miniatuur|Vervolgpaden Grootoosten der Nederlanden|260x260px De Orde van Vrijmetselaren onder het Hoofdkapittel der Hoge Graden in Nederland (kortweg: de Orde der Hoge Graden) is een Nederlandse obediëntie, oftewel een koepel van vrijmetselaarsloges, die is opgericht in 1803. De loges worden binnen de Orde aangeduid als kapittels. Het lidmaatschap van een kapittel is het oudste vervolgpad voor vrijmetselaren in Nederland vanuit de symbolieke – of 'blauwe' – loges van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden, waar de basisgraden van leerling, gezel en meester worden verleend.

Ritus en graden De Orde der Hoge Graden werkt in de hogere graden van de Moderne of Franse Ritus. Deze ritus is daadwerkelijk afkomstig uit Frankrijk, maar heeft ook wortels in Engeland en Schotland. De ritus bestaat uit zeven graden, de eerste drie hiervan worden in Nederland verleend als basisgraad in een symbolieke loge. De hogere graden binnen de ritus zijn vervolgens:

de 4e graad: Élu, Uitverkoren meester de 5e graad: Écossais, Schots meester of Ridder van St. Andries de 6e graad: Chevalier d'Orient, Ridder van het Oosten of Ridder van de Degen de 7e graad: Soeverein Prins van het Rozenkruis Sinds 1854 wordt binnen de Orde der Hoge Graden alleen nog in de zevende graad gewerkt, de andere drie graden zijn buiten gebruik gesteld. De zevende graad wordt ook wel 'Liefdesgraad' genoemd; binnen de Orde is het leidende begrip dat van de allesomvattende Liefde; de Liefde van mens tot mens en de ervaring van de eenheid van alles wat ons omringt. Het christelijke karakter van de oorspronkelijke ritus werd vanaf het begin van de twintigste eeuw sterk terug gebracht.

De Orde der Hoge Graden was lange tijd een typisch Nederlands vervolgpad, maar in Frankrijk is het gebruik van de hogere graden van de Franse Ritus vanaf de jaren '60 van de twintigste eeuw ook weer opgebloeid. Onder auspiciën van het Grand Orient de France wordt er in kapittels gewerkt in de Ordres de Sagesse (Graden van Wijsheid). Van hieruit zijn kapittels ontstaan in onder meer Spanje, Italië, Portugal, Brazilië en België.

Ondanks de overeenkomst in naam is er geen relatie tussen de graad van Soeverein Prins van het Rozenkruis en de Rozenkruisers. Deze laatste, een spirituele stroming die stamt uit de zeventiende eeuw, heeft wel enige interactie met de vrijmetselarij, bijvoorbeeld via de Societas Rosicruciana in Anglia, maar staat verder geheel op zich zelf. Er is geen bewijs voor een gemeenschappelijke oorsprong.

Structuur Leden van een kapittel zijn automatisch ook lid van de Orde. Om lid te kunnen worden van een kapittel moet men minstens één jaar meester vrijmetselaar zijn.

De kapittels zijn verenigd onder het Hoofdkapittel, van waaruit de Orde der Hoge Graden bestuurd wordt door het Opperbestuur. Het Opperbestuur wordt – in afspiegeling van de structuur van een kapittel – voorgezeten door de Grootmeester, welke wordt bijgestaan door onder meer een Grootkanselier (secretaris) en een Grootthesaurier (penningmeester), de zogeheten grootofficieren. In Suriname, op Curaçao en op Aruba zijn Gedeputeerd Grootmeesters aangesteld.

Een kapittel wordt voorgezeten door een Voorzittend Meester, welke wordt bijgestaan door een kanselier (secretaris), thesaurier (penningmeester) en een aantal meer ceremoniële functionarissen, ook wel officieren genaamd.

Kapittels

Actieve kapittels miniatuur| Historisch schootsvel Rozekruisgraad. Collectie Vrijmetselarijmuseum. Anno 2026 zijn er drieëndertig kapittels actief binnen de Orde, waarvan negenentwintig in Nederland, twee in Suriname, een op Aruba en een op Curaçao.

NrNaamDatum van constitutie/oprichtingZetel1La Bien Aimee (*)26-12-1755Amsterdam2L'Union Royale (*)04-02-1779, waarschijnlijk ouderDen Haag3Concordia Vincit Animos (*)14-04-1755Amsterdam4De Gelderse Broederschap31-05-1789. Heropgericht 05-06-1841Arnhem5Willem Frederik04-04-1833Amsterdam6Ultrajectina23-05-1833Utrecht7La Flamboyante10-06-1854Dordrecht8Le Profond Silence (*)20-07-1777. Heropgericht 19-06-1865Deventer10L'Union Provinciale (*)20-07-1777Groningen11Vicit Vim Virtus03-06-1805. Heropgericht 10-03-1924Haarlem12Gooi en Eemland21-06-1924Hilversum14De Delta09-06-1928Leiden16De Eendracht (*)09-04-1785. Heropgericht 13-10-1953Rotterdam17Concordia12-06-1954Breda18De Rode Roos20-09-1958Den Haag19Silentio et Fide19-10-1958Den Haag20De Phoenix30-09-1961Utrecht21Agapè16-12-1961Bussum22La Charité (*)1755. Heropgericht 22-09-1962Amsterdam23De Pelikaan25-01-1964Apeldoorn25Fides Frisia06-11-1965Leeuwarden26De Markerroos17-12-1966Enschede27Rosa Rubra12-09-1970Bilthoven28D’Eglantier11-09-1971Maastricht30Het Lichtend Kruis29-11-1975Alkmaar32Het Zuiderkruis14-02-1979Terneuzen33De Eenhoorn29-03-1980Eindhoven35De Gelderse Roos04-11-1989Wageningen36Het Rozekruis03-11-2012KampenB1De Vergenoeging13-02-1869WillemstadB2El Sol Naciente18-01-1959OranjestadB3Concordia Creat Felicitatem28-10-1967ParamariboB4Faja Lobi03-11-1975Paramaribo (*) 'kapittel fondateur', ondertekenaar van de akte van oprichting van het Hoofdkapittel der Hoge Graden op 15 oktober 1803.

Inactieve kapittels Enkele kapittels zijn in de loop van de tijd opgeheven. NrNaamDatum van constitutie/oprichtingZetel9De Vriendschap1921Den Haag13Noord-Holland30-11-1925Zaandam15Silentium1813. Heropgericht 07-06-1930Delft24Erasmus31-10-1964Rotterdam29Via Lucis12-10-1974Rotterdam31Kennemerroos13-03-1976Haarlem Het Engelstalige kapittel nr. 34 'Thistle and Rose', geconstitueerd 30-11-1985 te Rotterdam, is in 1991 overgegaan naar de Opperraad van de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus.

Geschiedenis van de Hoge Graden

De achttiende eeuw miniatuur|Snuifdoos (ca. 1780) met symbolen Schotse Graden. Collectie Vrijmetselarijmuseum Nadat in 1734 in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden de eerste vrijmetselaarsloge in Nederland werd opgericht, werd al vrij snel daarna ook in de hogere graden gewerkt. Ten tijde van de oprichting van de Grootloge – de voorloper van het huidige Grootoosten der Nederlanden – in 1756 bezat een meerderheid van de Nederlandse vrijmetselaars een hogere graad dan de meestergraad. Deze hogere graden werden binnen de bestaande loges verstrekt volgens de Franse Ritus. De betreffende graden werden Schotse graden genoemd, een verwijzing naar de oorsprong van de ritus.

De Grootloge was in eerste instantie erg terughoudend met het erkennen van de Schotse graden, omdat zij zelf erkenning nastreefde vanuit de Engelse grootloge, welke hier zeer tegen gekant was. In 1757 werd daarom bepaald dat loges die ook 'Schots werkten' daartoe afzonderlijke Schotse loges moesten vormen, die buiten de verantwoordelijkheid van de Grootloge vielen. De Schotse loges hadden echter veelal dezelfde naam en dezelfde officieren als de bijbehorende moederloge.

Er waren aanzienlijke verschillen qua werkwijze tussen de verschillende Schotse loges onderling. In 1776 werd getracht hier verandering in te brengen, en werd een 'Groote Schotsche Loge' geformeerd. Carel baron van Boetzelaer, reeds Grootmeester Nationaal van de symbolieke graden, werd ook tot Grootmeester Nationaal van de Groote Schotsche Loge benoemd. De invloed van deze Groote Schotsche Loge nam na de oprichting echter snel af, en op de laatste bijeenkomst in 1786 waren nog slechts drie Schotse loges vertegenwoordigd.

De negentiende eeuw De overgang van de achttiende naar de negentiende eeuw ging in de Nederlanden gepaard met grote veranderingen. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd ingelijfd door Frankrijk onder leiding van Napoleon Bonaparte en getransformeerd in een vazalstaat. Gedurende deze zogenaamde Franse Tijd (1794-1814) werd een nieuwe poging gedaan om tot meer eenheid te komen tussen de Schotse loges. Deze werden nu kapittels genoemd, en op initiatief van het Rotterdamse kapittel 'De Eendragt' werd een commissie opgericht om te onderzoeken wat de mogelijkheden voor onderlinge samenwerking waren.

De werkzaamheden van deze commissie leidden er toe dat op 7 juni 1802 Mr. Isaac van Teylingen, Grootmeester Nationaal van de symbolieke graden, ook benoemd werd tot 'Grootmeester Nationaal van de Oppergraden'. Op 15 oktober 1803 vond vervolgens de oprichtingsvergadering van het 'Hoofdkapittel der Oppergraden' plaats. De oprichtingsakte hiervan werd daarbij door een vijftiental kapittels onderschreven, de zogeheten 'kapittels fondateur'. Dit verenigde de Nederlandse kapittels onder één bestuur.miniatuur|243x243px|Prins Frederik der Nederlanden als Grootmeester. 1817 (Anoniem, collectie Rijksmuseum) Na de Franse Tijd ontstond het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, met de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden verenigd onder koning Willem I, de zoon van stadhouder Willem V. Op de bijeenkomst van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden van 2 juni 1816 werd besloten om de positie van Grootmeester Nationaal van de symbolieke graden aan te bieden aan prins Frederik, de tweede zoon van koning Willem I. De volgende dag gebeurde hetzelfde op de bijeenkomst van het Hoofdkapittel der Oppergraden. De prins accepteerde, en op 13 oktober 1816 werd hij geïnstalleerd als Grootmeester Nationaal van de symbolieke graden, voor zowel de Noordelijke als de Zuidelijke Nederlanden. Op 15 december 1817 werd hij eveneens als Grootmeester Nationaal van de Oppergraden geïnstalleerd.

Begin negentiende eeuw werden in de Zuidelijke Nederlanden de symbolieke graden en de hogere graden van de Franse ritus veelal in dezelfde loge verleend, analoog aan de eerdere situatie in de Noordelijke Nederlanden. Doordat de ritualen in het noorden en het zuiden van elkaar verschilden werd prins Frederik in 1817 eerst in Brussel en daarna nogmaals in Amsterdam ingewijd als Souverein Prins van het Rozenkruis, alvorens als Grootmeester Nationaal van de Oppergraden te worden geïnstalleerd.

De Afdelingen van de Meestergraad De prins ontwikkelde echter al snel – mede onder invloed van zijn omgeving – de mening dat de Oppergraden een verwerpelijke toevoeging aan de vrijmetselarij vormden, maar dat anderzijds de meestergraad onvoldoende ontwikkeld was. De afkeer van prins Frederik van de Oppergraden kwam voort uit het – toentertijd – christelijke karakter ervan, omdat dit het karakter van de vrijmetselarij als vrijplaats voor alle geloven zou aantasten. Hij werd verder geïnspireerd door het Charter van Keulen, wat in 1816 door een anonieme gever aan hem was geschonken. Deze oorkonde zou bewijzen dat de vrijmetselarij in de zestiende eeuw al bloeide in Europa. Het bevatte daarbij de oproep dat vrijmetselaars de zuiverheid van hun doelstellingen moesten bewaken en zich niet tot buitenissigheden – zoals de Oppergraden – laten verleiden. Achteraf is het document geclassificeerd als een vervalsing, vermoedelijk afkomstig uit de omgeving van de prins.

Ook meende de prins dat integratie van de vrijmetselarij in de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden alleen kon slagen als men zich uitsluitend richtte op de symbolieke graden. Hij riep de leden van de Oppergraden daarom op om over te stappen naar een door hem in 1819 geïnitieerde obediëntie, de 'Afdelingen van de Meestergraad'. Op 22 mei 1820 legde hij zijn functie als Grootmeester Nationaal van de Oppergraden neer en een dag later vond de eerste algemene vergadering van de Afdelingen van de Meestergraad plaats.

Door de Belgische revolutie in 1830 raakte het punt over de integratie van de vrijmetselarij in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden achterhaald. Mede naar aanleiding hiervan stelde de prins zijn mening bij en in 1835 werd uiteindelijk een convenant gesloten waarbij prins Frederik Grootmeester Nationaal werd van zowel de symbolieke graden, de Oppergraden als de Afdelingen van de Meestergraad. Hierbij werd voor alle drie de obediënties een Gedeputeerd Grootmeester benoemd. Dit zou zo blijven tot zijn dood in 1881, waarna elk van de obediënties weer zelfstandig een Grootmeester Nationaal benoemde.

De twintigste eeuw