons bourguinonnes du Pays de Beaune (opus 15) thumb|Proloog van Prométhée enchaîné (opus 16) thumb|Proloog Prométhée enchaîné, eerste bladzijde van de partituur 1886 (opus 1), Pierrot peintre, pantomime in 2 taferelen, libretto van Maurice Emmanuel & Félix Régamey, voor alt, mezzosopraan, verteller en orkest. 1887 (opus 2), Sonate voor cello en piano 1890 (opus 3), Ouverture pour un conte gai naar P. Bergon & E. Meurant, voor orkest 1893 (opus 4), Sonatine n° 1 "Bourguignonne" 1897 (opus 5), Sonatine n° 2 "Pastorale" 1902 (opus 6), Sonate in d-mineur voor viool en piano 1902 (opus 7), Zingaresca, fantasie voor 2 piccolo's, 2 piano's, pauk en strijkers 1903 (opus 8), Strijkkwartet in Bes-majeur 1905 (opus 9), O filii voor solozang en koor 1907 (opus 10), Suite sur des airs populaires grecs voor viool en piano 1907 (opus 11), Sonate en trio voor fluit, klarinet en piano 1908 (opus 12 n° 1), In memoriam (René Vallery-Radot) voor solozang, viool, cello en piano 1908 (opus 12 n° 2), Musiques, 12 liederen op teksten van Louis de Launay : «Crépuscules et nocturnes», voor solozang en piano [later gepubliceerd als opus 17] 1911 (opus 13), 3 odelettes anacréontiques op teksten van Rémy Belleau en Pierre de Ronsard voor solozang, fluit en piano 1882-1911 (opus 14), 3 Pièces voor orgel en harmonium 1913 (opus 15), 30 chansons bourguignonnes du pays de Beaune naar volksliederen verzameld door Charles Bigarne, A. Bourgeois & C. Masson, voor solozang en piano 1916-1918 (opus 16), Prométhée enchaîné, opera in 3 bedrijven, libretto van M. Emmanuel naar Aeschylos 1908 (opus 17), Musiques [zie opus 12 n° 2] 1919 (opus 18), Symphonie n° 1 in A-majeur 1920 (opus 19), Sonatine n° 3 voor piano, 1920 1920 (opus 20), Sonatine n° 4 "sur des modes hindous" voor piano 1921-1923 (opus 21) Salamine , opera in 3 bedrijven naar Aechylos, herzien in 1927 1925 (opus 22), Sonatine n° 5 "alla francese" voor piano, 1925 [zie ook opus 26] 1925 (opus 23), Sonatine n° 6 voor piano, 1925 1926 (opus 24), Vocalise voor alt, bariton en klarinet 1930-1931 (opus 25), Symphonie n° 2 "Bretonne" in A-majeur 1934-1935 (opus 26), Suite française voor orkest [orkestratie van opus 22] 1935 (opus 27), 2 chansons populaires, voor solozang, piano en cello 1936 (opus 28), Amphitryon, toneelmuziek bij Amphitruo (Plautus), vertaling Alfred Ernout 1936 (opus 29), Sonate in Bes-groot voor kornet of bugel en piano 1938 (opus 30), Le poème du Rhône, symfonisch gedicht naar Frédéric Mistral, [orkestratie door Marguerite Béclard d'Harcourt]
Musicologisch werk Emmanuel schreef onder meer: Essai sur l'orchestique grecque : étude de ses mouvements d'après les monuments figurés (1895) La danse grecque antique d'après les monuments figurés (1896) Histoire de la langue musicale (1911, tweedelig) Traité de l'accompagnement modal des psaumes (1913) Etude sur Pelléas (1926), over Pelléas et Melisande van Claude Debussy César Franck (1930) Antonin Reicha (1937) Emmanuel werkte mee aan de door Camille Saint-Saëns, Charles Bordes en Vincent d'Indy tot stand gebrachte kritische uitgave van de werken van Jean-Philippe Rameau. Hij voerde de muziekwetenschappelijke redactie over de laatste twee delen XVII en XVIII.
Externe links
Le Figaro, Jeudi 15 décembre 1938, blz. 9: Robert Brussel, "Maurice Emmanuel est mort". musicologie.org: Emmanuel Maurice Discografie Maurice Emmanuel op Discogs
Categorie:Frans componist Categorie:Frans musicoloog Categorie:19e-eeuws componist Categorie:20e-eeuws componist